12. Zij, de rechters en raadgevers hebben ondanks het verbod (
Exodus 23:8) geschenken in u genomen, om bloed te vergieten: woeker en overwinst hebt gij genomen tegen Mijnen uitdrukkelijken wil (
Leviticus 25:37), en gij hebt gierigheid gepleegd aan uwen naaste door verdrukking; maar gij hebt Mijner vergeten (Deuteronomium (6:12; 8:11; 14:19; 32:18), spreekt de Heere HEERE.
Hier wordt ene menigte van zonden van allerlei aard opgeteld, welke in Jeruzalem zich bevonden. De Profeet heeft daarbij voornamelijk Leviticus 18-20 voor ogen, dat hier tot toepassing bijzonder geschikt was, daar in tegenstelling tot de zonden van heidense volken, dat gedeelte der wet aan Israël als het afgezonderde verbondsvolk, van welks Levietische reinheid vroeger uitvoerig was gehandeld, tot ene met deze overeenkomstige inwendige, zedelijke reinheid en ene reeks van voorschriften oproept. Schilderachtig stelt de profeet het wilde door elkaar gaan, het verwarde zoeken der zonde naar alle richtingen voor; waar het oog zich richt, ontdekt het ruwe uitingen van het kwaad. De rede loopt steeds uit op het refrein (Vers 6, 9, 12) "bloed vergieten" gelijk te voren (Vers 2) Jeruzalem voor ene bloedstad was verklaard, en deze gedachte daarom voornamelijk de ziel van den Profeet vervult. Hij ziet overal doodzonde, bloedschuld, dus de ergste schuld, die zich onmogelijk aan den arm van Gods gerechtigheid kan onttrekken. Alzo verbindt de Profeet in de drie dus ontstane hoofddelen Vers 6-8, 9-11, 12 steeds de zonden tegen den naaste met die tegen God, wier nauwe zamenhang ook in de 5 Boeken van Mozes zeer beslist op den voorgrond wordt verklaard, en waarop reeds Vers 4 gewezen heeft, waarvan de gedachte hier verder wordt uitgebreid. Zo ontstaat de volgende schone zamenhang der rede: a) Vers 6-8. Schildering van het geweld van den overmoed tegen den naaste. De macht wordt tot daad des gewelds, tot omkering der Goddelijke orde gebezigd; van de vorsten ziet een iegelijk niet op de gerechtigheid, maar alleen op het fysische overwicht, dat hij bezit, en verkeert het recht in onrecht; de kinderen staan op tegen de ouders, de hulpeloze is beroofd van de bescherming, die hij behoeft, en aan den willekeur des overmoeds overgegeven. Waar de overmoed tegenover mensen zich zo laat gevoelen, treedt die ook tegenover God op; men veracht het heilige, ontheiligt de Sabbatten des Heeren. b) Vers 9-11. Benevens den overmoed is de laster heersende, d. i. de ontbering der waarheid ten opzichte van den naaste in leugen. Daarmee gaat hand in hand de verdringing der waarheid omtrent God; de ware, zuivere godsdienst moet voor de leugen van den afgodendienst wijken, die dan haar ganse leger van gruwelen medevoert, want de in Vers 10, genoemde zonden van ontucht, de zonden tegen de wet, zijn eigenlijk het gevolg van den natuurdienst, en zijn als zodanige ook bij Mozes (Leviticus 18:17) aangewezen. c) Vers 12. Eindelijk heerst de hebzucht, omkoperij en woeker van allerlei aard en afpersing. Hier is het beginsel van zelfzucht zo op den voorgrond, dat aan God niet meer wordt gedacht, daarom het krachtige slot: "gij hebt Mijner vergeten, " Hebzucht en vergeten van God zijn nauw verbonden.
De Profeet heeft er behagen in, de zonden tegen de beide tafelen door elkaar te vlechten, en inderdaad komen zij uit ééne bron voort; het onderscheid tussen godsdienst en zedenleer is ene fictie, die met de ervaring strijdt-wie zijnen God niet getrouw is, die kan ook zijnen naaste niet liefhebben.
Terwijl bij de optelling der in zwang zijnde zonden vooreerst van geweld sprake is, wordt op het voorbeeld der vorsten als met den vinger gewezen als op iets dat voor `t oog ligt: "ziet. " Met de verkeerdheid van boven komt dan overeen de gehoorzaamheid der kinderen aan de ouders, die geheel verloren is gegaan, en zo als nu de vorsten handelen met het volk, zo deed men onder het volk met degenen, die integendeel aanspraak mochten maken op bescherming, met vreemdelingen, weduwen en wezen.
Het familieleven ten opzichte van de verhouding van kinderen jegens hun oudere, de achting voor den openbaren godsdienst, wat in dit opzicht gewoonte onder het volk is, de toestand van de betrekking der verschillende geslachten, de openbare ontucht, de echtbreuk, het oordeel in de maatschappij daarover, de gedulde, erkende, gewone vormen voor dit alles, omkoping en woeker, overmoed des rijkdoms en verdrukking der minderen, enz. zijn de donderkoppen, die het naderen van `t onweder over volken en gehele leeftijden aankondigen.