Leviticus 16:5-14
De Joodse schrijvers zeggen dat de hogepriester gedurende zeven dagen vóór de verzoendag, zich moest terugtrekken uit zijn huis, om in een kamer van de tempel te wonen teneinde zich daar voor de dienst op die grote dag voor te bereiden. Gedurende deze zeven dagen deed hij het werk van de mindere priesters voor de offers, het reukwerk, enz. teneinde op die dag de nodige vaardigheid te hebben voor het werk, telkens en nogmaals moest hem de inzetting voorgelezen worden, opdat hij volkomen bekend zou zijn met hetgeen hij te doen had.
1. Hij moest de dienst van de dag zeer vroeg beginnen met het gewone morgenoffer, nadat hij eerst, vóór zich te kleden, zijn gehele lichaam had gewassen, en daarna nog zijn handen en voeten. Dan brandde hij het dagelijkse reukwerk, schikte de lampen in orde, en offerde het buitengewone offer, dat voor deze dag verordineerd was, (niet hier, maar in Numeri 29:8) een var, een ram en zeven lammeren, allen ten brandoffer. Dit wordt hij verondersteld gedaan te hebben in zijn hogepriesterlijk gewaad.
2. Nu moest hij zijn kostbare kleding afleggen, zich baden, de linnen kleren aandoen, en zijn eigen var voor de Heere stellen, die hij voor hemzelf en zijn huis ten zondoffer offerde, vers 6. De var werd als offer voor de Heere gesteld met een plechtige belijdenis van zijn zonden, en de zonden van zijn huis, vuriglijk biddende om vergeving er van, en dit moest hij doen met zijn handen op het hoofd van de var.
3. Daarna moest hij het lot werpen over de twee geitenbokken, die beide tezamen tot een zondoffer waren voor de vergadering. Eén van deze bokken moest geslacht worden ten teken van een voldoening aan Gods gerechtigheid voor de zonde, de andere moest weggezonden worden ten teken van de vergeving, of het wegdoen van de zonde door de goedertierenheid Gods. Beiden moeten tezamen voor het aangezicht des Heeren gesteld worden, vers 7, eer het lot over hen was geworpen, en daarna de weggaande bok alleen, vers 10. Sommigen denken dat geitenbokken voor het zondoffer gekozen werden, omdat het aanstotelijke van de zonde door de onaangename reuk van die dieren wordt voorgesteld, anderen denken omdat de demonen, die de heidenen toen aanbaden, hun aanbidders dikwijls in de gedaante van bokken verschenen, en God daarom Zijn volk verplichtte bokken te offeren, opdat zij nooit in verzoeking zouden zijn aan bokken offeranden te brengen.
4. Het volgende, dat gedaan meest worden was de var als zondoffer te offeren voor zich en zijn huis, vers 11. "Nu," zeggen de Joden "moest hij weer zijn handen op het hoofd van de var leggen en de belijdenis van zonde en het gebed om vergeving, die hij tevoren gedaan had, herhalen, en de var met eigen handen slachten, om verzoening te doen, eerst voor zichzelf, (want hoe kon hij verzoening doen voor de zonden van het volk, voordat hijzelf verzoend was?) en voor zijn huis, niet slechts voor zijn eigen gezin, maar voor al de priesters, die het huis van Aäron genoemd worden Psalm 135:19. Deze barmhartigheid moet bij het eigen huis beginnen, hoewel zij er niet moet eindigen. De var geslacht zijnde, liet hij één van de priesters het bloed omroeren, opdat het niet stijf zou worden, en dan:
5. Nam hij een wierookvat met gloeiende kolen (die niet rookten) in de ene hand en een schotel vol lieflijk reukwerk in de andere hand en ging door de voorhang in het heilige der heiligen naar de ark, zette de kolen op de vloer, en strooide er het reukwerk op, zodat de kamer terstond vol werd van rook. De Joden zeggen dat hij er zijdelings moest ingaan, om niet het volle gezicht te hebben op de ark waar de Goddelijke heerlijkheid was, totdat zij met rook was bedekt, dat hij daarna ruggelings uit moest gaan, uit eerbied voor de Goddelijke majesteit, en na een kort gebed moest hij zich dan uit het heiligdom spoeden om zich aan het volk te tonen, opdat zij niet zouden denken, dat hij zich onbehoorlijk had gedragen, en voor het aangezicht des Heeren was gestorven.
6. Dan haalde hij het bloed van de var van de priester, die hij het had laten omroeren en nam dit mee, als hij voor de tweede maal in het heilige der heiligen inging, dat nu vervuld was met de rook van het reukwerk, en met zijn vinger sprengde hij het bloed op, of liever naar het verzoendeksel, eenmaal naar het bovendeel er van en zevenmaal naar het benedeneinde, vers 14. Maar de druppels bloed (zoals de Joden het verklaren) vielen allen op de grond en geen er van raakte het verzoendeksel aan. Dit gedaan hebbende, kwam hij uit het heilige der heiligen, zette de schaal met bloed in het heiligdom, en ging naar buiten.