1. En a) ik zag in een volgend gezicht, dat het laatste was, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, die reeds in
Jesaja 65:17 beloofd zijn (
2 Petrus 3:13); want de eerste hemel en de eerste aarde, die in die tijd van de tegenwoordige loop van de wereld bestaat, was voorbijgegaan bij de voortgang in Hoofdst 20:9en 11 genoemd (
2 Petrus 3:10)en de zee was niet meer.
a) Jesaja 66:22
Na het laatste oordeel is de zalige staat van zaken teweeg gebracht, die God vanaf het begin heeft bedoeld, terwijl de vroegere geschiedenis slechts ten doel had dezen te verwezenlijken. Deze staat van het volkomen leven, dat nooit eindigt, dat zich in de onzichtbare verten van de eeuwigheid verliest, ziet Johannes in de volgende geschiedenissen, de laatste, die hij heeft ontvangen.
Evenals in Hoofdstuk 20:15 werd gemeld, waar zij zijn heengegaan, die niet gevonden werden in het boek des levens, volgt nu waarheen zij gaan, die in dat boek geschreven zijn (vgl. Vers 27).
Het vuur, waarvoor de oude wereld gespaard wordt (2 Petrus 3:7), brandt reeds verborgen in haar, evenals ook reeds in de harten van de goddelozen de gloed van de hel brandt, alleen is de brand nog niet openbaar geworden. Is echter de dag daar, dan barst hij te voorschijn, van boven en beneden en lost dit gebouw van de wereld tot in zijn grondbestanddelen op. Er wordt niet gezegd, dat de aarde dan vernietigd, in het niet terugzinken zal, maar wel, dat zij tot in haar diepste diepten door vuur doorgloeid, met alles, wat in en op haar is, opgelost en in een zee van vuur zal worden veranderd, evenals het metaal in een oven tot een gloeiende massa versmelt. Die ondergang van de wereld door het vuur wordt echter tevens het middel tot vernieuwing en versiering van de wereld. Dat is de algemene grondwet in het rijk van God; het nieuwe leven komt alleen uit de dood van het oude voort. Even als het bij iedere Christen eerst moet komen tot het ten ondergaan van de oude mens van de zonde, zo de nieuwe geestelijke mens, de mens naar Gods evenbeeld zal opstaan; evenals ons aardse lichaam eerst moet vergaan om verheerlijkt te worden, zo moet ook het vaderland, waarin wij wonen, de aarde, die in onze afval ook is ingetrokken en om van onze zonden wil aan de ijdelheid onderworpen is, eerst worden opgelost en doorgloeid; evenals het goud in de smeltkroes gereinigd en gesmolten moet worden, om als het ware opnieuw op te staan uit de dood, ten einde tot een heerlijke schouwplaats van het voltooide Godsrijk te worden.
Hemel en aarde moeten bestaan totdat de Schrift in al haar delen door de werking van Jezus en van Zijn Geest in leven en werkelijkheid veranderd zal zijn (Mattheus 5:19, ; 24:35 Mt 5. 19). Als zo het goddelijk Woord zal zijn ingeleid in de sfeer van het menselijk leven, die er vanaf het begin voor bestemd was, zullen hemel en aarde vergaan, de mensheid is nieuw geworden en heeft een kleed nodig, dat met haar vernieuwing overeenstemt, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarop ongerechtigheid voor altijd terzijde is geplaatst.
Onder de hemel, die met de nieuwe aarde vernieuwd wordt, kan natuurlijk niet het reeds volmaakte gebied van het universum (want het volkomene heeft geen vernieuwing meer nodig) zijn verstaan, maar alleen de hemel, die tot de aarde behoort, het met haar samenhangende zonnensysteem en de daardoor bepaalde atmosferische omtrek van de aarde. Met het verband van die beide blijkt de noodzakelijkheid van de gelijktijdige vernieuwing; zonder de vernieuwing van de hemel was de vernieuwing van de aarde niet mogelijk.
De eerste aarde was gevormd uit de vloeibare, waterachtige chaos (Genesis 1:2), de tweede moet geboren worden uit het vuur van de wereldbrand. Was nu in de eerste vorming de zee achtergebleven als overblijfsel van de vloed, die uit de watermassa was afgezonderd, in de tweede kan zo'n residium van een vloed niet zijn, omdat de nieuwe aarde uit vuur wordt geboren. Bij de uitdrukking "en de zee was niet meer" is dus niet in de eerste plaats op de zee van volken (Hoofdstuk 17:15) het oog gevestigd. Wel ligt daarin onmiddellijk, dat ook zo'n ongeorganiseerde volken-zee in de nieuwe schepping niet meer zal kunnen voorkomen. Want is het water niet meer de grondstof, dan is de nieuwe wereld niet meer een wereld van gistende ontwikkeling van de allengs wordende formaties uit vormloze stoffen; integendeel wordt uit het vuur de vaste kristallijne vorm als gereed en onvergankelijk geboren. De natuur moet echter overeenkomen met de personen en het wezen, waarvoor zij als schouwplaats en orgaan dient. Een kristallijnen-natuur kan alleen voor zodanige wezens tot orgaan dienen, waarbij een ontwikkeling niet meer voorkomt, ten minste geen ontwikkeling door vijandschap tegen God en dood heen, maar waarbij voortdurende, constante gelijkmatige, rustige levensontvouwing de enige ontwikkeling vormt. Met een uit water geborene plant, die ontkiemt, opgroeit, bevrucht wordt en sterft, komt de mens in het vlees overeen, de mens op zijn eerste trap, waarop zondenval en dood mogelijk waren en werkelijkheid werden; overeenkomstig met het uit vuur geboren, voor eeuwig bestaande, onverwoestbare kristal stemt overeen de verheerlijkte natuur van de geestelijke mensen, die niet trouwen noch ten huwelijk geven, maar de engelen zoals zijn ook daarin, dat zij niet meer kunnen zondigen.
Even zeker als vlees en bloed niet kunnen ingaan in het rijk van God, even zeker als de mens, voordat hij een lid van dit rijk wordt, veranderd en verheerlijkt moet worden, even zeker zal ook de aarde, voordat het voltooide rijk van God op haar openbaar wordt, van haar materialiteit en vergankelijkheid bevrijd en tot een onstoffelijk geestelijk gebied veranderd worden. Ontzettend gaat ons bij het sterven ons scheiden van de aarde door merg en been; wij gevoelen, dat de aarde ons land is en wij voor onze aardse natuur georganiseerd zijn. Voor hetgeen op aarde is, hebben wij zin en hart, haar openbaringen en levensvormen, haar wetten en inrichtingen verstaan wij. Zelfs ons denken, onze logica, onze fantasie, ons voorstellingsvermogen, onze taal, ons gevoelen, ons liefhebben is op haar gericht en zij is weer de stof van onze taal en gedachten, onze hemelladder. Gescheiden van deze aarde, is ons voortduren er voor ons problematisch, wij kunnen ons geen voorstelling daarvan maken. Dat alles moeten wij voelen, of wij willen of niet; wij moeten zelfs in de hemel, die onze aarde niet is, naar dit ons land verlangen. Pas als aan dit verlangen voldaan is, zal het ons wel zijn en de aarde en alle schepselen op haar zullen met ons leven, en volkomen genot hebben.
Bij de vernieuwing van de aarde kunnen wij niet aan een trapsgewijze ontwikkeling gedurende jaarduizenden denken, maar wel aan een verandering van onze aardbol, die plotseling op het machtwoord van de Goddelijke Schepper volgen zal. Petrus voorspelt in zijn tweeden brief uitvoerig een verandering van de hemel of van de hemelse lichamen en van de aarde door vuur (2 Petrus 3:4-13). Deze verandering zal geen vernietiging van de oude aarde, maar een verheerlijking zijn. Zoals wij uit het onderzoek van de vroegere scheppingen van de aarde weten, dat zij een reeks van ontwikkelingstrappen doorlopen heeft, waardoor altijd een nieuwe rij van volkomener wezens de plaats van meer onvolkomene innam, zo zal onze planeet ook aan het einde van onze tijdloop een verheerlijking ondervinden en een herschepping deelachtig worden, die door haar volkomenheid aan het luisterrijk verheerlijkte lichaam van de mensen beantwoorden zal. Het staat vast, dat hier van een verheven omschepping van de aarde sprake is. De Ziener zegt: "de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbijgegaan en de zee was niet meer. " Hier treft men geen beeldspraak aan, maar heeft men de woorden in eigenlijke zin op te vatten, zo-evenwel, dat onder het vergaan van de aarde geen vernietiging, maar een vernieuwing te verstaan is. Mozes beschrijft ons bij de aanvang van de Bijbel de inrichting van de aarde tot een woonplaats voor mensen, na haar chaotische toestand, waarinn zij door een vroegere omwenteling gekomen was. De zondvloed heeft 1600 jaren later een grote verandering op haar teweeg gebracht. Nu staat haar eenmaal een omschepping te wachten, waardoor de zee verdwijnt. Wie kan zich zo iets voorstellen? Wanneer de zee niet meer is, dan hebben vele miljoenen zonen van Adam meer plaats op aarde. Door de vernieuwing van de hemel en van de aarde wordt de Engelenwereld met de mensenwereld als één familie van dezelfde Vaders in de hemel met elkaar verbonden, omdat dan hemel en aarde voor Engelen en verheerlijkte mensen beiden toegankelijk zijn. God de almachtige Vader, zal nieuwe scheppingen in Zijn geestenwerelden en planetenwerelden tot stand brengen en ook onze aardbol zal op de aanstaande scheppingsmorgen als een paradijs uit de hand van de Almachtige te voorschijn komen, van welks heerlijkheid wij geen denkbeeld hebben. Want wat het oog niet heeft gezien en geen oor gehoord en wat in geen mensen hart is opgeklommen, heeft God bereid voor degenen, die Hem liefhebben.
Hemel en aarde worden "nieuw", nieuw en heerlijk; dermate, dat zoals Jesaja het uitdrukt, de vorige dingen niet meer gedacht worden. Dan zal op aarde de wolf met het lam verkeren en de luipaard bij de geitebok neerliggen; met één woord: het tafereel zich verwezenlijken, door de stift van de zo-even genoemde Profeet ontworpen. Petrus spreekt insgelijks van "een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. " Zonde en verderf zijn op aarde uitgegaan van de kinderen van de mensen en hebben zich over de hele schepping verspreid: de Heere Jezus is van de hemel neergedaald, opdat de zondaren in Hem nieuwe mensen worden zouden, geschapen naar Gods beeld en bij wie "het oude voorbijgegaan en alles nieuw geworden" was. De Kerk voedt nu haar kinderen op tot bewoners van de nieuwe aarde en tot burgers van het nieuw Jeruzalem. Maar van de wedergeboren mensheid gaat nu ook een nieuwe geboorte over de hele schepping uit. Daarom zucht het schepsel, met opgestoken hoofd verwachtend de openbaring van de kinderen van God. Daarom is die herstelling aller dingen niet alleen voor de kinderen van God, maar ook voor andere wezens een stof van heilige verwachting, omdat zij allen uitzien naar de vervulling van dat woord: "het is alles nieuw geworden. " Dan "zal de zee niet meer zijn"; namelijk die zee van de volkeren, waarvan de Profeet zegt: "de goddelozen zijn als een voortgedreven zee; want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op. " Met andere woorden: de Kaïns-geest van haat, nijd, toorn en moord is van de aarde verdwenen. Elk die niet geschreven is in het boek des levens, is geworpen in de poel van vuur. Daarom hebben de godvruchtigen ook geen reden meer tot angst of klacht over de goddelozen op de wereld, want deze zijn voor eeuwig gebonden. "Geen zee meer. " Dat woord doet een nieuw denkbeeld in de peinzende geest opkomen en wel een strelende en verkwikkende gedachte; zij zal de natiën niet langer tot een graf verstrekken. Wat is de zee nu? Het grote kerkhof van de wereld. Hoe menige familie telt bloedverwanten, die sluimeren in haar schoot. Bij gemis van een lijkklok verheffen de golven dagelijks, bij wijze van uitvaartviering, haar klaaggeluid over zo velen, die, zonder in het bekende plankenhuis besloten te zijn, in de diepten verzinken. Het klamme zeewier ontwikkelt de schoonste lichaamsvormen; en onlangs nog levenslustig kloppende harten bewegen zich niet alleen op- en neerwaarts met het rijzen en dalen van de golfbeweging, maar hele scheepsbemanningen slapen in die slaap van de haar schoot, die geen ontwaking kent; en zelfs de pijnboomwouden, die aan haar steile oevers hier en daar hun kruinen opsteken, schijnen mij toe, met het onafgebroken doodslied in te stemmen, door de golven aangeheven over miljoenen gestorvenen. Van deze bazuin en dit geluid sprekende, zegt:
Wat rijkdom onberekenbaar Weerschittert ginds beneden in uw schoot, Wat puikkerbonk'len, wat trezoren gouds berusten daar, Eens overkosbre vracht van menig koningsvloot. Bewaak uw rijken buit, o woest en zwelgziek meer! Geen schepsel vraagt die schatten weer.
Maar de uitgeblevenen, de vreugd van hart en huis, Wier plaats aan dis en haard nog ledig bleef zo lang en treurig peinzen wekte, ook onder feestgedruis; Wier naam in de avondbee geslaakt werd droef en bang. Spoel over zinkend land en gruis van steden heen, Maar u die schat te laten? neen.
Een dierbaar echtvriend werd bedolven in uw diep, De donkre baren overschuimden het heldenhoofd; Een blonde knaap verdween, die om zijn oudren riep; Maar eenmaal klinkt de stem, die het stormrumoer verdooft; Zij spreekt beslist gebiedt: (wie kan haar tegenstaan?) Geef weer uw doden, oceaan!
En dan zal er geen zee meer zijn, als kerkhof en begraafplaats van de natiën van de aarde.
Ter nauwernood zouden wij ons kunnen verblijden bij de gedachte, om de heerlijke oude oceaan te missen; de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde doen er zich niet schoner om voor aan onze verbeelding, als er, in de letterlijke zin, geen grote en wijde oceaan zal wezen met zijn schuimende golven en met schelpen bestrooide stranden. Moeten wij de tekst niet liever beschouwen als een zinnebeeld, gekleurd met het vooroordeel, waarmee het oosters gemoed gewoonlijk van oudsher de zee placht te beschouwen? Het zou echt treurig zijn, ons een werkelijk fysieke wereld voor te stellen zonder zee; het zou de ijzeren ring zijn zonder de saffier, die er waarde aan verleent. Hierin moet een geestelijke betekenis opgesloten liggen. In de nieuwe bedeling zal er geen scheiding zijn; de zee scheidt de volkeren en houdt mensen aan elkaar. Voor Johannes op Patmos waren de diepe wateren als gevangenismuren, hem van zijn broeders en van zijn werk afsluitend; zulke belemmeringen zullen er in de toekomende wereld niet bestaan. Legioenen van bruisende golven rollen er tussen ons en menige bloedverwant, die wij heden avond in de gebede gedenken, maar in de wereld van het licht, waarheen wij gaan, zal er onafgebroken gemeenschap zijn van het hele verloste huisgezin. In deze zin zal er geen zee meer wezen. De zee is een zinnebeeld van verandering; met haar eb en vloed, haar effen gladheid en bergenhoge golven, haar zacht gemurmel en woeste onstuimigheid is nooit lang achter elkaar dezelfde. Slavin van de wufte winden en de wisselende maan is haar ongestadigheid tot een spreekwoord geworden. In deze staat van de sterfelijkheid hebben wij er hier reeds te veel van; de aarde alleen is gestadig in haar ongestadigheid, maar in de hemel zal iedere droevige verandering onbekend zijn en daarmee ook iedere vrees voor storm, waardoor onze hoop schipbreuk zou kunnen lijden en onze vreugde wegzinken. De zee van glas schittert met een heerlijkheid, door geen golf gebroken. Geen stormwind huilt langs de vreedzame stranden van het paradijs. Eerlang zullen wij dat heerlijke land bereiken, waar scheiding en verandering en storm een einde zullen nemen. Jezus zal ons daarheen voeren. Zijn wij in Hem of niet? Ziedaar de grote vraag.
Enigen menen hieruit, dat de zee door het vuur verteerd en uitgedroogd zal worden, zodat daar geen gebruik meer van zijn zal. Maar dat de hemel en de aarde vernieuwd en verheerlijkt zullen worden en dat het een algemene woonplaats van de heilige engelen en zalige mensen altijd blijven zal, zoals ook nu de engelen soms op de aarde verschijnen, hoewel de hemel hun eigenlijke woonplaats is; maar dit voelen is onzeker.
De hemel en de aarde van de vloek verlost zijnde, zullen in de volmaakten staat hersteld worden, waarin zij door God in het begin geschapen waren; immers niet minder en misschien heerlijker en de zee als nu niet meer nodig, omdat de aarde door mensen niet bewoond zal worden, zal niet meer zijn.
Men mag hier van de letterlijke betekenis niet afgaan tot zinspelende verklaringen. Hier gaat toch een doorluchtige beschrijving vooraf aan het laatste oordeel en de verdoemenis van de goddelozen. Hetgeen hier volgt, heeft ook zijn waarheid eerst in de hemelse werkelijkheid op het einde van deze wereld. De Openbaring ient nergens anders in te eindigen dan in het einde van de wereld en die uitersten wens van de godvruchtigen.
De uitwendige en vleselijke huishouding, die door de Roomse valse profeten was ingevoerd, begon te vergaan met de hervorming van de Kerk; maar dat goddelijk werk werd niet ten einde gebracht, maar zal volbracht worden, als het rijk van het beest volkomen vernietigd zal worden, als de Kerk, wanneer de heiligen met Christus op een troon zitten, zich vertonen zal in al haar schoonheid en heerlijkheid en de gedaante van hemel en aarde nieuw zal schijnen, de oude hemel en aarde vernietigd zijnde (Jesaja 24:23 Haggai 2:3 Jesaja 65:17). Dat er nu wordt bijgevoegd, dat de zee niet meer was op deze nieuwe aarde, betekent, dat de barbaarse volken, die lang in het heidendom of in de dwalingen van de valse godsdienst hadden gezeten, in deze nieuwe wereld het Christelijke geloof zouden aannemen.