Spreuken 9:1-12
De wijsheid wordt hier voorgesteld als een luisterrijke koningin, zeer machtig en zeer edelmoedig, dat Woord van God is Zijn wijsheid, waarin Hij Zijn welbehagen in de mensen heeft geopenbaard. God, het Woord, is deze wijsheid, aan wie de Vader al het oordeel heeft overgegeven. Hij, die in het vorige hoofdstuk Zijn grootheid en heerlijkheid heeft getoond als Schepper van de wereld, toont hier Zijn genade en goedheid als de Verlosser ervan. Het woord staat in het meervoud, wijsheden, want in Christus zijn de schatten van de wijsheid verborgen, en in Zijn onderneming blijkt de menigvuldige wijsheid Gods in een verborgenheid. Merk hier nu op:
I. De rijke voorziening, die de Wijsheid gemaakt heeft ter ontvangst van al degenen, die haar discipelen willen zijn. Dit wordt voorgesteld onder het beeld van een rijk feestmaal, waaraan onze Heiland waarschijnlijk de gelijkenissen heeft ontleend, waarin Hij het koninkrijk van de hemelen vergeleek bij een groot avondmaal, Mattheus 22:2, Lukas 14:16. En als zodanig was er van geprofeteerd, Jesaja 25:6. Het is een maaltijd zoals die, welke door Ahasveros werd aangericht om de rijkdom van de heerlijkheid zijns rijks te tonen. De genade van het Evangelie wordt ons aldus voorgesteld in de inzetting van des Heeren Avondmaal. Om haar gasten welkom te heten:
1. Is hier voorzien in een statig paleis, vers 1. Geen huis vindende, ruim genoeg, om er al haar gasten in te kunnen ontvangen, heeft zij er een opzettelijk voor gebouwd, en om het te versterken en ook te versieren, heeft zij haar zeven pilaren gehouwen, waardoor het zeer stevig en solide werd en een fraai, groots aanzien had. De hemel is het huis, dat de Wijsheid gebouwd heeft, om er haar gasten in te ontvangen, die tot het bruiloftsmaal van het Lam genodigd zijn, dat is het huis haars Vaders, waarin vele woningen zijn, en waar zij is heengegaan om ons plaats te bereiden. Zij heeft de aarde opgehangen aan een niet, daarom hebben wij er geen blijvende stad in, maar de hemel is een stad, die fondamenten heeft, pilaren heeft. De kerk is het huis van de wijsheid waarin zij haar gasten nodigt, door de kracht en de belofte van God ondersteund als door zeven pilaren. Waarschijnlijk verwijst Salomo naar de tempel, die hij zelf onlangs gebouwd had ten dienste van de Godsdienst en naar welke hij het volk wilde bewegen heen te gaan, beide om God te aanbidden en het onderricht van de wijsheid te ontvangen. Sommigen achten dat hier de profetenscholen bedoeld zijn.
2. Hier wordt een prachtig feestmaal bereid, vers 2. Zij heeft haar slachtvee geslacht zij heeft haar wijn gemengd, er is overvloed van spijs en drank voorzien, en alles is van de beste soort. Zij heeft haar slachtoffer geslacht zo luidt het oorspronkelijke, het is een kostbaar, maar heilig gewild feestmaal, een offermaaltijd. Christus heeft zichzelf als een slachtoffer voor ons opgeofferd, en het is Zijn vlees, dat waarlijk spijs, en Zijn bloed, dat waarlijk drank is. Het Avondmaal des Heeren is een feestmaaltijd van verzoening en blijdschap op het zoenoffer. De wijn is gemengd met iets, dat kostelijker is dan hijzelf, om er meer dan gewone kracht en geur aan te geven. Zij heeft haar tafel volkomen toegericht met al de voldoening, die een ziel kan begeren, met gerechtigheid en genade, vrede en blijdschap, de verzekeringen van Gods liefde, de vertroostingen des Geestes, en al de voorsmaken en onderpanden van het eeuwige leven.
Merk op: Het is alles het eigen doen van de wijsheid, zij heeft haar slachtvee geslacht, zij heeft de wijn gemengd, hetgeen beide de liefde van Christus aanduidt, die de voorziening maakt (Hij laat het niet over aan anderen, maar neemt het werk zelf in handen) en de voortreffelijkheid van de toebereiding. Datgene moet zeer geschikt zijn om aan het doel te beantwoorden, dat door de Wijsheid zelf geschikt gemaakt is.
II. De genadige uitnodiging, die zij heeft gegeven, niet aan enkele bijzondere vrienden, maar aan allen in het algemeen, om aan die maaltijd te komen deelnemen.
1. Zij stelt haar dienstmaagden aan het werk om de uitnodiging rondom in het land te brengen, zij heeft haar dienstmaagden uitgezonden, vers 3. Aan de dienaren van het Evangelie is opdracht en bevel gegeven om de toebereidingen bekend te maken, die God gemaakt heeft in het eeuwig verbond, voor allen, die er de voorwaarden van willen aannemen en met maagdelijke reinheid, (noch zichzelf noch het Woord bedervende of vervalsende) en met een nauwkeurig opvolgen van hun orders, moeten zij allen uitnodigen, die zij ontmoeten in de wegen en de heggen om tot de maaltijd van de wijsheid te komen, want alle dingen zijn nu gereed, Lukas 14:23.
2. Zij zelf roept op de hoge plaatsen van de stad, als een, die ernstig en vurig het welzijn begeert van de kinderen van de mensen, en bedroefd is te zien, dat zij hun zegeningen en voorrechten verwerpen voor valse ijdelheden. Onze Heere Jezus was zelf de verkondiger van Zijn Evangelie, toen Hij Zijn discipelen uitgezonden had, Hij volgde hen, om wat zij zeiden te bevestigen, ja, het is begonnen verkondigd te worden door de Heere, Hebreeën 2:3. Hij stond en riep: Komt tot Mij.
Wij zien wie het is, die nodigt, laat ons nu opmerken:
A. Tot wie de uitnodiging gericht is: Wie onwijs is, die verstandeloos is, vers 4. Als wij een gastmaal zouden aanrichten, zouden wij op het gezelschap van de zodanigen niet zeer gesteld zijn, nog veel minder zouden wij erom vragen, wij zouden veeleer philosophen en geleerden uitnodigen, ten einde hun wijsheid te horen, van hun tafelgesprekken zou men veel kunnen leren. "Heb ik razenden gebrek?" Maar de wijsheid nodigt de zodanigen, omdat deze het meest nodig hebben wat zij heeft te geven, en het is hun welzijn, waarmee zij te rade gaat en dat zij met haar toebereiding en uitnodiging bedoelt. Die onwijs is wordt genodigd, opdat hij wijs worde, en hij aan wie een hart ontbreekt zo luidt het woord hier, hij kome herwaarts en hij zal er een ontvangen. Wat zij bereidt is veeleer medicijn dan spijs, bestemd voor de kostelijkste en begerenswaardigste genezing, namelijk die van de geest. Wie hij ook zij, de uitnodiging is algemeen, en sluit niemand uit, dan die zichzelf uitsluiten, al zijn zij overigens ook nog zo dwaas, toch:
a. Zullen zij welkom wezen.
b. Zij kunnen geholpen worden, zij zullen niet worden versmaad of veracht, er zal aan hen niet worden gewanhoopt. Onze Heiland is gekomen, niet om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren, niet hen, die wijs zijn in eigen ogen, die zeggen, dat zij zien, Johannes 9:41, maar de onwijzen, hen, die zich bewust zijn van hun onverstand en er zich over schamen, en hem, die gewillig is om dwaas te worden, opdat hij wijs moge worden 1 Corinthiers 3:18.
B. Waarin de uitnodiging bestaat.
a. Wij worden genodigd om in het huis van de wijsheid te komen. Hij kere zich herwaarts. Ik zeg: wij zijn, want wie onzer zal niet moeten erkennen van de aard en het karakter te zijn van de genodigden, te behoren tot hen, die onwijs, onverstandig zijn? De deuren van de wijsheid staan open voor de zodanigen, en zij wenst met hen te spreken, een woord tot hun welzijn met hen te spreken, andere bedoelingen heeft zij niet met hen.
b. Wij worden genodigd aan haar tafel, vers 5. Komt, eet van mijn brood smaakt de ware genoegens, die gevonden worden in de kennis en de vreze van God. Door het geloof in de beloften van het Evangelie, ze ons toe te eigenen en er de vertroosting van aan te nemen, voeden wij ons met en onthalen wij ons op de voorzieningen, die Christus voor arme zielen gemaakt heeft. Wat wij eten en drinken, maken wij tot het onze, daar worden wij door gevoed en verkwikt, en evenzo wordt onze ziel gevoed en gesterkt door het Woord van God, er is datgene in, hetwelk spijs en drank is voor hen, die zichzelf begrijpen.
C. Wat geëist wordt van hen, die het voordeel van deze uitnodiging kunnen hebben vers 6..
a. Zij moeten breken met alle kwaad gezelschap, Verlaat de onwijzen gaat niet met hen om, gedraagt u niet naar hun manieren, hebt geen gemeenschap met de werken van de duisternis, of met hen die ze doen. De eerste stap naar de deugd is de ondeugd te schuwen, en bijgevolg de ondeugenden te mijden, Wijkt van mij, gij boosdoeners.
b. Zij moeten ontwaken en opstaan van de doden, zij moeten leven, niet in genot en vermaak, want die dat doen zijn dood, terwijl zij leven, maar in de dienst van God, want alleen zij, die in waarheid aldus leven, leven nuttig. "Leeft niet bloot een dierlijk leven, zoals de beesten, maar leeft nu eindelijk het leven van mensen, en dan zult gij leven, geestelijk leven, en eeuwig leven," Efeziers 5:14.
c. Zij moeten de paden van de wijsheid kiezen, en er zich aan houden, treedt in de weg des verstands, regeert uzelf voortaan naar de regelen van Godsdienst en recht en rede." Het is niet genoeg de dwazen te verlaten, wij moeten ons voegen bij hen, die wandelen in wijsheid, en in dezelfde geest, dezelfde voetstappen wandelen.
III. De instructies, die de wijsheid geeft aan de maagden, die zij met deze uitnodiging uitzendt, aan de leraren en anderen, die in hun plaats haar belangen en bedoelingen trachten te dienen. Zij zegt hun:
1. Wat hun werk moet wezen, niet alleen om in het algemeen te zeggen welke toebereiding er gemaakt is voor de zielen, en er een algemene aanbieding van te doen, zij moeten zich ook tot afzonderlijke personen wenden, hun spreken van hun fouten en tekortkomingen, tuchtig, bestraf, vers 7, 8. Zij moeten hen leren zich te verbeteren, leer, vers 9. Het Woord van God is bedoeld en dus ook de bediening van dat Woord, tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is.
2. Welke verschillende soorten van personen zij zullen ontmoeten, hoe zij tegenover hen moeten handelen, en welke goede uitslag zij er van kunnen verwachten.
A. Zij zullen spotters en goddelozen ontmoeten, die de boden des Heeren zullen bespotten en mishandelen, hen, die hen tot het feestmaal des Heeren nodigen, zullen belachen en bespotten zoals dergelijke lieden de boden van Hizkia bespot en belachen hebben, die hen in zijn naam uitnodigden om het Pascha des Heeren te Jeruzalem te komen houden, 2 Kronieken 30:10, zij zullen hun smaadheid aandoen Mattheus 22:6. En hoewel het hun niet verboden wordt om die dwazen uit te nodigen om in het huis van de wijsheid te komen, wordt hun toch aangeraden om op de uitnodiging niet aan te dringen door bestraffing: bestraf de spotter niet, werp deze paarlen niet voor de zwijnen, Mattheus 7:6. Zo zei Christus van de Farizeen: Laat hen varen, Mattheus 15:14. "Bestraf hen niet."
a. "In gerechtigheid over hen, want zij hebben de gunst verbeurd van nog andere middelen, die de middelen, welke zij hadden, veracht hebben." Zij, die aldus vuil zijn, dat zij nog vuil zijn, die vergezeld zijn van de afgoden, laat hen varen, zie, wij wenden ons tot de heidenen.
b. In voorzichtigheid voor uzelf, want zo gij hen bestraft, zult gij,
Ten eerste, verloren moeite doen en u aldus schande behalen, door teleurstelling.
Ten tweede. "Gij verbittert hen, al doet gij het nog zo verstandig, en met nog zoveel liefde, zo gij het ook doet met getrouwheid, zullen zij u haten, u overladen met verwijten, al het kwaad van u zeggen, dat zij maar kunnen, en zo zult gij een blaam opdoen. Daarom is het beter dat gij u maar niet met hen bemoeit want uw bestraffingen zullen waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen."
B. Zij zullen anderen aantreffen, die wijs zijn en Godvrezend, en rechtvaardig zijn, Gode zij dank niet allen zijn spotters. Wij ontmoeten sommigen, die zo wijs en rechtvaardig zijn jegens zichzelf, dat zij gaarne bereid zijn om zich te laten onderwijzen, en als wij de zodanigen ontmoeten:
a. Dan moeten wij hen, als het nodig is, bestraffen, want wijze mensen zijn niet zo volkomen wijs, of er is nog wel iets in hen, dat bestraft moet worden, en wij moeten iemands gebreken niet door de vingers zien, omdat wij eerbied hebben voor zijn wijsheid, een wijs man moet ook niet denken dat zijn wijsheid hem vrijwaart voor bestraffing, als hij iets zegt of doet, dat dwaas is, maar, hoe meer wijsheid iemand heeft, hoe meer hij moet verlangen, dat hem zijn zwakheden onder het oog gebracht worden, omdat een weinig dwaasheid een grote vlek is in hem, die kostelijk is van wijsheid en van eer.
b. Met onze bestraffingen moeten wij hun onderwijs geven, hen leren, vers 9.
c. Wij kunnen verwachten dat het als een vriendelijkheid zal opgenomen worden, Psalm 141:5. Een wijs man zal diegenen achten zijn vrienden te zijn, die getrouw met hem omgaan. Bestraf zo iemand, en hij zal u liefhebben om uw rondborstigheid, u danken, en verlangen dat gij hem op een andere tijd, als het nodig is, dezelfde goede dienst zult bewijzen. Het is een even sterk bewijs van wijsheid om een bestraffing goed aan te nemen, als om haar goed toe te dienen.
d. Goed opgenomen zijnde, zal zij goed doen en aan het doel beantwoorden. Een wijs man zal door de bestraffing en het onderricht, die hem gegeven worden, wijzer worden, hij zal in leer toenemen, toenemen in kennis, en aldus toenemen in genade. Niemand moet zich te wijs achten om te leren, of zo goed, dat hij nog niet beter behoeft te worden, en dus geen onderricht meer nodig heeft. Wij moeten nog voorwaarts streven, en vervolgen te kennen, totdat de mens Gods volmaakt is. Geef de wijze zo is het in het oorspronkelijke geef hem raad, geef hem bestraffing, geef hem troost, en hij zal nog wijzer zijn, geef hem gelegenheid, aldus de LXX, gelegenheid om zijn wijsheid te tonen, en hij zal haar tonen in daden van wijsheid.
IV. De instructies die zij geeft aan hen, die genodigd worden, en die hun door haar dienstmaagden ingeprent moeten worden.
1. Laat hen weten waarin de ware wijsheid bestaat, en waarop zij aan de tafel van de wijsheid onthaald zullen worden, vers 10..
a. Het beginsel van de vreze Gods moet in het hart zijn, deze is het beginsel van de wijsheid. Eerbied voor Gods majesteit, vrees voor Zijn toorn, is het vrezen van Hem, dat het begin, de eerste stap is naar de ware Godsdienst, waaruit alle andere bewijzen ervan voortkomen. In deze vreze kan in het begin pijn zijn, maar de liefde zal de pijn langzamerhand doen verdwijnen.
b. Het hoofd moet vervuld zijn van de kennis van de dingen Gods, de wetenschap van de heilige dingen is verstand, de dingen, die tot de dienst van God behoren (deze worden heilige dingen genoemd) de dingen, die tot onze heiligmaking behoren. Bestraffing wordt het heilige genoemd, Mattheus 7:6. Of wel, de kennis, die heilige mensen hebben, die onderwezen werd door de profeten, van de dingen, die de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben gesproken, dit is verstand, het is het beste en nuttigste verstand, het zal ons de grootste dienst bewijzen en ons in alle opzichten voordelig zijn.
2. Laat hen weten wat de voordelen zullen zijn van deze wijsheid, vers 11. "Door mij zullen uw dagen vermenigvuldigen. Zij zal bevorderlijk zijn aan de gezondheid van uw lichaam, en zo zullen jaren des levens u toegedaan worden op de aarde, terwijl de dwaasheid en onmatigheid van de mensen hun dagen verkorten. Zij zal u naar de hemel brengen, en daar zullen uw dagen vermenigvuldigen "in infinitum-in het oneindige," en zullen u jaren des levens toegedaan worden zonder einde." Er is geen ware wijsheid dan in de weg van de Godsdienst, en geen waar leven dan aan het einde van die weg.
3. Laat hen weten wat de gevolgen zullen zijn van hun keus, van hun aannemen of hun verwerpen van deze aanbieding, vers 12. Hier is:
A. Het geluk van hen die haar aannemen: "Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor u zelf, gij zult er bij winnen, gij, en niet de wijsheid." Een mens kan God geen voordeel aanbrengen, het is voor ons eigen welzijn, dat wij gedrongen worden om die aanbieding aan te nemen. "Gij zult uw gewin niet aan anderen nalaten" (zoals wij ons werelds goed aan anderen nalaten als wij sterven, en dat daarom eens anders goed genoemd wordt, Lukas 16:12) "maar gij zult het medenemen in een andere wereld." Zij, die wijs zijn voor hun zielen, zijn wijs voor zichzelf, want de ziel is de mens, en niemand gaat met zijn eigen waar belang te rade, dan hij, die waarlijk Godsdienstig is. Dit beveelt ons aan bij God, en brengt ons terug van hetgeen onze dwaasheid en ontaarding is, het doet ons werkzaam zijn in hetgeen uiterst weldadig is voor deze wereld, en geeft ons aanspraak op hetgeen dit nog veel meer is in de andere wereld.
B. De schande en het verderf van hen die haar afwijzen, zijt gij een spotter, dat is: versmaadt gij de aanbieding van de wijsheid, gij zult het alleen dragen." a. "Gij zult er de schuld van dragen." Zij, die goed zijn, moeten God danken, maar zij die slecht zijn, hebben dit zichzelf te wijten. Het is niet de schuld van God, Hij is de auteur niet van de zonde. Satan kan slechts in verzoeking brengen, maar hij kan niet dwingen, niet noodzaken, en slechte metgezellen zijn slechts zijn werktuigen, zodat al de schuld voor rekening van de zondaar zelf is.
b. "Gij zult het verlies dragen van hetgeen gij versmaadt, het zal uw verderf wezen, uw bloed zal op uw hoofd zijn, en de gedachte hieraan zal uw veroordeling verzweren. Kind, gedenk, dat u deze schone aanbieding gedaan is, en dat gij haar niet hebt willen aannemen, gij had het leven kunnen hebben, maar ge hebt de voorkeur gegeven aan de dood.