3. Want de dag is nabij, ja de dag des HEEREN is nabij; een wolkige donkere dag (
Joël 1:15;
2:2), het zal der Heidenen tijd zijn, waarin deze zullen worden gericht (
Jeremia 27:7). Ezechiël ziet in het bijzonder gericht over Egypte een deel van dat algemene gericht, dat over alle anti-theokratische machten komt, zoals vooral Joël heeft geprofeteerd. Hij begint daarom met een woord van dezen Profeet. Wij moeten dus hier denken aan den tijd des gerichts; over de Heidenwereld (vgl.
Jesaja 13:22). "Nadat vroeger het oordeel met het huis Gods was begonnen, worden nu ook de Heidenen in een hunner hoofdvertegenwoordigers geoordeeld. " Hengstenberg, die tot dusverre juist verklaart, beweert daarna verder, dat volgens onze plaats ook het dikwijls verkeerd verstane woord des Heeren in
Lukas 21:24 : "Jeruzalem zal van de Heidenen vertreden worden, totdat de tijden der Heidenen vervuld zullen zijn" in dien zin moet worden verklaard: "totdat de tijd des gerichts over de Heidenen nadert. " Hij schijnt alzo die verklaring met een korte uitspraak te willen afdoen, die den tijd der Heidenen in den zin van
Mattheus 21:43 neemt als aanwijzing van de tijden, in welke het rijk Gods den Heidenen is gegeven. Dit is echter in zijne uitlegging verkeerd, dat hij voor "vervuld zullen zijn" zonder meer een "nadert" inschuift, en wij zien ons gedrongen de zaak nader te beschouwen. De Heidenen (Grieks: ta eynh) zijn in `t spraakgebruik der Heilige Schrift de volken der wereld in hunnen natuurlijken toestand, in welken zij buiten het burgerschap van Israël staan, en vreemdelingen zijn van de verbonden der belofte (
Efeze 2:12). Het maakt wat het algemeen gebruik des woords aangaat geen onderscheid, of zij door den Geest des Evangelies zijn doordrongen of weer in het Heidendom zijn teruggezonken. De ene of andere toestand wordt eerst duidelijk door den zamenhang, waarin de plaats staat; deze wijst dan de bijzondere betekenis aan. (
1 Thessalonicenzen 2:16.
Romeinen 11:13.
Openbaring 1:24;
20:3). Heidenen zijn, om het kortelijk te zeggen, alle niet-Israëlietische volken, de volken der wereld, in onderscheiding van het volk (o laov
Jeremia 30:24 vgl.
Romeinen 15:10. 1 Petr 2:10. 26:17) d. i. van Israël (vgl. Hand 26:17). Deze volken der wereld nu hebben hunnen tijd d. i. a) een hun bepaald toegemetene, in het Goddelijk raadsbesluit ten opzichte van den duur reeds vastgestelde tijd voor hun roeping tot het rijk Gods (
Romeinen 11:25), en voor hun verkiezing om "het volk" te zijn in de plaats van het verstoten Israël (
1 Petrus 2:9 v.), of om volken te zijn in plaats van Heidenen (Ps 117:1 De meervoudige vorm, waarin het woord wordt gebruikt, geeft een langen duur van dien tijd te kennen. Zij hebben echter ook na verloop van dien tijd, wanneer de daarvoor bestemde jaren vervuld zijn, d. i. geëindigd zijn hun tijd, dat zij geoordeeld worden, omdat, zoals God te voren weet, zij tegen het einde van hun genadetijd tot ene Gode vijandige wereldmacht, tot anti-christelijke bestrijders en verdelgers van het rijk Gods worden, hetgeen hun verwerping en vernietiging evenzo teweeg brengt, als eens Israël, omdat het Christus had gedood, moest worden verworpen; en dit gericht over de Heidenen heeft nu evenzo Israëls wederaanneming tengevolge als vroeger de verwerping van Israël de oorzaak is geweest, dat God Zich over de Heidenen ontfermd heeft. Alzo is het zeker ene juiste gedachte, die Hengstenberg uit zijne verklaring van bovengenoemde plaats (
Lukas 21:24) verkrijgt. Wij kunnen hem echter noch in de wijze, waarop hij tot die gedachte komt, noch in de bewering, dat die in de eerste plaats en uitsluitend daarin ligt, toegeven. Steeds wijst het vervuld worden niet voorwaarts op een tijd, die nadert, maar terug op een zodanigen, die ten einde spoedt, om plaats te maken voor dien, die komt. Ook in Gen 25:24 betekenen de woorden "als nu hare dagen vervuld waren om te baren", niet slechts "toen de tijd kwam", maar de dagen, die vervuld werden, zijn die der zwangerschap, met wier einde dan van zelf de tijd om te baren komt-het naderen der laatste is het gevolg van het vervuld worden der eerste. Alzo is in Christus' woord de gedachte niet deze: eerst gaat gedurende een bepaalden tijd het vertreden zijn van Jeruzalem door de Heidenen voert, dan komt de tijd des gerichts van de Heidenen, en nu kan dat vertreden zijn niet ophouden, voordat de tot dezen tijd van gericht door God bepaalde termijn daar is; maar dit wil de Heere zeggen: gedurende den tijd der roeping van de Heidenen tot het rijk van God vindt het vertreden zijn van Jeruzalem plaats, en zo kan het laatste niet ophouden voordat het eerste vervuld is. Daarin ligt den ook eerst de verdere gedachte: evenals nu voor het uitverkoren volk van God een nieuwe tijd van genade komt, nadat zijn straftijd vervuld is, zo komt voor de Heidenen, nadat hun genadetijd ten einde is, de tijd der gerichten. Deze gerichten zijn die, welke in
Openbaring 1:7-
14 en in verderen voortgang
Openbaring 6:12-
21 en
Hoofdstuk 18, 19 worden geschilderd. Zij beginnen voorbereidende reeds in Openb 16:1-11 totdat zij in
Hoofdstuk 11:7, eigenlijk aanvangen.
Het zal een bewolkte dag zijn, die donker en droevig is, zonder enige straal van troost en die een storm zal dreigen. Het zal de tijd der Heidenen zijn, dat is van afrekening met de Heidenen wegens alle hun heidense bedrijven, die tijd, waarvan David sprak, wanneer God Zijne grimmigheid over de Heidenen wilde uitstorten, wanneer zij zouden ondergaan (Psalm 79:6).