15. Nochtans heeft Mijn volk Mij a) vergeten, de springader des levenden waters (
Jeremia 2:13). Zij roken der ijdelheid, die nietige afgoden; want zij hebben hen doen aanstoten op hun wegen, zij hebben anderen misleid en doen struikelen door hun leer en door hun voorbeeld; zij hebben hen doen vallen op b) de oudewelbedroefde paden van `s Heeren dienst, zodat zij die hebben verlaten. Zij hebben de menigte verleid, opdat zij mogen wandelen in stegen van enen weg, die niet opgehoogd is, in de sporen van een ongebaanden weg, waarvan men vooraf kon weten waarheen zij ten laatste voeren (
Spreuken 12:28).
a) Jeremia 2:32; 3:21; 13:25. b) Jeremia 6:16.
De aanbidding van de afgoden had de Joden afgeleid van het wandelen op den ouden gebaanden weg, die duidelijk was afgebakend in de wet van Mozes en in de voorbeelden in vorige tijden, en hen daarentegen gebracht op wegen, die zouden uitlopen op hun volkomen verderf.