Ezechiël 7:23-27
Hier wordt,
I. De gevangene voor zijn rechters gebracht. Maak een keten, om de schuldige voor de balie te slepen en voor de rechterstoel van de goddelijke gerechtigheid te plaatsen. Laat hem kluisteren als een beruchter misdadiger en vastbinden om zijn vonnis te vernemen. "Zie, zij die de band van Gods wet verbreken en Zijn touwen van zich werpen, zullen gebonden worden door de ketenen van Zijn oordelen, die zij niet kunnen breken noch van zich werpen". De keten betekent het beleg van Jeruzalem, of de slavernij dergenen, die in ballingschap weggevoerd werden, of dat ze aan het rechtvaardig oordeel Gods werden overgeleverd, gebonden in ketenen.
II. De aanklacht tegen de gevangene: Het land is vol van bloedgerichten, vol schuld over het bloed, dat onder de schijn van recht en bescherming van de wet, met de plechtigheid van een rechtspraak, was vergoten. Met het onschuldig bloed, dat Manasse had vergoten, waarschijnlijk door deze bloedgerichten, was de maat van Jeruzalems zonden volmeten, 2 Koningen 24:4. Of, het is vol van zulke misdaden als waarop bij de wet de doodstraf stond, bloedgerichten. Afgoderij, lastering, toverij, Sodoms-zonde enz. waren doodzonden, waarop de doodstraf stond. Daarom, toen die zonden volkszonden waren geworden, was er geen helpen meer aan, de gehele natie moest afgesneden worden. Zie, bloedschulden worden gestraft met bloedige oordelen. "De stad, de stad Davids, de heilige stad, die een voorbeeld van rechtvaardigheid en haar beschermer moest geweest zijn, en elke overtreding gestraft hebben, is nu vol geweld, de heersers van de stad met hun groter macht en hoger naam, waren erger dan de eersten. Dat was diep treurig! Hoe is de getrouwe stad een hoer geworden!"
III. Het oordeel, over de schuldig bevondenen uitgesproken. God wil met hen richten, niet alleen omdat ze Zijn heiligdom ontheiligd hadden, maar ook omdat ze het recht onder mensen hadden verkeerd, "want gelijk de heiligheid Zijn huize sierlijk was, zo heeft de rechtvaardige God de rechtvaardigheid lief en wreekt Hij de onrechtvaardigheid". Het uitgesproken oordeel behelst,
1. Dat, omdat zij in de weg van de heidenen gewandeld hebben en erger gedaan dan die, God de kwaadste van de heidenen zal doen komen om hun stad te verwoesten, de wreedste en barbaarste, met het minste medelijden en de grootste haat tegen de Joden. Zie, de heidenen zijn niet allen gelijk, God kiest soms de ergste uit tot een gesel voor Zijn eigen volk, omdat hij hen voor het vuur bestemt, wanneer het werk gedaan is.
2. Dat, omdat ze hun huizen met onrechtvaardig verkregen goed gevuld hadden en hun macht en rijkdom tot onderdrukking van de zwakken misbruikten, God hun huizen en al hun meubelen geven zou in de hand van vreemden om ze te bezitten en te genieten. Hij zal de hoogmoed van de sterken doen ophouden, zodat de groten niet langer met hun praal de ogen van de zwakken verblinden noch met hun macht langer onrecht voor recht laten gelden.
3. Dat, omdat zij de heilige plaatsen met hun afgoderij hadden ontheiligd, God hen ontheiligen zou met Zijn oordelen, immers hadden zij de beelden van andere goden in de tempel gezet. God zou van hen de tekenen van Zijn tegenwoordigheid wegnemen. Wanneer de heilige plaatsen door haar God verlaten worden, zullen zij spoedig door haar vijanden ontheiligd worden. 4. Daar zij de ene zonde op de andere gestapeld hadden, zou God het een oordeel op het andere stapelen. De ondergang komt, vers 25, ellende zal op ellende komen om hen te verderven, en gerucht op gerucht zal hen verschrikken, gelijk de golven in een storm, de ene over de andere. Zie, de zondaren, die voor het verderf aangewezen zijn, zullen er heen worden gedreven, want "God zal overwinnen wanneer Hij oordeelt," Amos 3:4.
5. Omdat zij Gods verwachtingen omtrent hen hadden teleurgesteld, zou Hij hun verwachtingen omtrent Hem teleurstellen, want,
a. Zij zullen niet verlost worden uit hun ellende, gelijk zij verwachten. Zij zullen de vrede zoeken, zij zullen die begeren en er om bidden, er op hopen en die verwachten, maar hij zal er niet zijn. Zowel hun pogingen om hun vijand zachter te stemmen als om hem te overwinnen, zullen vergeefs zijn, en hun ellende zal erger en erger worden.
b. Zij zullen geen terechtwijzing hebben in de naderende ellende, vers 26. Zij zullen het gezicht van een profeet zoeken, zullen begeren, dat hun tot steun het uitzicht op een gelukkig einde verzekerd worde. Zij begeerden geen gericht om hen van hun zonde af te manen of voor het gevaar te waarschuwen, maar alleen om verlossing te beloven. Zulke tijdingen wensten zij te vernemen. Maar de wet zal vergaan van de priester, hij zal noch woorden van raad noch troostredenen voor hen hebben. Zij wilden niet horen wat God te zeggen had, toen Hij hen van zonde wilde overtuigen, en nu heeft Hij niets te zeggen tot bemoediging. "De raad zal vergaan van de oudsten, " de oudsten des volks, die hun raad zouden geven in deze moeilijke tijdsomstandigheden, zullen verlegen staan en ten einde raad wezen. Het staat slecht met een volk, als degenen, die het raden moeten, tot zichzelf niet inkeren, niet samen raadplegen en dat ook geen raad geven kunnen.
6. Daar zij elkaar tot zonde hadden aangezet en aangemoedigd, zou God hen ontmoedigen en krachteloos maken, zodat zij onmachtig werden om Gods oordelen te dragen, die over hen kwamen. Allen, hoog en laag, zouden bezwijken en gemeenschappelijk onder de last neerliggen, vers 27. De koning, die hun moed moest inspreken, zal rouw bedrijven, en de vorsten, die hen zouden aanvoeren tegen de vijand, zullen met verwoesting bekleed zijn. Hoofd en hart zal falen, hun staatkunde en hun moed en dus geen wonder, dat de handen van het volk des lands beroerd zullen zijn. Geen van de mannen, die voor hen strijden zouden, zal kracht behouden. Wat kunnen mensen voor zichzelf bedenken of doen, wanneer God hen verlaten heeft en Zich tegen hen keert? Alles moet noodzakelijk treuren en zuchten, wanneer God komt om hen naar hun verdienste te oordelen, en hun, tot hun nadeel, doet verstaan dat Hij de Heere is, Wien de wraak toekomt.