Psalm 7:11-18
In het eerste gedeelte van de psalm heeft David door het gebed zijn beroep ingesteld op God, en een plechtige betuiging gedaan van zijn oprechtheid. in het laatste gedeelte ontvangt hij als het ware reeds door het geloof in het woord van God de uitspraak, en daaraan ontleent hij de verzekerdheid van het geluk en de veiligheid van de rechtvaardigen en het wisse verderf van de goddelozen, die onboetvaardig blijven.
I. David vertrouwt dat hij God zijn machtige beschermer en verlosser zal bevinden, en de beschermer van alle verdrukte onschuld vers 11. "Mijn schild is bij God. Niet alleen God is mijn verdediger, en aldus zal ik Hem bevinden, maar verdediging en beveiliging verwacht ik van niemand anders, mijn hoop op beschutting in een tijd van gevaar is op God alleen, als ik bescherming nodig heb dan moet zij van God wezen." Mijn schild is op God, zo lezen het sommigen, er is in God datgene, hetwelk een verzekering van bescherming geeft aan allen die Hem toebehoren. Zijn naam is een sterke toren, Spreuken 18:10.- David bouwt dit vertrouwen op twee zaken.
1. Op de bijzondere gunst, die God heeft voor allen, die oprecht zijn. Hij behoudt de oprechten van hart, behoudt hen met een eeuwigdurende behoudenis, en daarom zal Hij hen bewaren tot Zijn eeuwig koninkrijk, Hij verlost hen uit hun tegenwoordige benauwdheden, inzover het goed voor hen is, hun oprechtheid zal hen bewaren. De oprechten van hart zijn veilig onder de Goddelijke bescherming.
2. Gods algemeen achthebben op de rechtvaardigheid en billijkheid, God is een rechtvaardig rechter, die niet alleen zelf gerechtigheid doet, maar er zorg voor zal dragen dat door de kinderen van de mensen gerechtigheid gedaan wordt, en alle onrechtvaardigheid zal wreken en straffen.
II. Niet minder is hij overtuigd van de val en het verderf van al zijn goddeloze vervolgers, van zovelen hunner namelijk als zich niet willen bekeren en aan God de eer geven. Hij spreekt hier hun oordeel uit, zo mogelijk tot hun welzijn, doordat zij aflaten van hun vijandschap, of in elk geval tot zijn eigen vertroosting, doordat hij niet bevreesd voor hen is, noch verdriet hebbe omdat zij voor een wijle voorspoedig zijn en welslagen. Hij gaat in tot Gods heiligdom, en daar verstaat hij:
1. Dat zij kinderen des toorns zijn, zij zijn niet te benijden, want Gods is vertoornd op hen: te allen dage toornt Hij tegen de goddelozen. Alle dagen doen zij wat Hem mishaagt en tot toorn verwekt, en zij "vergaderen zich toorn als een schat in de dag des toorns." Gelijk Zijn goedertierenheden iedere morgen nieuw zijn over Zijn volk, zo is iedere morgen Zijn toorn nieuw tegen de goddelozen, daar zij die door hun nieuwe overtredingen gaande maken. God is toornig op de goddelozen zelfs in de dagen van hun grootste vrolijkheid en voorspoed zelfs in de dagen van hun vroomheid, want als hun toegelaten wordt voorspoedig te zijn, dan is het in toorn, als zij bidden, zijn hun gebeden Gode een gruwel. De toorn Gods blijft op hen, Johannes 3:36, en er wordt nog voortdurend aan toegevoegd.
2. Dat zij kinderen des doods zijn, zoals alle kinderen des toorns het zijn, zonen van de verderfenis, getekend voor het verderf. Zie hun verderf: A. God zal hen verdoen. De verwoesting waarvoor zij bewaard worden, is een verwoesting van de Almachtige, die voor ieder van onze een verschrikking moet wezen, want zij komt van de toorn Gods, vers 14, 15. Hier wordt te kennen gegeven:
a. Dat het verderf van de zondaars voorkomen kan worden door hun bekering want het wordt bedreigd met dit voorbehoud. indien hij zich niet bekeert van zijn boze weg, indien hij zijn vijandschap jegens het volk van God niet opgeeft, zo laat hem dan zijn verderf verwachten, maar indien hij zich bekeert dan volgt hieruit dat zijn zonden vergeven zullen worden, en dan zal alles wel wezen. Aldus worden zelfs de bedreigingen des toorns ingeleid met een genaderijke aanduiding van genade, genoeg om God voor altijd te rechtvaardigen in het verderf van hen, die omkomen, zij hadden zich kunnen bekeren en leven, maar zij verkozen voort te gaan in hun zonde en te sterven, en daarom is hun bloed op hun hoofd.
b. Dat, zo het niet voorkomen wordt door de bekering van de zondaar, het door de gerechtigheid Gods voor hem bereid zal worden. In het algemeen, vers 14, Hij heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt, wapenen voor de dood die de bezolding is van de zonde. Als God wil doden, dan zal het Hem aan geen werktuigen des doods ontbreken voor enig schepsel, zelfs het geringste en zwakste kan Hij, als het Hem behaagt, daarvoor gebruiken.
Ten eerste. Hier is een verscheidenheid van wapenen, die alle dood en verderf dreigen. Hier is een zwaard, dat wondt en doodt van nabij, een boog en pijlen, die wonden en doden op een afstand hen, die wanen buiten het bereik te geraken van Gods wrekende gerechtigheid. Indien de zondaar "van de ijzeren wapenen is gevloden, de stalen boog zal hem doorschieten", Job 20:24.
Ten tweede. Van deze dodelijke wapenen wordt gezegd, dat zij allen gereed gemaakt zijn. God behoeft er niet naar te zoeken, Hij heeft ze altijd gereed bij de hand, gerichten zijn voor de spotters bereid, Tofeth is van gisteren bereid.
Ten derde. Terwijl God Zijn dodelijke wapenen gereed maakt, waarschuwt Hij de zondaars intijds voor hun gevaar, geeft Hij hun nog tijd om zich te bekeren en het verderf te voorkomen. Hij is traag om te straffen en lankmoedig over ons niet willende dat iemand verloren ga
Ten vierde. Hoe langer het verderf wordt uitgesteld ten einde nog tijd te laten voor bekering, hoe vreeslijker het zijn zal, en hoe zwaarder het zal treffen om voor eeuwig op de zondaar te blijven, indien die tijd niet gebruikt werd, terwijl God wachtte, het zwaard wordt gewet en de boog gespannen.
Ten vijfde. Het verderf over onboetvaardige zondaars komt wel langzaam, maar het komt zeker, want het is verordineerd, zij zijn er voor opgeschreven.
Ten zesde. Van alle zondaren zijn het de vervolgers, die tot het geschiktste doelwit gesteld zijn van de Goddelijke toorn, tegen hen, meer dan tegen iemand anders, heeft God Zijn pijlen te werk gesteld. Zij stellen zich tegen God om Hem te trotseren, maar zij kunnen zich niet buiten het bereik stellen van Zijn oordelen. B. Zij storten zich in het verderf, vers 1-17. De zondaar wordt hier voorgesteld als zich zeer veel moeite gevende om zich ten ondergang te brengen, hij geeft zich meer moeite om zijn ziel verloren te doen gaan, dan het hem kosten zou indien hij haar op de rechte wijze aanwende om haar te behouden.
a. Het wordt voorgesteld door de smarten van een barende vrouw, die een misdracht ter wereld brengt vers 15. Des zondaars hoofd beraamt kwaad, bedenkt het met zeer veel list en overleg, en houdt zijn plan geheim, des zondaars hart gaat zwanger met ongerechtigheid en is in arbeid om de boze ontwerpen, die het tegen Gods volk beraamd heeft, te baren. Maar wat wordt er van, als het tot de geboorte komt? Het is leugen, het is een bedriegen van zichzelf het is een leugen in zijn rechterhand, hij kan zijn voornemen niet volvoeren, en als hij zijn doel bereikt, zal hij er toch de voldoening niet van smaken, die hij zich had voorgesteld, hij baart wind, Jesaja 26:18, stoppelen, Jesaja 33-11, de dood, Jakobus 1:15, dat is leugen.
b. Door de smarten van een arbeidende man, die hard werkt om een kuil te graven, en er dan zelf in valt en er in omkomt.
Ten eerste. Dit is in zekere zin waar van alle zonderen, zij bereiden verderf voor zichzelf door zich te bereiden voor het verderf, zich beladende met zonde en schuld en zich onderwerpende aan hun bederf.
Ten tweede. Dit is dikwijls opmerkelijk waar bevonden van hen, die kwaad bedenken tegen het volk van God, of tegen hun naasten door de rechtvaardige hand Gods is dit kwaad wedergekeerd op hun eigen hoofd, wat zij bedoeld hebben tot schande en verderf van anderen, blijkt op hun eigen beschaming uit te lopen.
"Nec lex est justior alla quam heels arfifices arte perire Sua. Er is geen rechtvaardiger wet dan deze, dat hij, die een moordplan beraamt er zelf door omkomt". Sommigen passen dit toe op Saul, die in zijn eigen zwaard is gevallen.
Bij het zingen van deze psalm moeten wij doen wat David hier doet vers 18 de Heere loven naar Zijn gerechtigheid, Hem de eer geven van die genadige bescherming, die Hij uitstrekt over Zijn beproefd volk, en van die rechtvaardige wraak, waarmee Hij hen vervolgt, die hen verdrukken en kwellen. Aldus moeten wij zingen tot lof van de Heere, de Allerhoogste, die, als Zijn vijanden trotselijk handelen, toont dat Hij boven hen is.