Psalm 2:1-6
Wij hebben hier een zeer grote worsteling om het koninkrijk van Christus, de hel en de hemel strijden er om, het toneel des oorlogs is deze aarde, waar Satan sedert lang een overweldigd rijk in bezit had, van een zodanige heerschappij in geoefend heeft, dat hij de overste genoemd is, tot zelfs van de macht van de lucht die wij inademen, en de God van de wereld waarin wij leven. Hij weet zeer goed dat, naarmate het koninkrijk van de Messias zich verheft en veld wint, het zijne valt, en daarom hoewel dit koninkrijk gewis opgericht zei worden, zal het toch niet zonder tegenstand zijn.
Merk hier op:
I. De krachtige tegenstand, die aan de Messias en Zijn rijk geboden zal worden, aan Zijn heilige Godsdienst en al de belangen ervan, vers 1-3. Men zou verwacht hebben dat zo'n grote zegen voor deze wereld algemeen en met blijdschap welkom geheten zou worden, en dat iedere schoof zich terstond gebogen zou hebben voor die van de Messias en alle kronen en scepters op aarde aan Zijn voeten zouden gelegd zijn, maar het tegendeel wordt gezien. Nooit is aan de denkbeelden van enigerlei secte van philosophen, hoe ongerijmd ook, of aan de macht van enigerlei vorst of staat, hoe tirannisch ook, zo heftige tegenstand geboden als aan de leer en de regering van Christus. Een teken, dat zij van de hemel waren, want de tegenstand blijkt duidelijk uit de hel afkomstig te zijn.
1. Er wordt ons hier gezegd wie als tegenstanders van Christus zullen optreden, des duivels werktuigen zullen zijn in deze opstand tegen Zijn koninkrijk. Vorst en volk, het hof en het land, hebben soms afzonderlijke belangen maar hier zijn zij verenigd tegen Christus, niet alleen de machtigen en aanzienlijken, maar het grauw, het gepeupel, de heidenen, grote getallen, gehele maatschappijen van hen. Hoewel zij gewoonlijk tuk zijn op vrijheid, waren zij toch afkerig van de vrijheid, die Christus is komen teweegbrengen en verkondigen. Niet het grauw alleen, maar de machtigen en aanzienlijken, (onder wie men meer verstand en bedachtzaamheid verwacht zou hebben), treden heftig op tegen Christus. Hoewel Zijn koninkrijk niet is van deze wereld, noch ten doel treeft om de belangen van de koningen te verzwakken of er afbreuk aan te doen, maar integendeel ze te steunen en te bevorderen, zo zij, de koningen van de aarde toch terstond de wapens tegen Hem opgevat. Zie de uitwerking van de oude vijandschap in het zaad van de slang tegen het zaad van de vrouw en hoe algemeen en boosaardig het bederf is van het mensdom. Zie hoe geducht de vijanden van de kerk zijn, zij zijn talrijk, zij zijn machtig. De ongelovige Joden worden hier heidenen genoemd, zo ellendig waren zij ontaard, afgevallen van het geloof en de heiligheid van hun voorouders, zij hebben de heidenen opgewekt en aangespoord om de Christenen te vervolgen. Gelijk de Filistijnen en hun vorsten, Saul en zijn hovelingen, de misnoegde partij en haar aanvoerders, Davids komst tot de troon hebben tegengestaan, zo hebben Herodes en Pilatus de heidenen en de Joden het uiterste gedaan tegen Christus en Zijn invloed op de mensen Handelingen 4:27.
2. Wie het is, met wie zij twisten en tegen wie zij al hun strijdkrachten bijeenbrengen? Het is tegen de Heere en tegen Zijn gezalfde tegen alle Godsdienst in het algemeen en de Christelijke Godsdienst in het bijzonder. Het is zeker dat allen, die vijanden van Christus zijn wat zij ook mogen voorgeven vijanden zijn van God zelf: zij "hebben Mij en Mijn Vader gehaat," Johannes 15:24. De grote Auteur van onze heilige Godsdienst wordt hier genoemd des Heren Gezalfde, of de Messias, of de Christus in toespeling op de zalving van David tot koning over Israël. Hij is beide gemachtigd en bevoegd om het Hoofd, de koning van de kerk te zijn, is behoorlijk met dit ambt bekleed, en in alle opzichten ervoor geschikt, en toch zijn er die tegen Hem zijn, ja juist daarom zijn zij tegen Hem, zij kunnen Gods gezag niet dulden, zijn afgunstig op Christus' verhoging en hebben een ingewortelde vijandschap tegen de Geest van de heiligheid.
3. Hun tegenstand wordt hier beschreven:
a. Het is een uiterst boosaardige tegenstand. Zij woeden, verbitteren en kwellen zich, knarsen op hun tanden uit ergernis, dat Christus' koninkrijk wordt opgericht, het veroorzaakt hun de grootste ongerustheid en vervult hen met toorn, zodat zij geen genot meer kunnen smaken, zie Lukas 13:14, Johannes 11:47, Handelingen 5:17, 33, 19:28. Afgodendienaars woedden om de ontdekking hunner dwaasheid, de overpriesters en Farizeen om het in de schaduw stellen van hun roem en het wankelen van hun overweldigde heerschappij. Zij, die kwaad deden woedden tegen het licht.
b. Het is een wel overlegde tegenstand. Zij bedenken, zij zinnen op middelen, om de belangen van Christus' koninkrijk te vernietigen, en zijn er zeker van dat zij in hun pogingen daartoe wel zullen slagen, zij vleien zich de Godsdienst ter neer te zullen werpen en er de overwinning over te zullen behalen.
c. Het is een vastberaden hardnekkige tegenstand. Zij stellen zich op, stellen hun aangezicht als een keisteen en hun hart als een diamant in trotsering van verstand en geweten en alle de verschrikkingen des Heeren, zij zijn trots en vermetel zoals de torenbouwers van Babel, en willen, wat er ook van kome, volharden in hun voornemen en besluit.
d. Het is een tegenstand van saamverbondenen, zij beraadslagen tezamen, om elkaar te helpen en aan te vuren, in die tegenstand, zij nemen, "nemine contradicente-eenstemmig" hun besluit, dat zij de onheilige oorlog tegen de Messias met alle kracht zullen voortzetten, en daarop worden vergaderingen belegd, partijen gevormd, en al hun verstand en vernuft in het werk gesteld om wegen en middelen te vinden om de vestiging van Christus' koninkrijk te beletten, Psalm 83:5.
4. Hier wordt ons gezegd wat het is, waar zij zo vertoornd op zijn, en wat zij met hun tegenstand beogen, vers 3 :Laat ons hun banden verbreken. Zij willen onder geen regering zijn, zij zijn kinderen Belials, die het juk niet kunnen verdragen, tenminste niet het juk des Heeren en van Zijn Gezalfde. Zij willen zich tevreden houden met zulke denkbeelden van het koninkrijk Gods en de Messias, die hen kunnen dienen om er over te twisten en er hun eigen heerschappij mee te steunen, indien de Heere en Zijn (gezalfde hen rijk en groot willen maken in de wereld, dan zullen zij hen welkom heten, maar als die hun verdorven lusten en hartstochten willen tegengaan, hun hart en hun leven willen hervormen en verbeteren, hen onder de heerschappij, willen brengen van een reine hemelse Godsdienst, dan voorwaar "willen zij niet dat deze over hen koning zij", Lukas 19:14. Christus heeft banden en touwen voor ons, zij, die door Hem verlost en behouden willen worden, moeten door Hem geregeerd en bestuurd worden, maar die touwen zijn mensenzelen, in overeenstemming met gezond verstand, en koorden van de liefde, bevorderlijk aan ons waar belang, en toch is het met dezen, dat getwist wordt. Waarom staan de mensen de Godsdienst tegen? Waarom anders, dan omdat zij er het bedwang niet van kunnen dulden, de verplichtingen ervan niet op zich willen nemen? Zij willen de banden van het geweten verbreken en de touwen van Gods geboden afwerpen, van de geboden, die hen roepen om alle banden los te maken, waarmee zij aan de zonde zijn gebonden, en zich te verbinden tot alle plicht, die banden willen zij niet ontvangen maar zo ver mogelijk van zich afwerpen.
5. Hierover wordt met hen geredeneerd, vers 1. Waarom doen zij dit?
a. Zij kunnen geen goede reden opgeven voor hun tegenstaan van zo'n rechtvaardige, heilige en genadige regering, die geen wereldlijke macht wil tegenstaan of dwarsbomen, geen gevaarlijke beginselen wil invoeren, schadelijk voor koningen en landschappen, maar integendeel, zo zij algemeen werd aangenomen, een hemel op aarde zou brengen.
b. Zij kunnen op geen succes hopen voor hun tegenstaan van zo'n machtig koninkrijk, met hetwelk zij ten enenmale onmachtig zijn te strijden. Het is ijdel: als zij hun ergst gedaan hebben, zal Christus toch een kerk hebben in de wereld, en die kerk zal glorierijk en overwinnend wezen, zij is "gebouwd op een rots en de poorten van de hel zullen niet tegen haar overmogen." De maan schijnt helder aan de hemel, al is het ook dat de honden er tegen blaffen.
II. De machtige overwinning behaald over al die dreigende tegenstand. Als hemel en aarde de strijdende partijen zijn, dan is het gemakkelijk te voorspellen wie de overwinnaar zal zijn. Zij, die deze machtige worsteling beginnen, zijn de volken van de aarde en de koningen van de aarde, die van de aarde aards zijn, maar Hij, met wie zij strijden, zit in de hemel, vers 4. Hij is in de hemel, een plaats van zulk een ruim uitzicht dat Hij hen allen zien kan, hen en al wat zij doen, al hun plannen, en Zijn macht is zo groot, dat Hij hen allen ten onder kan brengen, hen en al hun pogingen. Hij zit daar neer rustig en gerust, buiten het bereik van hun machteloze dreigementen en aanslagen. Daar zit Hij neer als Rechter over alle zaken van de kinderen van de mensen, volkomen zeker van de vervulling van Zijn voornemens en bedoelingen, ten spijt van alle tegenstand, Psalm 29:10. De volkomen rust van de eeuwige Geest kan ons tot troost wezen onder alle onrust en beroering van onze geest. Wij worden op aarde en in de zee heen en weer geslingerd, maar Hij zit in de hemel waar Hij Zijn troon bereid heeft ten gerichte, weshalve:
1. De aanslagen van Christus' vijanden gemakkelijk bespot kunnen worden, de Heere belacht hen als een gezelschap van dwazen. Hen en hun aanslagen bespot de Heere, en daarom is het, dat "de jonkvrouw, de dochter Zions, hen veracht," Jesaja 37:22. De dwaasheden van de zondaren zijn terecht een voorwerp van spot en verachting voor de oneindige wijsheid en macht, en de aanslagen van het rijk van Satan, die in onze dogen zo geducht zijn, zijn verachtelijk in Gods ogen. God wordt soms gezegd te ontwaken en op te staan ter verdelging van Zijn vijanden, hier wordt Hij gezegd stil te zitten en dit te doen, want de grootste werkingen van Gods almacht scheppen geen moeilijkheden voor Hem, brengen niet de minste stoornis in Zijn eeuwige rust.
2. Zij worden rechtvaardiglijk gestraft. Hoewel God hen als machtelozen veracht, ziet Hij hun doen toch niet door de vingers, neen, Hij is rechtvaardiglijk misnoegd op hen om hun onbeschaamdheid en goddeloosheid, en Hij zal dit de vermetelste zondaars doen weten en hen doen sidderen voor Zijn aangezicht.
a. Hun zonde is Hem een terging, Hij is toornig, Hij is uiterst misnoegd. Wij kunnen niet verwachten dat God met ons verzoend zal zijn of een welgevallen aan ons zal hebben, anders dan in en door de Gezalfde. Indien wij dus Hem beledigen en verwerpen, dan zondigen wij tegen het geneesmiddel en verbeuren het voordeel van Zijn voorspraak en tussenkomst, Zijn middelaarschap tussen ons en God.
b. Zijn toorn zal hun een kwelling, een pijniging zijn, als Hij slechts tot hen spreekt in Zijn toorn, dan zal zelfs de adem Zijns monds hen doden en verteren, 2 Thessalonicenzen 2:8. Hij spreekt, en het is geschied, Hij spreekt in toorn, en de zondaars worden verdaan, gelijk een woord ons gemaakt heeft, ons in het aanzijn riep, zo kan, een woord ons vernietigen, ons het aanzijn ontnemen. Wie kent de sterkte Zijn toorns? De vijanden woeden, maar kunnen God niet verontrusten. God zit stil, en toch verontrust Hij hen, brengt hen in ontsteltenis, (zoals het woord is) doet hen ten einde raad komen. Zijn oprichten van het koninkrijk Zijns Zoons in weerwil van hen is hun de grootst mogelijke kwelling. Zij zijn voor Christus' goede onderdanen kwellend geweest, maar de dag komt, wanneer kwelling hun vergolden zal worden.
3. Zij worden verslagen en hun raadslagen verijdeld, vers 6. Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Zion. David was ten troon verheven en werd meester van de burcht Zion in weerwil van de onrust, die hem veroorzaakt werd door de ontevredenen in zijn rijk, en inzonderheid door de beledigingen, die hij ontving van de bezetting van Zion, die hem beschimpten met hun blinden en kreupelen, 2 Samuël 5:6. De Heere Jezus is verhoogd aan de rechterhand des Vaders, heeft alle macht in hemel en op aarde, Hij is het Hoofd van de gemeente boven alle dingen, in weerwil van de rusteloze pogingen van Zijn vijanden om Zijn verhoging te voorkomen.
a. Jezus Christus is Koning, en is door Hem, die de bron en oorsprong is van alle macht, bekleed met de waardigheid en het gezag van een soevereinen Vorst, beide in het rijk van de voorzienigheid en in het rijk van de genade.
b. Het behaagt God Hem Zijn Koning te noemen, omdat Hij door Hem is aangesteld om te regeren en te oordelen. Hij is Zijn Koning, want Hij is de Vader dierbaar, die in Hem een welbehagen heeft.
c. Christus heeft niet zelf deze eer aangenomen, maar werd er toe geroepen, en Hij, die Hem riep, erkent Hem: Ik heb Hem gezalfd, Zijn opdracht ontving Hij van de Vader.
d. Tot die eer geroepen zijnde, werd Hij er in bevestigd. Hoge plaatsen zijn glibberig, zegt het spreekwoord, maar Christus verhoogd zijnde, staat onwankelbaar vast: "Ik heb Hem gesteld, Ik heb Hem gevestigd."
e. Hij is gesteld op Zion, de berg van Gods heiligheid, een type van de Evangeliekerk, want daarop is de tempel gebouwd, om der wille waarvan de gehele berg heilig genoemd werd. Christus' troon is opgericht in Zijn kerk, dat is: in het hart van alle gelovigen en in de gemeenten, die zij vormen.
De Evangeliewet van Christus wordt gezegd uit te gaan van Zion, Jesaja 2:3, Micha 4:2, daarvan wordt dieswege gesproken als van het hoofdkwartier van deze generaal, de residentie van deze vorst, in wie de kinderen Zions zich zullen verheugen.
Wij moeten deze verzen zingen met een heilige blijdschap, triomferende over al de vijanden van Christus koninkrijk niet twijfelende, of zij zullen allen tot de voetbank van Zijn voeten gemaakt worden en triomferende in Christus, en wij moeten bidden in het vaste geloof van de verzekering hier gegeven: "Vader in de hemel Uw koninkrijk kome, het koninkrijk kome van Uwen Zoon."