13. Verwondert u niet, mijn broeders, alsof u iets vreemds overkwam (
1 Petrus 4:12), als de wereld u haat, zoals dat in vele gevallen en zo ook in deze tijd van de vervolging van de Christenen onder Nero op zeer eigenwijze plaats heeft. Meen niet, dat het anders moest zijn, dat de wereld u integendeel moest liefhebben, dat kan zij, die de Kaïnsaard in zich omdraagt, toch geenszins (
Johannes 15:19;
17:14).
En die wereld leeft en ademt nog en is nog wereld. Zij is overal; zij volgt niet maar de Joden in de verstrooiing; ook heeft zij zich laten dopen en is (het was voorzegd) het heiligdom van de Christelijke kerk binnen gedrongen. De Christelijke maatschappij bestaat niet enkel uit kinderen van God, niet enkel uit hen, die de rechtvaardigheid doen en de broeder liefhebben. De Kaïnsdaad moge zeldzaam zijn; de Kaïnshaat is algemener dan men denkt. Want het Kaïnshart is zeer algemeen. Dat hart namelijk, dat zich ergert aan een grotere, reinere, innigere godvruchtigheid dan het zelf bezit en deze zijn ergernis op allerlei wijze aan de godvruchtige broeder doet voelen. Ondervindt u het: verwonder u niet! Beklaag u ook niet! Verblijd u veeleer, maar zonder hoogmoed. Onderzoek of het echt is om uw godsvrucht, om uw geloof, omwille van uw Heiland en herinner u dan Zijn woord: Zalig bent u, als u de mensen smaden, vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken om Mijntwil. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen. Want zo hebben zij vervolgd de profeten, die vóór u geweest zijn. Of heeft het tegendeel plaats? Kent u uw hart niet, vrij van die openlijke of heimelijke afkeer van zulke Christenen, van wie u toch eigenlijk de overtuiging heeft dat zij godvruchtiger, dat zij ernstiger, dat zij geloviger zijn dan u. En bent u daarom maar al te gereed, als niet om deze te vervolgen en te smaden, dan toch om graag het kwaad van hen te geloven, hen te verdenken, hen met duizend ogen te bespieden en met een gans anderen en veel strenger maatstaf te meten, dan die u voor uzelf en uw gelijken gebruikt? O, erken nog tijdig de verborgen Kaïn in uw gemoed; de Kaïn, die uit de Boze was en zijn broeder doodsloeg. En om welke oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig. U, o mens, heeft nog niet doodgeslagen; u heeft nog niet vervolgd; u heeft de mate van onverdiende smaad over vrome, onschuldige hoofden uitgestort, nog niet vermeerderd; nauwelijks wilt u haat genoemd hebben, dat gevoel van tegenzin, dat u tegen die rechtvaardigen bezielt, waartegen u toch metterdaad niets hebben kunt dan hun vroomheid alleen. Maar is het liefde? Is dit uit God? Of staat dit ongelukkig vooroordeel maar al te zeer met uw boze werken, met uw lichtzinnig leven, met uw godsdienst zonder godsdienstigheid, met uw belijdenis zonder geloof in verband? Vraag, vraag uzelf af, of u deze al te godvruchtige godvruchtigen, deze al te Christelijke Christenen, die u niet ongemoeid, of althans niet zonder ergernis hun weg kunt laten bewandelen, niet met vrede zou kunnen laten, niet zou kunnen beminnen, als zij wat minder godvruchtig, wat minder Christelijk waren? En sidder voor de toestand van uw ziele, als u uzelf in oprechtheid de belijdenis schuldig bent, dat u hen haat om Gods, haat om Christus wil! En dat terwijl u zich naar Christus noemt; terwijl u een in Zijn naam gedoopt voorhoofd opheft; terwijl u in de gemeente Hem het offer van uw verering toebrengt. Hij neemt het niet aan.