2. En laat het voorhof uit uw rekening weg, dat van buiten de tempel is, omdat het niet werkelijk tot de tempel behoort, al staat het ook veelszins in betrekking daarmee en meer dat niet, want het is volgens het goddelijk raadsbesluit de heidenen gegeven om daarop rond te gaan. En om met dit rondgaan van de heidenen op de grond van de voorhof van de tempel een ander treden van de heidenen, dat gelijktijdig plaats heeft te verbinden, zij zullen de heilige stad Jeruzalem (
Mattheus 4:5,
27:53 vertreden. De heidenen, hoewel uit andere volken bestaande als die straks bij dat omgaan bedoeld waren, zullen haar vertreden, tot dat de tijd van de heidenen vervuld zal zijn (
Lukas 21:24). En nu stel ik, nadat in
Hoofdstuk 10:6 is gezegd, dat voortaan geen tijd meer zal zijn, maar alles zijn afgemeten tijd zal hebben, de maat van die tijd voor die vertreding vast: twee en veertig maanden in profetische zin Re 10:7.
De Germaans-Slavische volken, waarmee de geschiedenis van de Middeleeuwen begint, zijn geheel degenen, die eens die plaats kunnen innemen, die van te voren Israël ingenomen had en die daarom ook in hoofdzaak dezelfde trappen van ontwikkeling doorlopen, die in de geschiedenis van het Oud-Testamentische verbondsvolk worden gevonden, terwijl ten opzichte van de volken van de oudheid, die Christelijk zijn geworden, de zaken geheel anders gelegen zijn. Het is in de eerste plaats een nog ruwe onbereide massa. Van beschaving en geschiedenis, van eenheid als volk en staatsinrichting is bij hen nog geen sprake, dat alles ontwikkelt zich pas door het Christendom en onder de leiding en verzorging van de Kerk, evenals Abrahams geslacht ook pas tot een eigenlijk volk is geworden door de verlossing uit de slavernij van Egypte en het sluiten van het verbond aan de Sinaï. Waren nu Abrahams kinderen geroepenen tot het rijk van God, reeds ten gevolge van hun geboorte, tengevolge van hun afstamming van deze drager van de belofte en werden dienvolgens allen zonder onderscheid door de besnijdenis in het verbond van God opgenomen, zo zijn ook de volken, waarvan gesproken wordt, zonder een eigenlijk voorafgaande bekering van het hart en opwekking van het geloof meteen in hun geheel gechristianiseerd en verder zonder afbreking en uitzondering hun kinderen gedoopt en de Kerk ingelijfd. Daarin lag een zeer genadige en wijze bedoeling van de Heere; Hij wilde aan de heidenen dezelfde rijkdom van Zijn zaligmakende barmhartigheid betonen, die Hij van te voren aan Israël had bewezen en om zo te spreken, de proef nemen, of aan dit Nieuw Testamentische Israël Zijn voorkomende barmhartigheid een betere vrucht zou tot stand brengen, dan aan het Oud-Testamentische, of het hiermee mogelijk zou zijn om het geheim van Zijn raadsbesluit te volvoeren en die wegen te gaan, die niet weinige theologen voor de wezenlijk schriftuurlijke en ware houden, dat namelijk de Kerk, uit de heidenen vergaderd, de eigenlijke brug wordt voor de overgang van het rijk van de genade in het rijk van de heerlijkheid. Maar zeker had die alles omvattende wijze van roeping ook ten gevolge, dat op de Westerse kerk meteen vanaf het begin als haar signatuur het onderscheid is gedrukt tussen ware Christenen, die het inwendige zoeken en de onreine, die de buitenwereld liefhebben, tussen oprechte belijders van Christus en hen, die alleen de Christen-naam dragen. Dat is dan in de eerste plaats de betekenis van het gezicht, dat wij hier voor ons hebben: Johannes ontvangt een riet, waarmee hij de tempel van God en het altaar, en die daarin aanbidden, moet meten. Van een volvoeren van het bevel en van hetgeen bij meting werd gevonden, wordt niets gemeld. Dat moet er dus verder niet op aankomen, maar alles gelegen zijn aan het vestigen van een bepaalde gedachte en deze gedachte is zonder twijfel deze, dat alles, wat tot het inwendige wezen van de Kerk behoort en alles, wat de levende, met Gods Geest vervulde leden, die het ernstig met het Christendom menen, aangaat, onder de als het ware geometrisch nauwkeurige voorzorg van God gesteld is en tot op duim en streep bewaard zal blijven onder hetgeen later (Vers 7 v.) zal komen. Daarentegen is ook van een voorhof buiten om de tempel sprake, dat Johannes niet in zijn meting moet opnemen. Daarbij moeten wij aan de buitenzijde van de Kerk, aan haar uitwendige verordeningen en inrichtingen, aan haar gebied, dat tot in de wereld reikt, denken en van dit voorhof wordt gezegd, dat het de heidenen gegeven is, namelijk om daarop rond te gaan. Daardoor, dat onmiddellijk daarop weer sprake is van heidenen en van deze wordt gezegd, dat zij een bepaalde tijd de heilige stad zouden vertreden, hebben de uitleggers het juiste inzicht in de bedoeling van de woorden verloren. Wij moeten echter uit deze zin alleen afleiden, voor hoe lang de voorhof van de heidenen zal zijn overgegeven, maar niet wat het vertreden ervan betekent, omdat daar het object van vertreden werkelijk een ander is. Wij moeten hier de plaats Jesaja 1:12 aanhalen, waar aan het volk van de Joden, dat zijn God slechts uitwendig, met een onbekeerd hart en een onheilig gemoed dient, voor de Heere wordt voorgeworpen: "Wanneer jullie voor Mijn aangezicht komen te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geëist, dat u Mijn voorhoven betreden zou? " Daarmee is bedoeld dat geesteloos en ongodsdienstig omlopen, dat plompe opus operaturn, dat beter nagelaten kon worden, omdat het slechts de grond verslijt. En nu komt ons de hele grote menigte van naam-Christenen voor de geest, die uitwendig ook geplaatst zijn in de kring van de Kerk, om haar zegeningen tot op een zekere hoogte mee te genieten, maar die van haar inwendige aard niets in zich hebben en ook geen lust hebben tot het altaar in Gods heiligdom te komen en daar mee te aanbidden, maar liever daar buiten blijven en het voorhof betreden, tot de grond geheel versleten is. Zij zijn naar de inwendige mens heidenen, alhoewel zij de Christennaam dragen. Hun getal, misschien afgezien van hen, die om zo te zeggen de proselieten van de poort of de godvrezenden uitmaken en aan wie, volgens Vers 18, eveneens een loon beloofd is, blijft ongeteld; het komt dus voor de tempel en het altaar en voor degenen, die daarin aanbidden, in de grond er niet op aan, hoe velen van hen ten slotte ook van de voorhof niets meer willen weten en zich geheel van de Kerk emanciperen. Zij moge het betreuren, dat de machten van de wereld tegen haar zijn en de regering van het land alles aanwendt tot ontkerstening van de natie, zij weet ook, dat de Heere regeert over Laodicea (Hoofdstuk 1:20) en de machthebbenden in Zijn hand heeft en naar de belofte in Hoofdstuk 3:20, dat na Laodicea een nieuwe tijd komt. Zij weet dat haar Heere haar leidt naar Zijn raad en ten slotte alles heerlijk volbrengt. Zij erkent, dat de mannen in de raad van de volken en de machtigen in de regering, bij hetgeen de wetgeving bepaalt, niet hun luimen volgen, maar om zo te zeggen, onder een fatum staan, dat nu de wensen en plannen, waarmee de Christelijke tijdgeest zich heeft verbroederd, tot hun doel komen. Dat het nu in de daad tegenwoordig het uur daarvoor is, wijzen ons de woorden aan: "En zij zullen de heilige stad vertreden 42 maanden. " Het begrip van "heidenen" of "volken" is in de profetie van het Oude Testament reeds veelomvattend Deze 30:3. Er kunnen zeer goed opeens geheel andere persoon bedoeld zijn, dan waarvan van te voren sprake was; ook als dezelfde uitdrukking uit de vorige zin als subject ingrijpt in de volgende zin. Maar geen veelomvattend begrip is de naam "heilige stad. " Daarmee is uitsluitend bedoeld el Kuds, zoals de Arabieren Jeruzalem tot op deze dag noemen Jozua 15:63. In het woord "Jeruzalem zal vertreden worden door de heidenen, totdat de tijd van de heidenen vervuld zal zijn", ligt een zeker onderpand daarvoor, dat hier niet, zoals vele uitleggers willen, aan de Christelijke Kerk mag worden gedacht. Maar nu mag men van dit woord niet tegelijk rugwaarts besluiten, dat onder de tempel van God met zijn altaar en voorhof eveneens die te Jeruzalem is bedoeld en het overgegeven zijn van de voorhof voor hetzelfde als het vertreden worden van Jeruzalem moet worden gehouden, alsof eens, als het tot de heerschappij van de anti-christ komt, deze zich ook van de heilige stad meester zou maken, en de tempel van de Heere op gelijke wijze verwoesten en met zijn gruwelen bevlekken als vroeger zijn voorbeeld, Antiochus Epiphanes. Er wordt nergens in de Schrift gezegd, dat het zo ver zal komen; integendeel moet volgens Hoofdstuk 12:14 de vrouw op haar plaats een tijd en twee tijden en een halve tijd, zo lang de heerschappij van de anti-christ duurt, voor het aangezicht van de slang worden gevoed en de vernietiging van de anti-christ en zijn legerschaar moet alleen in de naaste omgeving van Jeruzalem plaats hebben; in de stad zelf zal hij evenmin kunnen binnendringen, als eens Sanherib (Jesaja 37:33 v.). Als onder de tempel die te Jeruzalem was bedoeld, dan zou ook het altaar, dat daarmee in verband staat, voorgesteld zijn als het brandofferaltaar. Omdat echter op onze plaats door het "die daarin aanbidden" duidelijk gewezen wordt, op het reukaltaar, is de tempel zelf zonder twijfel een symbool van de Christelijke Kerk en het overgegeven zijn van de voorhof aan de heidenen in die zin op te vatten, als wij het boven hebben voorgesteld. Van Jeruzalem is pas nu sprake, als het uitdrukkelijk met zijn erenaam "de heilige stad" wordt genoemd. Met het rondgaan van de heidenen op de voorhof van de Kerk loopt rechtlijnig het vertreden worden van Jeruzalem door de heidenen. Daarin ligt een fijne wenk, dat, nadat de Heere eenmaal ertoe is overgegaan om Zijn stad, die in Mattheus 5:35 "de stad van de grote Koning" heet, aan de vertreding, in Lukas 21:24 aangekondigd, over te geven, Hij ook ten opzichte van de Christelijke Kerk iets dergelijks laat geschieden door toelating tot de gemeenschap van de Kerk, van een niet te meten getal van degenen, die slechts in naam Christenen, maar in het hart alleen heidenen zijn. Hij doet dat, opdat zij naar het uitwendige van haar karakter, om een gemeente van heiligen te zijn, wordt beroofd en dat karakter alleen blijft naar haar innerlijk wezen. Dat er een goddelijk raadsbesluit van deze aard over de kerk van het Westen is, blijkt opmerkelijk daaruit, dat de Hervormde kerk tegenover de Roomse nooit tot voortgaande uitbreiding en overwicht heeft kunnen komen. In de algemene Kerk maakt de Protestantse de tempel en het altaar uit door het bewaren van de leer van de waarheid, de Roomse daarentegen de voorhof naar haar hele inrichting en cultus en zo zal de voorhof blijven bestaan, zolang als het raadsbesluit zelf bestaat. Pas als de tijd van de heidenen vervuld is, zal een andere verhouding komen, zoals wij bij Vers 13 zullen zien; gedurende die tijd blijft echter voor de Roomse kerk een uitwendig overwicht over de evangelische, zoals dit ook de volgende afdeling bevestigt. Het werk van de Islam, sinds zijn ontstaan en eerste uitbreiding en van de Moslim-wereld is met verheven beknoptheid in deze woorden uitgedrukt: "De natiën zullen de Heilige stad vertreden twee en veertig maanden. " In de plaats van de bloeiende Godsgemeenten van Voor-Azië is de ziel-vergiftigende en de het lichaam-ontzedelijkende Islam gekomen, welker brandstichters-benden alle landen van Voor-Azië met razende verdelgingswoede hebben verwoest, maar zonder hoogst levensbeginsel hun aanzijn als een last voortslepen, nadat altijd nog nieuwe volken, door zich aan hen aan te sluiten en de teringkwaal te hebben opgedaan, van geestelijke verdorring en lichamelijke afgeleefdheid ter prooi geworden zijn. De verdere geschiedenis van de Islam wordt niet geschetst, omdat hij niets meer met de Gemeente van God te doen heeft, zolang hij de Islam blijft. Ook ten tijde van de kruistochten werd de Heilige stad, even zo stout of nog stouter dan door de Mohammedanen vertreden. Eerst vertraden de Chaldeeërs haar, toen de Syriërs, vervolgens de Romeinen, eindelijk zal zij nog het langdurigst en het meest onbeschaamd door de Mohammedanen vertreden worden, zoals Daniël zegt Daniël 9:27 : Vast besloten strafgerichten zullen zich uitstorten over het verwoeste (hetwelk reeds vroeger daar was). " De tijd van het voortduren van die vertreding of van de heerschappij van de Islam over de Heilige stad wordt bepaald op 42 maanden. Dat deze 42 maanden werkelijke maanden beduiden, dus 3 jaar, gelooft niemand. Het meten van tempel en altaar tempel, altaar en voorhof zelf moeten profetisch opgenomen worden, evenzo het vertreden van de voorhof en van de Heilige stad. Daaruit volgt vanzelf, dat de 42 maanden in profetische zin genomen moeten worden. Wij verklaren dus (zie de profetische getallen) deze 42 maanden of 1260 profetische dagen, de maand (elk van de 42 maanden) op 30 dagen gerekend, als 1260 jaren, die de tijd van de voortduring van de Islam in het Morgenland opgeven en naast de 1260 dagen van de beide Getuigen en der Zonnevrouw en de 42 maanden van het Pausdom voortlopen. Omdat de Islam zo plotseling ontstaan is, volgens Hoofdstuk 9:15, met een uur en dag en maand en jaar, zo hebben wij daaraan alleen een zeker aanknopingspunt voor de aanvang van de 1260 jaren. Omdat de Islam van 632 tot 642 over geheel Voor-Azië en een deel van Noord-Afrika is uitgebreid geworden en de Heilige stad in 637 de Mohammedanen in handen viel en zo van dat jaar af, door de Mohammedanen vertreden is geworden, zo kan het jaar 637 na Christus als aanvang van de 1260 jaren beschouwd worden. Het getal mag een rond getal zijn; 30 jaren meer zal men er niet aan kunnen toevoegen, omdat het in maanden is opgegeven. Omdat daarmee evenwel de 1260 dagen van de Getuigen en van de Vrouw samen gaan, zo kan men het ook als een nauwkeurige opgave beschouwen. Het loopt in allen gevalle tussen 1892, 1902 ten einde en wijst duidelijk op het slot van onze eeuw, wanneer daar een grote omkering op de hele aardbodem, vooral echter in de Moslim-wereld en in Europa plaats hebben zal, dat een ieder, die de wereldgeschiedenis raadpleegt, zelfs zonder de profetie, uit de stemming en het drijven van onze tijd klaar en duidelijk opmaken kan. Dergelijke vermoedens en gevolgtrekkingen worden evenwel door het profetische woord en zijn tijdrekening tot zekerheid en waarheid. Evenwel niemand meent, dat die tijd zo rustig naderen en voorbijgaan zal. Wanneer eenmaal het Tien-koningschap van Europa voor het uit de afgrond opstijgende beest valt en een aantal mensen vallen, dan zal een ieder zien en bemerken, dat het einde van de 1260 jaren gekomen is. En dit geschiedt voor het uitdrogen van de Islam, omdat de eerste en vijfde toornschaal voor de tweede en zesde komen. Bij de 42 maanden of de 1260 jaren van de Islam sluiten zich de 1260 dagen van de Getuigen en van de Vrouw en de 42 maanden van het beest uit de zee aan. Deze gelijke tijdsopgave bij deze vier machten heeft vooral ten doel om aan te wijzen, hoe zij bij elkaar behoren en gelijktijdig bestaan, dat door geen ander middel korter en eenvoudiger opgegeven kon worden. Men bemerkt dit aan de Gemeente, die voor Islam en Pausdom bestond en ook daarna zal zijn. Deuteronomium 1260 jaren wijzen dus niet de duur van de Gemeente van God in haar geheel aan, want zij duurt tot in de eeuwigheden van de eeuwigheden, maar haar voortduring en haar voortbestaan ten tijde van de Islam. In weerwil van deze vijandige machten blijft de Gemeente in stand, ja zij overleeft ze en ook de 3 jaar van de Antichrist. Ook het pausdom duurt als wereldmacht geen 42 maanden, wel als leugenmacht op godsdienstig gebied, omdat de leervervalsing weldra na 600 jaren begon en de wereldmacht pas in latere eeuwen te voorschijn trad. De opgave van de 42 maanden van de macht van het pausdom (13:5) heeft in de eerste plaats ook ten doel, om het pausdom, welks tijd van ontstaan niet zo nauwkeurig bekend is als die van de Islam en hetwelk niet in tien jaren tijd, maar na verloop van eeuwen een wereldmacht geworden is, in zijn gelijktijdigheid van aanwezen met de Gemeente en met de Islam voor te stellen.
Toen de lichtzinnige geest van de wereld zich de Kerk indrong, de heilige stad vertredende, heeft deze voorhof, hebben de naamchristenen en de afvallige gelovigen, daar geen vasten dam van het heilige geloof tegen opgeworpen, geen weerdstand geboden, maar zich door de stortvloed van de wereld laten losrukken en meeslepen, de weg van de gerechtigheid verlaten en zich afgekeerd van het gebod, dat hun was overgeleverd. Wee hen! Het was voor hen beter, als zij de weg niet gekend hadden. Zij worden geworpen buiten de gemeenschap van de heiligen en aan de heidenen overgegeven. Omdat zij het woord van de waarheid niet hebben gebruikt tot waarachtige bekering, komt de Heere over hen, neemt hun kandelaar weg van zijn plaats en spuwt hen uit zijn mond. Het is door hun toedoen, dat de wereld de Kerk vertreedt tweeenveertig maanden lang. Deze drie en een half jaar is geen tijdsaanduiding, die in eigenlijke zin is op te vatten. Evenals alle andere getallen in de openbaring, is ook het hier opgegeven zinnebeeldig van betekenis. Omdat het zevental dat van de Kerk is, betekent 3 de helft, dat van de heerschappij van de wereld en duidt aan, dat deze, hoe trots ook zich verheffende tegen de Kerk van de Heere, hoe verwaten ook neerziende op hetgeen niet haar vermeende wijsheid is, hoe stout ook op haar vermeende ondermijning van de grondzuilen van het Christendom, nochtans een duurzame heerschappij zal voeren over de gemeente, die opgeschreven is ten leven en die door de poorten van de hel niet overweldigd zal worden. Vrees dan niet, u kudde van Gods volk; de Heere doet Zijn woord gestand en hoe dreigend ook het zwaard tegen u schijnt uitgetogen, uw Beschermer in de hemel keert het op Zijn tijd en op Zijn wijze in de schede, ja tegen de werkers van uw kommer en uw vrees zelf!
Als een land verdeeld moet worden, meer men het af in zoveel delen als er deelgenoten zijn; zo werd Kanaän naar het getal van de stammen afgemeten en aan ieder werd zijn deel in dit land aangewezen. In dit opzicht wordt Israël, dat het erfdeel van God was, genoemd "de roede van Zijn erfenis" (Jeremia 10:16), "de roede van Uw erfenis" (Psalm 74:2). Door het meten wordt dus te kennen gegeven het eigenen van de Kerk voor God, om die als Zijn eigendom te bewaren. Het altaar werd ook gemeten, door God als het Zijne geëigend. Het altaar is het middel ter verzoening door Christus, door het altaar afgebeeld en daarom ook zelf altaar genoemd (Hebreeën 13:10). Niettegenstaande de antichrist de verzoening door het bloed van Christus zou loochenen en bestrijden en de verzoening zou leren zoeken in de mis, in pijnigingen, bedevaarten en andere grillen, zo zou nochtans het middel van de verzoening in het midden van die hopeloze tijden blijven, gekend en gebruikt worden. Die in de tempel aanbidden, zouden ook gemeten, God toegeëigend en door Hem bewaard worden. Deze zijn de honderd vierenveertig duizend verzegelden (Openbaring :4), de uitverkorenen, die zijn een heilige priesterschap (1 Petrus 2:5), die als priesters recht en vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom en tot God te naderen, zodat de Heere in de tijd van de overheersing van de antichrist nog een Kerk en uitverkorenen zou hebben, die de verzoening door Christus bloed dan nog zouden kennen en door het geloof gebruiken. De buitenste "voorhof" wordt gesteld tegenover de binnenste en betekent de uitwendige gesteldheid van de Kerk, zoals zij zich in de wereld vertoont, het gros van de onbekeerden in de Kerk, de niet verzegelden. Dit zou niet gemeten worden, omdat het tot de Heere niet behoort, het deel van de Heere niet is; maar het was in de macht van de antichrist overgegeven, die met zijn onderdanen afgodisch en goddeloos is in leer en leven en daarom heidenen en Babel genoemd wordt. Deze paapse heidenen zouden het uitwendige, de uitwendige luister tot hun deel hebben, maar zonder waarheid; zij zouden pronken met de uitwendige schijn, met de naam van Christelijke Kerk zonder daad; zij zouden de ware Kerk van haar luister beroven en zich met haar uitwendige glans versieren; zij, die paapse heidenen, zouden de heilige stad vertreden, de ware Kerk verdrukken, haar luister en heerlijkheid in de wereld ontnemen, zodat zij zich niet kon vertonen als een stad op een berg, maar moest vluchten in de woestijn en zich verborgen houden, hoewel zij aan de staat van de ware gelovigen niet konden raken, omdat zij verzegeld waren. Dit zou duren de tijd van tweeenveertig maanden; niet dat de antichrist dan vernietigd zou zijn, niet dat hij dan ophouden zou de Kerk te bestrijden, maar hij zou de Kerk niet langer in de woestijn verborgen kunnen houden; hij zou de Kerk niet kunnen beletten uit Babel te gaan en zich openlijk te vertonen en de waarheid te belijden en te beleven. Dit geval komt vaker in de Openbaring oor onder verschillende uitdrukkingen, die echter alle dezelfde tijd betekenen, niet alleen in duurzaamheid, maar ook slaan op dezelfde staat van de Kerk in zo'n tijd. Tweeenveertig maanden zou de heilige stad vertreden worden (Hoofdstuk 11:2). Tweeenveertig maanden zou de antichrist grote dingen en godslasteringen spreken, (Openbaringen 13:5). Een duizend tweehonderd en zestig dagen, die 42 maanden uitmaken, zouden de getuigen profeteren met zakken bekleed (Openbaring 1:3) en de Kerk zijn in de woestijn (Openbaring 2:6) een tijd en tijden een halve tijd; dat is drie jaar en een half, uitmakende twee en veertig maanden en 1260 dagen zou de Kerk in de woestijn gevoerd worden (Openbaring 2:14). Deze tijdgetallen zijn niet eigenlijk te verstaan, maar naar de profetische stijl, betekenend iedere dag een jaar, zoals Ezechiel 4:5 Daniël 9:24 Het is waar, dat niet alle getallen in de Openbaring o genomen worden, maar de omstandigheden van zaken leiden ons of tot de eigenlijke of tot profetische tijdrekening. Het kan met al hetgeen van de antichrist gezegd wordt niet overeenkomen, dat het in drieëneenhalf jaar zou beschikt worden. De zaak zelf, de uitkomst toont het; want 1260 jaren heeft de antichrist de Kerk overheerst en is de Kerk in de woestijn verborgen geweest. Het is onbetwistbaar, dat in de tijd van de hervorming een zeer grote verandering in de Kerk is geschied, zodat het de hele wereld doorklinkt. En dat de Kerk van die tijd uit Babel is gegaan en zich in het openbaar in de wereld heeft vertoond in de belijdenis van de waarheid van het Evangelie. Het is kennelijk, dat van de verlossing van de Kerk uit de vervolging van de Romeinse keizers onder Constantijn de Grote tot op de hervorming in de zestiende eeuw, een tijd van twaalfhonderd zestig jaren is verlopen. Het is onweersprekelijk, dat meteen na de verlossing van de heidense keizers de bisschop van Rome, bij trappen, over de Kerk in Europa is begonnen te heersen en over haar geheerst heeft tot op de tijd van de hervorming. En dat in al die tijd de Kerk verborgen is geweest onder de overheersing van de paus en zich in haar luister niet heeft kunnen vertonen en dat ondertussen in al die tijd daar niet hebben ontbroken die voor de waarheid tegen de antichrist getuigenis hebben gegeven en door de antichrist telkens zijn vervolgd, onderdrukt en gedood, waaruit dan duidelijk blijkt, dat de twaalfhonderd en zestig dagen geëindigd zijn in de tijden van de hervorming en zo begonnen zijn ten tijde van Constantijn de Grote na het half uur stilzwijgen van de Kerk.
Door de binnenhof worden degenen voorgesteld, die met het hart, dat is, die echt volgens de Geest met Christus geestelijke en verborgen gemeenschap houden, dat het merkteken is van de ware gelovigen. Door de buitenvoorhof moet men zeker verstaan de Christelijke Kerk, naar dat gedeelte, volgens hetwelk het kan worden uitgestoten uit de gemeenschap van Christus en de heiligen. Toen de tempel te Jeruzalem verwoest was door de Babyloniërs en God nochtans aan de Joden met de terugkomst uit de ballingschap hoop wilde geven om een nieuwe tempel te bouwen, vertoont Hij in een gezicht de profeet Ezechiël (40:6) zekere tempel en geeft last, dat die voor het oog van de profeet gemeten wordt als een volmaakt voorschrift van een tempel van God, tevens een voorbeeld van de Kerk, waarin God in de laatste tijden zou wonen in heerlijkheid. Op geen andere wijze is het voorgesteld bij Zacharia (11:1, 2), die insgelijks de stad Jeruzalem heeft zien meten, opdat de Israëlieten daaruit hoop zouden verkrijgen van die te herbouwen. Als wij in deze zin hier het weer opnemen, zo zou op deze plaats verondersteld worden, dat de ware Kerk van Christus die tijd, waarover de profeet handelt, verwoest zou zijn, namelijk onderdrukt door geveinsde en vleselijke mensen; en de ware dienaars van God verborgen en vanwege de grote menigte onheiligen nauwelijks kenbaar, maar dat God door enige van Zijn trouwe dienstknechten, Zijn vrome en ware dienaars van de onheilige en geveinsde zal afscheiden en uit deze als een nieuwe tempel zal bouwen, bestaande uit geestelijke mensen, die echt in de gemeenschap van Christus zijn. De meetroede is buiten twijfel hier Gods woord, de wet en de getuigenis (Jesaja 8:20; 11:2 Johannes 5:38, 39).
Het komt ons voor dat in de woorden aan het einde van Vers 2 gezinspeeld wordt op Daniël 7:24 vv., waar het vertreden van Jeruzalem door Antiochus bepaald was tot een tijd en tijden en een halve tijd. Hierdoor wordt in het algemeen voorgesteld 1) dat, zoals Antiochus een grote macht ontving over de Joden en hun tempel, de antichrist ook een grote macht zal ontvangen over de Kerk; 2) dat zoals het volk van God verhoogd is door hen, zo ook de Kerk door de Antichrist verlaagd zal worden; 3) dat, zoals die wreedheid voor jaren, ja voor dagen bepaald is geweest, zo ook de wreedheid van de antichrist bepaald zal zijn; daarom, dat, zoals Antiochus Jeruzalem, de tempel en de ordonnantiën vertreden heeft, totdat de tijd hun van God gesteld geëindigd was, de antichrist ook gedurende zijn tijd dit doen zal; met dit onderscheid, dat de binnenste voorhof door de antichrist bewaard wordt en ofschoon hij er zeer nabij komt, hij nochtans niet alles zal verwoesten, zoals er in de vervolging van Izebel nog 7000 waren overgebleven.
De heidenen zullen de voorhof niet betreden, maar vijandelijk vertreden (Jesaja 28:3 Daniël 7:7 Lukas 21:4). Zij worden heidenen genoemd met zinspeling op de onbesneden, onreine volken, waaronder worden verstaan allen, die van de gemeenschap van de gelovigen vervreemd zijn, die door goddeloze afgoderij, wreedheid, openbare goddeloosheid en haat voor de Kerk moeilijk zijn. Deze namelijk, die Hoofdstuk 9 voorkomen, de Mohammedanen, maar vooral de Roomse antichrist met zijn dienaren en gevolg, die laatste, ofschoon Christenen in naam, echt heidens zijn. Deze heidenen zouden de Christenen in hun macht hebben en dat zou met de reformatie nog geen einde nemen, maar voortduren niet voor altijd, maar totdat de door God bepaalde tijd verlopen zou zijn, die als lang en als bepaald wordt voorgesteld met toespeling op de tijd, Antiochus Epifanus toegeschreven, of wel van de droogte in de dagen van Elia.
Twee en veertig maanden. Dit is de tijd, waarin de bruid verborgen liggen zou en de valse heerschappij voeren. Maar hoe groot is de duisterheid van dit stuk. En het is geen wonder, dat er zo grote blindheid is in het gemoed van de mens. Daarom, o U, die deze dingen ontvangen bent, om ze Uw dienaren bekend te maken, wees bij mij tegenwoordig, opdat ik, door U geleid, mijn Voeten Op veilige en zekere plaatsen moge zetten.
DE TWEE GETUIGEN, HUN AMBT EN TOESTAND