Ezechiël 35:10-15
Hier is,
I. Een verdere mededeling van de zonde van de Edomieten en hun wangedrag jegens het volk van God. Wij vinden de kerk, klagende over hen, dat zij de Babyloniërs aangehitst hebben en opgezet tegen Jeruzalem, zeggende: "Ontbloot het, ontbloot het, weg er mee", Psalm 137:7, een toorn ontstekende, die reeds brandde. Voorts wordt hun verweten, dat zij zich verheugd hebben over de val van Jeruzalem en de verwoesting van het land. Vele lasteringen hebben zij gesproken tegen de bergen Israëls, zeggende met zelfverheffing en genot: "Zij zijn verwoest, ze zijn ons ter spijze gegeven, vers 12. Zie, de ellende van de kerk geeft aan de ene zijde bewijzen van de standvastigheid en trouw harer vrienden, maar aan de anderen kant van de verdorvenheid harer vijanden, in wie meer lage boosheid openbaar wordt dan men zou vermoed hebben. Hier wordt gezegd, dat hun vreugde over Jeruzalems val voortspruit,
1. Uit een zondige hartstocht tegen het volk Israëls, uit toorn en nijdigheid en haat, vers 11, 5. Al waren ze niet tegen Israël opgewassen, en konden ze hun dus zelf weinig kwaad doen, zij werden verheugd, toen de Chaldeën dat bestonden.
2. Uit een zondige begeerte naar het land van Israël. Zij verkneuterden zich in de hoop, dat, wanneer het volk Israëls overwonnen was zij het land konden bezitten, dat zij hun zo dikwijls benijd hadden. Zij meenden er ook enig recht op te hebben, (ob defectum sanguinis bij ontstentenis van andere erfgenamen,) als Jakobs nageslacht ontbrak, dan waren zij de naaste rechthebbenden, als tredende in de nalatenschap van hun broeder. Die twee volken en die twee landen zullen mij geworden, vers 10. Nu is het de tijd, ze in bezit te nemen. Zij hopen ten minste, als naaste buren, het land het eerst te bezetten, wij zullen ze erfelijk bezitten, wanneer het land verlaten is. (Ceditur occupanti. Wijk voor de bezitter.) Zie, degenen bezielt de geest van de Edomieten, die de dood van anderen wensen om zichzelf te verrijken, en verblijd zijn als het hun slecht gaat, in de verwachting, daarbij te winnen. Wanneer wij de ijdelheid van de wereld zien in de teleurstellingen, verliezen en moeilijkheden, die anderen bejegenen, dan behoren wij, liever dan begerig te zijn naar wet anderen verliezen, en door te leren, meer en meer los van de wereld te worden, onze verwachtingen dienaangaande lager te spannen en er minder belang in te stellen. Maar in dit geval was de begerigheid van de Edomieten naar het land Israëls een bijzondere belediging jegens God, toen zij zeiden: "Zij zijn ons ter spijze gegeven, wij zullen onze buik vullen met haar rijkdom". God zegt: "Alzo hebt gij u met uw mond tegen Mij groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd." Zij verwachtten het verlaten land te bezitten, omdat Israël uitgedreven was, ofschoon ook de Here daar was, vers 10. Wel was zijn tempel verbrand en andere tekenen van zijn tegenwoordigheid weggenomen, maar de belofte, dit land de zade Jacobs te geven tot een erfelijke bezitting, was daarmee niet ingetrokken, die bleef in volle kracht, en door die belofte bleef Hij het land Israëls voor Jacob behouden, tot die te van zijn tijd zou terugkeren. Het was Emmanuëls land, Jesaja 8:8, in dat land zou Hij geboren worden, en daarom moest dat land het bezit blijven van dat volk, voor hetwelk Hij zou geboren worden, tot Zijn tijd gekomen was, en daarna mocht het nemen wie wilde. "De Here is daar," de Here Jezus zou daar zijn, en daarom is Jacobs ballingschap slechts tijdelijk, geen blijvende uitdrijving, het land wordt voor hem bewaard, hij zal het weer hebben, houden en genieten, krachtens de goddelijke gift, totdat de belofte van dit Kanaän door de Messias zou vervangen worden door de belofte van een veel beter Kanaän. Zie, het is een daad van aanmatiging, die God grotelijks vertoornt, voorrechten en goed in bezit te nemen, dat bepaaldelijk voor Gods verkoren volk is bestemd en bewaard wordt. Het is lastering tegen de bergen Israëls, de heilige bergen, zo men zegt: omdat zij voor het ogenblik een prooi zijn van en vertreden door de heidenen, Openbaring 11:2 zelfs de heilige stad, "daarom heeft ze de Here verlaten, heeft Hij ze vergeten." De apostel zal deze gedachte geen voet geven, "dat God zijn volk zou verstoten hebben," Romeinen 11:1. Neen, al wordt het voor een ogenblik terneergeworpen, het is niet voor eeuwig verworpen. Zij bezondigen zich aan God, die dat beweren.
II. God geeft acht op de barbaarse onbeschaamdheid van de Edomieten en spreekt daarover vonnis uit. Ik heb alle uw lasteringen gehoord, vers 12. En wederom, vers 13:Gij hebt uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd, en Ik heb ze gehoord, Ik heb ze opgemerkt, Ik houd er rekening mede. Zie, bij de veelheid van de woorden ontsnapt geen enkel aan zijn oplettendheid. Al spreekt de mens nog zoveel nog zo snel, al vermenigvuldigt men de woorden, die men zelf weer vergeet, geen enkel gaat verloren, ook niet de ijdelste. God heeft ze gehoord en zal ze de zondaar eenmaal voorhouden. Alle hoogmoedige en harde redenen, vooral zo die gesproken zijn tegen de God Israëls, als men zich met zijn mond tegen God groot maakt, vers 13, zowel als de woorden, die vermenigvuldigd worden, zijn voor Gods aangezicht geschreven. Want, gelijk ook de onbeduidendste woorden niet te min zijn om door God gehoord te worden, zo omgaan ook de onbeschaamdste woorden Zijn ongenoegen niet. Ik heb alle uw lasteringen gehoord Dat is een goede reden, waarom wij een onverdiend verwijt moeten dragen als hoorden wij het niet, omdat God het hoort, Psalm 38:14,16. God heeft Edoms lastertaal gehoord, laat Edom nu zijn vonnis vernemen, vers 14, 15. Het was een nationale zonde (de lasteringen, waarvan hij beschuldigd wordt, waren in de mond van alle Edomieten), daarom zal het met een nationale ramp gestraft worden. En
1. Het zal een bijzondere straf wezen. Gelijk God bijzondere gunsten voor de Israëlieten had, zo had Hij ook bijzondere plagen voor de Edomieten, zodat, gelijk het gehele land verblijd is, alzo zal Ik u de verwoesting aandoen, vers 14, wanneer andere volken weer uit de verdrukking oprijzen en verblijd zijn, zal uw verdrukking eeuwig zijn, vers 9.
2. De straf zal aan de zonde beantwoorden. "Gelijk gij u verblijd hebt over de erfenis van het huis Israëls, dat is over zijn bezoeking, zo zal God u bezoeken, naardien gij zo op verwoesting gesteld zijt, zal Ik u de verwoesting aandoen". Zie, zij, die, inplaats van te treuren met de treurenden, van hun smart een grap maken, worden dan terecht zelf treurende gemaakt en gevoelen het gewicht van de smart, die ze zo onbeduidend hebben geacht. Sommigen lezen vers 14 als een voltooiing van de vergelijking tussen de zonde en de straf. De gehele aarde zal zich verheugen, als Ik u zal verwoesten, gelijk gij u verheugd hebt, toen Ik Israël verwoestte. Zij, die blij zijn over de val en de dood van anderen kunnen verwachten, dat anderen zich gelukkig voelen, als ze hun val en dood aanschouwen.
3. In de verwoesting over de vijanden van Gods kerk werkt Hij Zijn eigen heerlijkheid, en wij kunnen zeker zijn, dat Hij die bedoeling ook verwezenlijkt.
a. Wat Hij wil is, Zichzelf te openbaren als een rechtvaardig, jaloers God trouw aan Zijn verbond en aan Zijn volken aan deszelfs zaak, vers 11. Ik zal bij hen bekend worden, wanneer Ik u zal gericht hebben. De Here is bekend en zal bekend worden door de oordelen, die Hij uitricht.
b. Zijn doel zal volkomenlijk bereikt worden, niet alleen Zijn eigen volk zal dat, tot zijn troost, weten, maar ook de Edomieten zelf, en alle andere vijanden van Zijn naam en volk, zullen weten, dat Hij de Here is, vers 4, 9, 15. Gelijk de werken van Zijn schepping en van Zijn voorzienigheid aantonen, dat er een God is, zo bewijst de zorg voor Israël, dat JHWH, de God Israëls, alleen God, de ware en levende God is.