Mattheus 11:16-24
Plotseling breekt Christus Zijne lofrede op Johannes den Doper en zijne bediening af, en wendt haar aan tot bestraffing van hen, die zijne prediking en die van Christus en Zijne apostelen te vergeefs gehoord hadden. Wat dit geslacht betreft, kunnen wij opmerken, bij wie Hij hen vergelijkt, vers 16-19, en evenzo met welke plaatsen Hij de steden vergelijkt, die Hij opnoemt, vers 20-24.
I. Het geslacht, het lichaam des Joodsen volks uit dien tijd. Er waren voorzeker velen, die het koninkrijk der hemelen binnengingen, maar de grote massa volhardde in hun ongeloof. Johannes was een groot en goed man, maar het geslacht, waaronder hij leefde, was onvruchtbaar en onnut, en zijner onwaardig. Door de slechtheid van de plaatsen, waarin Godvruchtige leraren arbeiden, wordt glans en luister bijgezet aan hun vroomheid, vanwege de tegenstelling, die zij er mede vormen. Het was Noachs lof, dat hij rechtvaardig was in zijne geslachten. Johannes geprezen hebbende, veroordeelt Hij nu hen, die hem in hun midden gehad hebben, maar zich Zijne bediening niet ten nutte gemaakt hebben. Hoe prijzenswaardiger de leraar is, hoe afkeurenswaardiger de gemeente, indien zij hem veronachtzaamt, en aldus zal dit bevonden worden in den dag des oordeels. De Heere Jezus stelt dit voor in ene gelijkenis, maar daarbij spreekt Hij, alsof Hij niet wist welk beeld te gebruiken om dit in het rechte licht te stellen. "Waarbij zal Ik dit geslacht vergelijken?" Er is gene grotere ongerijmdheid denkbaar dan die, waaraan zij zich schuldig maken, die ene goede prediking hebben, maar er niet in het minst beter door worden. Het is moeilijk te zeggen op wie zij gelijken. Het beeld is ontleend aan ene gewoonte onder de Joodse kinderen bij hun spel, die, gelijk dit altijd met kinderen is, de manieren en het doen van volwassenen nabootsten bij huwelijksfeesten en begrafenissen, dus juichten en treurden, maar daar het slechts spel en scherts was, maakte het geen indruk op hen: en zo hebben ook de prediking van Johannes den Doper en van Christus geen indruk gemaakt op dat geslacht. Hij doelt inzonderheid op de schriftgeleerden en Farizeeën, die een trotsen eigenwaan hadden, en daarom vernedert Hij hen door hen te vergelijken bij kinderen, en hun doen en laten bij kinderspel. Om deze gelijkenis te verklaren geven wij de vijf volgende opmerkingen:
1. De God des hemels gebruikt onderscheidene middelen tot bekering en behoudenis der zielen. Hij wil dat alle mensen zalig worden, en daarom laat Hij niets onbeproefd om dit te bewerkstelligen. De grote zaak, die Hij beoogt, is het ombuigen van onzen wil, zodat die aan Zijn wil wordt onderworpen. Hiertoe laat Hij medewerken hetgeen Hij ons van zich zelven ontdekt heeft. Daar wij verschillende neigingen en gezindheden hebben, waarop gewerkt moet worden, gebruikt Hij hiertoe ook verschillende middelen, die, hoewel allen van elkaar onderscheiden, toch allen dezelfde strekking hebben, en God gebruikt ze ook allen tot hetzelfde doel. In de gelijkenis wordt dit genoemd, dat Hij voor ons op de fluit heeft gespeeld, en klaagliederen voor ons heeft gezongen. Hij heeft op de fluit voor ons gespeeld in de dierbare beloften des Evangelies, zo geschikt om te werken op onze hope, en Hij heeft klaagliederen voor ons gezongen in de schrikkelijke bedreigingen der wet, zo geschikt om te werken op onze vreze, ten einde ons tot zich te lokken. Hij heeft voor ons op de fluit gespeeld in de liefelijke en genadige beschikkingen Zijner voorzienigheid, Hij heeft klaagliederen voor haar gezongen in rampen en beproevingen, en de enen heeft Hij gesteld tegenover de anderen. Hij heeft Zijnen dienstknechten geleerd "hun stem te veranderen." Galaten 4:20, soms te spreken in den donder van Sinaï, en soms in het zachte fluisteren, het suizen der zachte stilte van Zion. In de verklaring van de gelijkenis wordt de tweeërlei aard voorgesteld van Johannes' prediking en van Christus' prediking, die de twee grote lichten waren van dat geslacht. Johannes kwam tot hen met klaagliederen, "noch etende, noch drinkende", niet gemeenzaam omgaande met het volk, gewoonlijk niet etende in gezelschap van anderen, maar alleen, in zijne cel in de woestijn, waar zijne spijze was sprinkhanen en wilde honing. Nu zou men denken, dat dit indruk op hen gemaakt zou hebben, want zulk ene strenge levenswijze, zulk ene doding van het vlees, was zeer in overeenstemming met de leer, die hij predikte, en die prediker zal het meeste goed kunnen doen, wiens wandel in overeenstemming is met zijne leer, toch is ook de prediking van zulk een leraar niet altijd voorspoedig. En van den anderen kant: De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende", en aldus heeft Hij voor hen op de fluit gespeeld. Christus heeft gemeenzamen omgang gehad met allerlei soort van mensen, waarbij Hij van gene bijzondere striktheid of strengheid liet blijken, Hij was minzaam, licht toegankelijk, schuwde geen gezelschap, woonde dikwijls feestmaaltijden bij, zowel bij Farizeeën als bij tollenaren, om te beproeven, of dit iets vermocht op hen, die door het terughoudende van Johannes niet gewonnen konden worden. Wie door de strengheid van Johannes niet tot sidderen gebracht konden worden, zouden allicht gelokt en aangetrokken kunnen worden door het vriendelijk minzame van Christus, van wie Paulus geleerd had allen alles te worden, 1 Corinthiërs 9:22. Nu heeft onze Heere Jezus door Zijne vrijheid volstrekt Johannes niet willen veroordelen, evenmin als Johannes Hem veroordeeld heeft, hoewel beider houding zo verschillend was van elkaar. Al zijn wij ook nog zo overtuigd, dat onze manier van doen goed is, moeten wij er anderen toch niet naar beoordelen. Er kan grote verscheidenheid van werkingen zijn, waar het toch dezelfde God is, die alles in allen werkt, 1 Corinthiërs 12:6, en deze verscheidenheid van de openbaring des Geestes is gegeven tot hetgeen oorbaar is, vers 7. Merk inzonderheid op, dat Gods dienstknechten met verschillende gaven bedeeld zijn: de bekwaamheid en de geestesgaven van den een liggen op dit gebied, en die van anderen op een ander gebied. Sommigen zijn Boanerges-zonen des donders, anderen zijn Barnabassen- zonen der vertroosting, doch "deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, 1 Corinthiërs 12:11, en daarom hebben wij geen van beiden te veroordelen, maar voor beiden God te loven, die aldus verschillende middelen beproeft voor mensen van verschillend karakter, opdat de zondaren of er toegebracht worden zich te buigen, of anders zonder verontschuldiging worden gelaten, zodat, hoe ook de uitkomst moge zijn, God verheerlijkt zal worden. De verschillende methodes, die God gebruikt voor de bekering van zondaren, blijven bij velen zonder enige uitwerking: "Gij hebt niet gedanst, en gij hebt niet geweend, het een noch het ander heeft enigen invloed op u uitgeoefend". Bijzondere middelen hebben, gelijk in de geneeskunde, hun bijzonder doel, dat bereikt moet worden. Er zijn bijzondere indrukken, waarvoor men ontvankelijk moet zijn, om het grote en algemene plan te doen slagen. Indien nu de mensen noch gebonden willen zijn door wetten, noch genodigd willen worden door beloften, indien zij niet verschrikt willen worden door bedreigingen, niet wakker geschud willen worden door de grootste zaken, noch gelokt door de liefelijkste zaken, noch opgeschrikt door de vreselijkste dingen, noch overreed door de duidelijkste dingen, indien zij noch naar de stem der Schrift willen horen, noch naar die van het verstand, of der ervaring, of der voorzienigheid, of der consciëntie, of van hun eigen belang, wat meer kan er dan gedaan worden? "De blaasbalg is verbrand, het lood is door het vuur verteerd, te vergeefs heeft de smelter zo vlijtig gesmolten- men noemt ze een verworpen zilver, " Jeremia 6:29, 30. Des leraars arbeid en kracht zijn ijdellijk besteed, Jesaja 49:4, en, wat nog groter verlies is, de genade Gods is vergeefs ontvangen, 2 Corinthiërs 6:1. Als getrouwe leraren zo weinig vrucht zien op hun arbeid, dan is het ene vertroosting voor hen, dat het ook voor de beste predikers en de kostelijkste prediking niets nieuws is het begeerde doel niet te bereiken. "Wie heeft onze prediking geloofd?" Indien "van het bloed der verslagenen, van het vette der helden", de boog van deze grote bevelhebbers, Christus en Johannes, zo dikwijls ledig wederkeerde, 2 Samuël 1:22, dan is het niet te verwonderen, dat ook de onze ledig wederkeert, en dat wij met zo luttele uitwerking tot de dorre doodsbeenderen profeteren. Zij, die van de genademiddelen niet gediend willen wezen, zijn gewoonlijk verdorvene mensen, die kwaad spreken van de leraren, die hun deze genademiddelen willen bedienen, en daar zij zelf er geen goed van ontvangen, doen zij alle mogelijke kwaad aan anderen, door vooroordelen te verwekken en te verspreiden tegen het woord en de getrouwe predikers er van. Zij, die zich niet aan God onderwerpen en Hem niet na wandelen,. stellen zich tegen Hem, en wandelen in tegenheid met Hem. Dat heeft ook dit geslacht gedaan, omdat zij vast besloten waren niet in Christus en Johannes te geloven, hen niet te erkennen-gelijk zij hadden behoren te doen-als de besten der mensen, en daarom hebben zij er zich toe gezet hen te belasteren en hen voor te stellen als de slechtsten der mensen. Van Johannes den Doper zeiden zij: "Hij heeft een duivel". Zij schreven zijne strengheid en terughouding bezetenheid door Satan. "Waarom zouden wij naar hem luisteren, of zijne woorden ter harte nemen? Hij is een naargeestig mens onder de macht van ene zieke verbeelding." De vrijen en vriendelijken omgang van Christus schreven zij toe aan de zondige gewoonte van weelde en een behagen van het vlees. "Ziet daar, een mens, die een vraat en wijnzuiper is." Gene aantijging kon vuiler of hatelijker zijn, het is de beschuldiging, ingebracht tegen den weerspannigen zoon, Deuteronomium 21:20, "Hij is een brasser en zuiper," en gene beschuldiging kon meer vals en onrechtvaardig wezen, want Christus "heeft zich zelven niet behaagd," Romeinen 15:3, noch heeft ooit enig mens zulk een leven van zelfverloochening en minachting van de wereld geleid, als Christus. Hij, die onbesmet was, en afgescheiden van de zondaren, wordt hier voorgesteld als in verbond met hen, en verontreinigd door hen. De meest vlekkeloze onschuld, en de meest ongeëvenaarde voortreffelijkheid, zullen niet altijd ene beschutting wezen tegen de pijlen van den laster, ja iemands kostelijkste gaven en beste daden, welke bedoeld en wel berekend zijn tot stichting, kunnen de stof leveren om hem te smaden en te lasteren. Onze beste daden kunnen tot onze zwaarste beschuldigingen worden gemaakt, zoals bijv. David's vasten, Psalm 69:11. In zekeren zin was het waar, dat Christus "een Vriend was van tollenaren en zondaren", de beste Vriend, dien zij ooit gehad hebben, want Hij is in de wereld gekomen om de zondaren zalig te maken, grote, ja den voornaamste der zondaren, dat heeft hij gezegd, die zelf niet een tollenaar en zondaar geweest is, maar een Farizeeër en zondaar. Maar dit is, en zal tot in eeuwigheid blijven, Christus' lof: en diegenen hebben er de weldaad en het voorrecht van verbeurd, die Hem dit als ene versmaadheid hebben aangerekend. De oorzaak van deze grote verdorvenheid des volks onder de middelen der genade was hierin gelegen, dat zij zijn, als kinderen, eigenzinnig als kinderen, onnadenkend en speelziek als kinderen, indien zij zich slechts als mensen met gezond verstand betonen, er zou nog enige hoop voor hen zijn. De markten, waarop zij zitten, is voor sommigen ene plaats der luiheid of der ledigheid, Hoofdstuk 20:3, voor anderen ene plaats om wereldse zaken te doen, Jakobus 4:13, voor allen was het ene plaats van luidruchtigheid en vermaak, zodat, indien gij vraagt waarom de mensen zo weinig goed erlangen van de middelen der genade, gij zult bevinden, dat het is omdat zij zo traag en beuzelachtig zijn, en er niet van houden zich enigerlei moeite te geven, of wel omdat hoofd, hand en hart gans vervuld zijn van de wereld, waarvan de zorgen "het woord verstikken," en ten laatste hun ziel verstikken, Ezechiël 33:31 Amos 8:5, en zij zich er op toeleggen on hun gedachten af te leiden van alles wat ernstig is. Zo zitten zij dan neer op de markten: in die dingen vindt hun hart rust, en zij besluiten daarbij te blijven. Maar hoewel de middelen der genade door velen, ja door de meesten, aldus geminacht worden, toch is er een overblijfsel dat anders gezind is, mensen die door genade zich die middelen ten nutte maken, en ze dus laten beantwoorden aan hun doel, tot eer van God en tot heil van hun eigene zielen. "Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van hare kinderen." Christus is de Wijsheid, in Hem zijn al de schatten der wijsheid verborgen. De heiligen zijn de kinderen, die God Hem heeft gegeven, Hebreeën 2:13. Het Evangelie is wijsheid, die van Boven is. Ware gelovigen zijn er door wedergeboren en ook van Boven geboren. Zij zijn wijze kinderen, wijs voor zich zelven en hun wezenlijke belangen, niet gelijk de dwaze kinderen, die op de markt zaten. Deze kinderen der wijsheid rechtvaardigen de wijsheid. Zij onderwerpen zich aan de bedoelingen van Christus' genade, beantwoorden er aan: zij openen hun hart voor haren invloed, en stellen aldus de wijsheid van Christus in het licht. Dit wordt nader verklaard in Lukas 7:29. De tollenaars, die met den doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God," en omhelsden het Evangelie van Christus. Het welslagen van de middelen der genade rechtvaardigt de wijsheid van God in de keuze dezer middelen, tegenover hen, die Hem hierin van dwaasheid beschuldigen. De genezing van iedere zieke, die de voorschriften van zijn arts opvolgt, rechtvaardigt de wijsheid van dien arts, en daarom schaamt zich Paulus het Evangelie van Christus niet, want, wat het voor anderen ook moge wezen, voor een iegelijk, die gelooft, is het ene kracht Gods tot zaligheid, Romeinen 1:16. Wanneer het kruis van Christus, dat voor anderen ene dwaasheid of ene ergernis is, aan hen, die geroepen zijn, de kracht Gods en de wijsheid Gods is, 1 Corinthiërs 1:23, 24, zo dat zij de kennis daarvan tot het toppunt van hun eerzucht maken, 1 Corinthiërs 2:2, en de kracht daarvan tot de kroon van hun roem, Galaten 6:14, dan wordt hier de "wijsheid gerechtvaardigd door hare kinderen." De kinderen der wijsheid zijn der wijsheid getuigen in de wereld, Jesaja 43:10, en zij zullen als getuigen voorgebracht worden in dien dag, wanneer de wijsheid, die thans gerechtvaardigd wordt door de heiligen, verheerlijkt zal worden in de heiligen, en wonderbaar zal worden in allen, die geloven, 2 Thessalonicenzen 1:10. Indien het ongeloof van sommigen een smaad is voor Christus, daar zij Hem tot een leugenaar maken, het geloof van anderen zal Hem eren, daar het getuigt, dat Hij waar is, en dat Hij ook wijs is, 1 Corinthiërs 1:25. Hetzij wij het doen of niet, toch zal het geschieden, niet alleen Gods rechtvaardigheid, maar ook Zijne wijsheid zal gerechtvaardigd worden, als Hij spreekt, als Hij oordeelt. Dit nu is het bericht, dat Christus geeft van dat geslacht, en-dit geslacht is niet voorbijgegaan, maar blijft in de opvolging van elkaar gelijke geslachten, want gelijk het toen was, is het sedert altijd gebleven, en is het nu nog, sommigen geloven hetgeen gezegd wordt, maar sommigen geloven niet. Handelingen 28:24.
II. Wat nu de plaatsen betreft, hetgeen Christus in het algemeen had gezegd van dat geslacht, past Hij in het bijzonder toe op deze plaatsen. "Toen begon Hij de steden, in de welke Zijne krachten meest geschied waren, te verwijten," vers 20. Lang te voren is Hij begonnen te prediken, Hoofdstuk 4:17, nu pas is Hij begonnen te verwijten. Scherpe, onaangename woorden moeten niet gebruikt worden, voor men het met zachte en liefelijke beproefd heeft. Christus is niet geneigd te verwijten, Hij geeft mildelijk en verwijt niet, totdat de zondaars door hun weerspannigheid Hem er' als het ware, toe dwingen. De wijsheid nodigt eerst, maar als op hare nodiging geen acht wordt geslagen, dan verwijt zij, Prediker 1:20, 24. Zij volgen Christus' methode niet na, die met verwijtingen beginnen. Letten wij op:
1. De zonde, die hun ten laste wordt gelegd: het is gene zonde tegen de zedelijke wet, maar tegen het Evangelie, en dat is onboetvaardigheid, dit is het dat Hij hun verwijt als het schandelijkste en ondankbaarste, dat men zich denken kan, n.l. dat zij zich niet hebben bekeerd. Moedwillige onboetvaardigheid is de grote, doemwaardige zonde van zeer velen, die onder de prediking des Evangelies leven, en die zonde zal hun-meer dan elke andere in de eeuwigheid worden verweten. De grote leer, die Johannes de Doper, zowel als Christus en de apostelen, gepredikt heeft, was bekering. Het grootste doel, dat beoogd werd bij het spelen op de fluit" en het "zingen van klaagliederen," was het volk er toe te brengen hun hart en hun gezindheid te veranderen, hun zonden na te laten en zich tot God te bekeren, en hiertoe wilden zij zich niet laten bewegen. Hij zegt niet, omdat zij niet geloofden -want velen hunner hadden wel een soort van geloof-dat Christus een Leraar was van God gekomen, maar omdat zij zich niet bekeerd hadden, hun geloof bracht er hen niet toe om hun hart en hun leven te veranderen. Christus bestrafte hen wegens hun andere zonden, teneinde hen tot bekering te brengen: maar toen zij zich niet bekeerden, verweet Hij het hun, opdat zij het zich zelven zouden verwijten, en er ten laatste de dwaasheid van zouden inzien, daar dit het was, waardoor hun treurige toestand zo volstrekt hopeloos, en hun wonde ongeneeslijk was geworden.
2. Het verzwarende van hun zonde. Het waren de steden, in dewelke Zijne krachten meest geschied waren, daar Hij gedurende enigen tijd voornamelijk in die steden verblijf heeft gehouden. Sommige plaatsen zijn meer bevoorrecht met de middelen der genade dan andere. God is vrijmachtig, en in Zijne beschikkingen handelt Hij als de God der natuur en de God der genade, en deelt aan zijne schepselen algemene genade mede en ook bijzondere genade. Door Christus' grote en krachtige werken te zien, hadden zij er toe gebracht moeten worden, niet slechts om Zijne leer aan te nemen, maar ook Zijne wet te gehoorzamen. De genezing van lichaamskwalen had de genezing hunner zielen ten gevolge moeten hebben, maar zij had die uitwerking niet. Hoe sterker en dringender de reden zijn, die ons tot bekering moeten brengen, hoe snoder de onboetvaardigheid is, en hoe strenger de rekenschap, die van ons geëist zal worden, want God houdt rekening met de grote werken, die onder ons geschied zijn, alsmede van de genaderijke werken die aan ons en voor ons gedaan zijn, en door welke wij ook tot bekering geleid hadden moeten worden, Romeinen 2:4. Chorazin en Bethsaïda worden genoemd, vers. 21, 22, zij hebben ieder hun "wee!" Wee u, Chorazin! wee u, Bethsaïda! Christus is in de wereld gekomen om ons te zegenen, maar indien deze zegen geminacht wordt, dan heeft Hij Zijn "Wee u!" en Zijn "Wee u" is schrikkelijk. Die twee steden waren gelegen aan de Zee van Galilea, de eerste aan den Oostelijken oever, de laatste aan de Westzijde. Het waren welvarende en volkrijke plaatsen. Bethsaïda was onlangs door Filippus, den viervorst, tot stad verheven, en vandaar had Christus ten minste drie van Zijne apostelen genomen. Zo hoog waren deze plaatsen bevoorrecht! Omdat zij echter "den tijd harer bezoeking niet bekend hebben," vielen zij onder dit "Wee u!" dat haar zo bleef aankleven, dat zij spoedig daarna gingen kwijnen, en tot onbeduidende dorpjes zijn geslonken. Op zo ontzettende wijze is de zonde het verderf der steden, en zo gewis wordt het woord van Christus vervuld! Nu worden Chorazin en Bethsaïda hier vergeleken bij Tyrus en Sidon, twee zeesteden, waarvan wij veel lezen in het Oude Testament, en die tot verval gekomen zijn, maar toen weer begonnen op te bloeien. Die steden grensden aan Galilea, maar stonden in zeer slechten reuk onder de Joden vanwege afgoderij en andere goddeloosheid. Christus is somwijlen naar de delen van Tyrus en Sidon heengegaan, Hoofdstuk 15:21, maar nooit in die steden zelven gekomen. De Joden zouden zich ten uiterste geërgerd hebben, indien Hij dit wèl gedaan had. Om hen nu te overtuigen en te verootmoedigen toont Hij hier aan: Dat Tyrus en Sidon niet zo slecht zouden geweest zijn als Chorazin en Bethsaïda. Indien hun hetzelfde woord gepredikt was geworden, en dezelfde wonderen onder hen geschied waren, zij zouden zich bekeerd hebben, en dat wel reeds voorlang, gelijk Ninevé, in zak en as. Christus, die het hart van allen kent, wist, dat, indien Hij onder hen was gaan wonen, en voor hen had gepredikt, Hij meer goed tot stand zou gebracht hebben dan hier. Toch bleef Hij nog enigen tijd waar Hij was, om ook Zijne dienstknechten aan te moedigen dit te doen, al zien zij ook niet de vrucht op hun arbeid, die zij begeren Onder de kinderen der ongehoorzaamheid zijn er sommigen, op wie gemakkelijker invloed ten goede wordt geoefend dan op anderen, en het is ene grote verzwaring van de onboetvaardigheid van hen, die zo overvloedig van de middelen der genade gebruik kunnen maken, niet slechts, dat er velen zijn, wier hart door diezelfde genademiddelen wel getroffen wordt, maar dat er nog wel meer zijn, die er door bewerkt zouden zijn geworden tot bekering, indien zij diezelfde genademiddelen onder hun bereik hadden gehad. Zie Ezechiël 3:6, 7. Onze bekering gaat langzaam, wij verschuiven haar, stellen haar uit, hun bekering zou snel hebben plaats gehad, zij zouden zich reeds voorlang bekeerd hebben.
Onze bekering was onbeduidend en oppervlakkig, de hun zou diep en ernstig geweest zijn, zij zouden zich bekeerd hebben in zak en as. Toch moeten wij opmerken met eerbiedige aanbidding van de Goddelijke vrijmacht, dat de Tyriërs en de Sidoniërs rechtvaardiglijk in hun zonden zullen omkomen, alhoewel zij, indien zij de genademiddelen hadden gehad, zich bekeerd zouden hebben, want God is niemands schuldenaar. Dat daarom Tyrus en Sidon niet zo rampzalig zullen zijn als Chorazin en Bethsaïda, want het zal hun verdraaglijker zijn in den dag des oordeels, vers 22. Op den dag des oordeels zal de eeuwige toestand van de kinderen der mensen door een onfeilbaar en onveranderlijk vonnis vastgesteld worden, zaligheid of rampzaligheid, elk in hare verschillende trappen. Daarom wordt het ook het eeuwig oordeel genoemd, Hebreeën 6:2, wijl het beslissend is omtrent den eeuwigen staat of toestand. In dat oordeel zullen de middelen der genade, die ons geschonken waren, gewis in rekening worden gebracht, en er zal onderzocht worden, niet alleen hoe slecht wij zijn geweest, maar hoe goed wij hadden kunnen zijn, Jesaja 5:34. Hoewel de verdoemenis van allen, die omkomen, ondraaglijk zijn zal, zal toch de verdoemenis van hen, die de volledigste en helderste openbaring gehad hebben van de macht en genade. van Christus, en zich evenwel niet bekeerd hebben, de ondraaglijkste zijn van allen. Het licht en het geklank des Evangelies openen en verruimen de vermogens van allen, die het zien en horen, hetzij om de schatten der Goddelijke genade te ontvangen, of (indien deze genade versmaad wordt) des te overvloediger den Goddelijken toorn in zich op te nemen. Indien zelfverwijt de pijniging der hel is, dan moet zij in waarheid wel ene hel zijn voor hen, die zo goede gelegenheid hebben gehad om naar den hemel te gaan. "Kind' gedenk dit!" Met groten nadruk wordt hier Kapernaum veroordeeld, vers 23. "En gij, Kapernaum, houd uwe hand op, en hoor uw vonnis." Meer dan al de andere steden Israël's was Kapernaum verwaardigd met Christus' verblijf binnen hare muren. Het was, gelijk Silo van ouds, de plaats, die Hij verkoren heeft, om er Zijn naam te doen wonen, en het is er ook als Silo mede gegaan, Jeremia 7:12, 14. Christus' wonderen waren hier het dagelijks brood, en daarom werden zij, evenals het manna van ouds, geminacht en "licht brood" genoemd. Menig liefelijk en troostrijk woord van genade heeft Christus te vergeefs tot hen gesproken, en daarom moeten zij thans een woord van schrikkelijken toorn van Hem horen. Die naar het eerste niet willen luisteren, zullen het laatste hebben te gevoelen en te ondervinden. Wij hebben hier Kapernaüms oordeel:
1. In volstrekten zin: "Gij, die tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe neergestoten worden." Zij, die van ene krachtige en zuivere Evangelieprediking kunnen genieten, zijn hierdoor "tot den hemel toe verhoogd." Hierin hebben zij ene grote eer voor het tegenwoordige, en een groot voordeel voor de eeuwigheid. Zij zijn opgeheven naar den hemel, doch indien zij, in weerwil hiervan, toch blijven kleven aan de aarde, dan hebben zij het zich zelven te danken, dat zij niet in den hemel zijn opgeheven. Evangelievoorrechten, die versmaad werden, doen de zondaars zoveel te dieper neerzinken in de hel. Het is er zo ver vandaan, dat onze uitwendige voorrechten ons zullen behouden, dat zij, indien ons hart en ons leven er niet mede in overeenstemming zijn, de rekening nog zullen verzwaren. Hoe hoger de steilte, hoe noodlottiger de val er van is. Zo laat ons dan niet hoog gevoelende zijn, maar vrezen, niet traag zijn, maar ons benaarstigen. Zie Job 20:6, 7. 2. In vergelijking met het oordeel over Sodom, -ene plaats, meer merkwaardig, beide om hare zonde en haar verderf, dan wellicht enige andere plaats, en toch zegt Christus ons hier: Ten eerste. Dat Kapernaüms genademiddelen Sodom zouden behouden hebben. Indien deze wonderen onder de inwoners van Sodom geschied waren, hoe slecht zij ook waren, zij zouden zich bekeerd hebben, en hun stad zou tot op den huidigen dag gebleven zijn, als een gedenkteken van sparende genade gelijk zij het nu is van verdervende gerechtigheid, Judas 7. Ook de grootste zonde zal op waar berouw en oprechte bekering door Christus worden vergeven, en het grootste verderf worden afgewend, dat van Sodom niet uitgezonderd. Engelen zijn naar Sodom gezonden, en toch is het niet blijven bestaan, maar indien Christus ware gezonden, het zou gebleven zijn. Hoe goed is het dus voor ons, dat de toekomende wereld aan Christus is onderworpen, en niet aan de engelen! Hebreeën 2:5. Lot zou in hun ogen niet "als jokkende, zijn geweest, indien hij wonderen had verricht. Ten tweede, dat daarom in den groten dag Sodoms verderf minder zal zijn dan dat van Kapernaum. Sodom zal heel veel te verantwoorden hebben, maar niet de zonde van Christus te hebben veronachtzaamd, zoals Kapernaum. Indien het Evangelie ene reuke des doods blijkt te zijn, dan zal het dit wezen in dubbelen zin, "ene reuke des doods ten dode," zo groot is die dood, 2 Corinthiërs 2:16. Christus had hetzelfde van alle andere plaatsen gezegd, die Zijne dienstknechten niet ontvangen en Zijn Evangelie niet aannemen, Hoofdstuk 10:15 "Het zal den lande van Sodom verdraaglijker zijn dan die stad." Wij, die thans het geschreven woord in handen hebben, de prediking des Evangelies kunnen horen, wij, aan wie de genademiddelen worden bediend, en die leven onder de bedeling des Geestes, hebben voorrechten, die niet achterstaan bij die van Chorazin en Bethsaïda en Kapernaum, en daarvan zullen wij in den groten dag rekenschap hebben af te leggen. Het is daarom met recht gezegd, dat de belijders van onzen tijd, hetzij zij naar den hemel gaan of naar de hel, in elk dier plaatsen de grootste schuldenaars zullen zijn, indien naar den hemel, dan zijn zij de grootste schuldenaars aan de Goddelijke genade wegens de heerlijke, kostelijke middelen, die hen dáár gebracht hebben, indien naar de hel, dan zijn zij de grootste schuldenaars aan de Goddelijke gerechtigheid vanwege die zelfde middelen, welke hen van daar hadden kunnen weren.