3. Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo het ulieden meer gebeuren zal, dit spreekwoord in Israël te gebruiken! 1)
1) Volgens den tweeledigen inhoud van ons hoofdstuk blijft het buiten sprake, of het naderend gericht of de Messiaanse zegen die tot bekering leidt, aan zulk spreken in de toekomst een einde zal maken; bij Jeremia wordt het ophouden van het spreekwoord als met het begin van den Messiaansen tijd zamenvallende voorgesteld.
De Heere verbiedt het spreekwoord niet, maar Hij verklaart, dat Hij zelf het hen zal afleren. De oorzaak van het ophouden is de ernst der Goddelijke oordelen. Wanneer deze komen; dan vallen de vijgebladeren af, het ingeslapen geweten wordt wakker en roept uit: "om mij en mijne zouden. " Er is ene menigte van philosophemata en theologoemena (door de mensen bedachte uitdrukkingen van wereldse wijsheid en van godsdienst), die alleen op zekere tijden mogelijk zijn, maar beschaamd wegsluipen, wanneer de donders van het Goddelijk gericht rollen.
Daardoor is echter slecht de ene zijde der zaak voorgesteld, wij moeten nog de andere, die bij Jeremia op den voorgrond gesteld is, er bijvoegen, dat namelijk God na het oordeel Zijne genade in de vergeving der zonde zo heerlijk zal openbaren, dat de begenadigden de rechtvaardigheid der oordelen volkomen zullen inzien. De ervaring der liefde, die zich in de vergeving der zonden openbaart en de barmhartigheid des Heeren buigen het hart zo diep dat de begenadigde zondaar aan de gerechtigheid der Goddelijk. straffen niet meer twijfelt.
Dus Ik zal U deze tegenwerping ontnemen, dewijl uwe zonde openbaar zal worden, zodat de gehele wereld erkent dat uwe straffen rechtvaardig zijn, welke gij zult hebben verdiend en niet kunnen teruggeworpen worden op uw vader, zoals gij tot hiertoe hebt beproefd.
De Heere God wil hier duidelijk zeggen dat hij de zonden der vaderen niet straft aan de kinderen, tenzij deze treden in de voetstappen der vaderen. 4. Ziet, alle zielen zijn Mijne; gelijk de ziel des vaders, 1) alzo ook de ziel des zoons, zijn Mijne; de ziel, die zondigt, die zal sterven; 2) dat spreekwoord is dus een lasteren van Mijn rechtvaardig besturen en moet worden te niet gedaan.
1) Elke ziel behoort den Schepper toe, wiens adem in haar stroomt, en moet voor het geschenk van haar zelfstandig leven den Gever van elk aanzijn verantwoordelijk worden. Elke ziel, hetzij van vader of van zoon, wordt voor zich zelf geoordeeld, en heeft zij gezondigd, zo moet zij sterven. De doorgaande Bijbelse tegenstelling tussen leven en dood is hier bijzonder scherp op den voorgrond geplaatst.
God beantwoordt in Zijn verantwoording Zijn eigen volstrekt en onbetwistbare Oppermacht. God eist hier een eigendom op van alle zielen van de kinderen der mensen, de een zowel als de andere.
Wanneer God de Vader is van alle zielen, kunnen andere vaders gene ziel ombrengen, maar "alzo lief heeft God de wereld gehad, enz. " Zich zelven ombrengen in het ongeloof, is de zelfmoord van den mens zelven.
God zou Zijn eigendom prijsgeven, wanneer Hij toeliet, dat zielen wegens de schuld van anderen straf leden. In het geschapen zijn naar Zijn beeld, waarop het "alle zielen zijn de Mijne" rust, liet opgesloten, dat de zielen niet tot een dienend middel kunnen verlaagd worden, dat aan elke slechts kan toekomen naar hare zonde.
De som van straffen en verderf welke de wet over den wetsovertreder bepaalt, is begrepen in het woord dood (Deuteronomium 30:15). Van de ware levensgemeenschap uitgesloten, leidt de zondaar slechts een schijnleven dat het verderf in zich draagt en bevordert, totdat de lichamelijke dood met zijne verschrikkingen hem overvalt.
2) Het is even zeker dat God, zowel aan den zoon als aan den vader een goeden wil toedraagt en op geen van beiden enige hardigheid brengen zal. Wij zijn verzekerd dat God niets haat, dat Hij gemaakt heeft en daarom van volwassenen sprekende, die in staat zijn voor zich zelf te handelen, heeft Hij zulk een genegenheid voor alle zielen dat er gene sterft, dan door hun eigen fout.