Genesis 12:1-3
Wij hebben hier de roeping, waardoor Abram verplaatst werd uit het land van zijn geboorte naar het land van de belofte, hetgeen bestemd was om zijn geloof en zijn gehoorzaamheid op de proef te stellen, en hem af te zonderen voor God, alsmede voor nog bijzondere diensten en gunsten, die hem verleend zullen worden. Voor de kennis van de bijzonderheden van deze roeping kan ons de rede van Stefanus behulpzaam zijn Handelingen 7:2, waar ons gezegd wordt:
1. Dat de God van de heerlijkheid hem verschenen is, om die roeping tot hem te doen komen. Hij verscheen hem in zo'n tentoonspreiding van Zijn heerlijkheid, dat er voor Araham geen twijfel was aan het gezag van deze roeping. Later heeft God op verschillende wijzen tot hem gesproken, maar deze eerste maal toen de gemeenschap gevestigd moest worden, verscheen Hij hem als de God van de heerlijkheid en sprak tot hem.
2. Dat deze roeping tot hem kwam in Mesopotamië, vóór hij te Charran woonde, daarom lezen wij het op de rechte wijze: De Heere had gezegd tot Abram, nog zijnde in Ur van de Chaldeeën, en, in gehoorzaamheid aan deze roeping, zoals Stefanus verder de geschiedenis verhaalt, vers 4, ging hij uit het land van de Chaldeeën en woonde in Charran, of Haran, omstreeks vijf jaren. En vandaar, nadat zijn vader gestorven was, heeft God hem door een hernieuwd bevel, ingevolge het eerste, naar het land Kanaän doen gaan. Sommigen denken, dat Haran in Chaldea was, en dus nog een deel was van Abrams geboorteland, of dat hij er vijf jaren gewoond hebbende, het zijn land begon te noemen, en er zich in begon te vestigen totdat God hem deed weten, dat dit niet de plaats van zijn ruste was. Als God ons liefheeft en genade voor ons heeft weggelegd, dan zal Hij ons niet toelaten ergens anders ruste te vinden dan in Kanaän, maar genadig Zijn roepstemmen herhalen, totdat het goede werk volbracht is, en onze ziel alleen rust in God.
In de roeping zelf hebben wij een bevel en een belofte.
I. Een proefgebod, vers 1. Ga gij uit uw land. Nu werd hij:
1. Door dit gebod op de proef gesteld om te doen blijken, dat hij God meer liefhad dan zijn geboortegrond en zijn dierbaarste vrienden, en dat hij gewillig alles kon verlaten, om met God te gaan. Zijn land was afgodisch geworden, zijn bloedverwanten en zijns vaders huis waren hem tot een voortdurende verzoeking, en hij kon niet langer bij hen blijven zonder gevaar te lopen van door hen besmet te worden. Daarom: Ga gij uit. ---"Vade tibi-Ga heen," in allerijl. "Behoud u om uws levens wil, zie niet achter u om," Hoofdstuk 19:17. Voor hen die zich in een zondigen toestand bevinden, is het van het hoogste belang om er zo spoedig mogelijk uit te komen. Ga uit voor uzelf, (zo lezen het sommigen) dat is, om uw bestwil. Zij, die hun zonde verlaten en zich tot God wenden, zullen zelf onuitsprekelijk winnen bij de verandering, Spreuken 9:12. Dit bevel, hetwelk God gaf aan Abram, is gelijk aan de roeping van het Evangelie, waardoor al het geestelijk zaad van de gelovige Abram in verbond met God wordt gebracht. Want:
a. De natuurlijke genegenheid moet wijken voor de Goddelijke genade. Ons vaderland is ons lief, onze bloedverwanten zijn ons dierbaar, en het huis onzes vaders is ons het liefste van alles, en toch moet het alles gehaat worden Lukas: 14:26, dat is: wij moeten het alles minder liefhebben dan Christus, het haten in vergelijking met Hem, en wanneer ooit iets of iemand er van in mededinging komt met Hem dan moeten deze achterstellen bij Hem, en moet de voorkeur gegeven worden aan de wil en de eer van de Heere Jezus.
b. De zonde en alle gelegenheden er voor moeten opgegeven worden, inzonderheid slecht gezelschap, wij moeten al de afgoden van de ongerechtigheid laten varen, die in ons hart zijn opgericht, en de verzoekingen uit de weg gaan zelfs een rechteroog moet uitgetrokken worden dat ons tot zonde leidt, Mattheus 5:29. Wij moeten gewillig scheiden van hetgeen ons het dierbaarst is, als wij het niet kunnen behouden zonder onze oprechtheid in gevaar te brengen. Zij, die besluiten de geboden Gods te houden, moeten het gezelschap van de boosdoeners verlaten, Psalm 119:115, Handelingen 2:40.
c. Op de wereld en al onze genietingen er in, moeten wij met een heilige onverschilligheid en minachting neerzien, wij moeten haar niet langer als ons vaderland beschouwen, of ons tehuis, maar als een herberg, en bijgevolg er los van zijn, er boven leven, en er gewillig van scheiden.
2. Door dit gebod werd hij op de proef gesteld, of hij God kon vertrouwen verder dan hij Hem zien kon, want hij moet zijn land verlaten en heengaan naar een land, dat God hem zal wijzen. Hij zegt niet: "Het is een land, dat Ik u zal geven", maar alleen: een land, dat Ik u zal wijzen". Hij zegt hem ook niet wat voor een land het was, hij moet God volgen met onbepaald geloof, en er Gods woord voor nemen in het algemeen, hoewel hem geen bijzondere waarborgen gegeven worden, dat hij met zijn land te verlaten en God te volgen niets zou verliezen. Zij, die met God willen handelen, moeten Hem vertrouwen, de dingen, die gezien worden, moeten wij verlaten voor de dingen, die niet gezien worden, wij moeten ons onderwerpen aan het lijden van deze tegenwoordige tijd, in de hoop op een heerlijkheid, die nog geopenbaard moet worden. Romeinen 8:18, want "het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen," 1 Johannes 3:2, niet meer dan het aan Abraham was geopenbaard toen God hem riep naar een land, dat Hij hem wijzen zou, hem aldus lerende om te leven in voortdurende afhankelijkheid van Zijn leiding, en met het oog immer op Hem gericht.
II. Hier is een bemoedigende belofte, ja geheel een samenstel van beloften, vele zeer grote en dierbare beloften. Alle geboden Gods gaan vergezeld van beloften voor de gehoorzamen. Als Hij zich aan ons bekend maakt als een gebieder, dan maakt Hij zich ook bekend als een beloner, als wij het gebod gehoorzamen zal God niet nalaten de belofte te vervullen. Hier zijn zes beloften.
1. Ik zal u tot een groot volk maken. Toen God hem deed weggaan van zijn eigen volk, beloofde Hij hem tot het hoofd te maken van een ander volk. Hij sneed hem af van de wilde olijfboom, daar hij er geen tak van moest wezen, ten einde hem tot de wortel van de goede olijfboom te maken. Deze belofte was een grote verlichting van Abrams last want hij had nu geen kind. God weet Zijn gunsten te regelen naar de noden en behoeften van Zijn kinderen. Hij, die een pleister heeft voor elke wond, zal voor die wonde het eerst een pleister beschikken, welke het pijnlijkst is. Zij was ook een grote beproeving van Abrams geloof, want zijn vrouw is lang onvruchtbaar geweest, zodat indien hij gelooft, het moet wezen tegen hoop, en zijn geloof moet hij bouwen op die macht, welke "uit stenen Abraham kinderen kan verwekken," en hen tot een groot volk kan maken. God maakt volken, door Hem worden zij "op een enige reize geboren," Jesaja 66:8 en Hij spreekt om ze te bouwen en te planten, Jeremia 18:9. En zo een volk groot wordt gemaakt in rijkdom en macht, dan is het God die het groot maakt. God kan grote natiën verwekken uit een dorre aarde, en de kleinste tot duizend doen worden. 2. Ik zal u zegenen, hetzij in het bijzonder met de zegen van de vruchtbaarheid en vermenigvuldiging, zoals Hij Adam en Noach gezegend had, of in het algemeen: "Ik zal u zegenen met allerlei zegeningen. Verlaat uws vaders huis, en Ik zal u eens vaders zegen geven, beter dan die van uw voorvaderen." Gehoorzame gelovigen zullen voorzeker de zegen beërven.
3. Ik zal uw naam groot maken, door zijn land te verlaten, heeft hij aldaar zijn naam verloren. "Laat u dit niet verdrieten", zegt God, "maar vertrouw op mij, en Ik zal u een groter naam maken, dan gij ooit daar gehad kondet hebben." Geen kind hebbende, vreesde hij dat hij geen naam zou hebben, maar God zal hem tot een groot volk maken, en hem aldus ook een groten naam maken. God is de bron en oorsprong van de eer, en van Hem komt verhoging, 1 Samuël 2:8. De naam van gehoorzame gelovigen zal voorzeker groot gemaakt en beroemd worden. Het beste getuigenis is dat, hetwelk de ouden door geloof hebben verkregen, Hebreeën 11:12.
4. Gij zult een zegen zijn, dat is:
a. "Uw geluk zal een proeve of voorbeeld wezen van geluk, zodat zij, die hun vrienden willen zegenen, slechts zullen bidden, dat God hen gelijk zal maken aan Abraham", vergel. Ruth 4:11. Gods handelingen met gehoorzame gelovigen zijn zo vriendelijk en genadig, dat wij voor onszelf of voor onze vrienden geen betere behandeling behoeven te wensen, het is aldus zegen genoeg.
b. "Uw leven zal een zegen wezen voor de plaatsen, waar gij u ophoudt." Godvruchtige mensen zijn een zegen voor hun land, en het is hun een onuitsprekelijke eer en een groot voorrecht, dat zij aldus tot een zegen gemaakt worden.
5. Ik zal zegenen die u zegenen, en vloeken die u vloekt. Hierdoor werd het tot een soort van aanvallend en verdedigend verbond tussen God en Abram. Abram heeft van harte Gods zaak omhelsd, en hier belooft God belang te zullen stellen in de zijne.
a. Hij belooft een vriend te zullen zijn van zijn vrienden, vriendelijkheid, hem bewezen, te zullen beschouwen als Hem zelf te zijn bewezen, en haar dienovereenkomstig te belonen. God zal er voor zorgen, dat niemand er op de lange duur iets bij verliezen zal om Zijn volk van dienst te zijn, zelfs een beker koud water zal beloond worden.
b. Hij belooft tegen zijn vijanden te zullen optreden, er waren dezulken die zelfs Abram zelf haatten en vloekten maar terwijl hun vloek zonder oorzaak Abram niet kon deren, zal Gods rechtvaardige vloek hen gewis treffen en verdoen, Numeri 24:9. Dit is een goede reden, waarom wij hen behoren te zegenen, die ons vloeken, dat het genoeg is, dat God hen vloekt, Psalm 38:14-16.
6. In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. Deze belofte was de kroon van al de overige, want zij wijst op de Messias, in wie alle beloften ja en amen zijn. Jezus Christus is de grote zegen van de wereld, de grootste, waarmee deze wereld ooit gezegend is geworden, door Hem komt zegen tot het huis, Lukas 19:9. Als wij de zegeningen nagaan van ons gezin, onze familie, zo laat ons Christus in de imprimis-de eerste plaats stellen, als de zegen van de zegeningen. Maar hoe zijn alle geslachten van de aarde in Christus gezegend, als er toch zo velen vreemdelingen voor Hem zijn? Ik antwoord: a. Allen, die gezegend zijn, zijn in Hem gezegend, Handelingen 4:12.
b. Allen, die geloven, van welk geslacht zij ook zijn, zullen in Hem gezegend worden.
c. Sommigen van al de geslachten van de aarde zijn in Hem gezegend.
d. Er zijn sommige zegeningen, waarmee al de geslachten van de aarde in Christus gezegend zijn want de Evangeliezaligheid is een gemene zaligheid, Judas 1:3. :
Het is een grote eer om aan Christus verwant te zijn, dit maakte Abrams naam groot, dat de Messias uit Zijn lenden zou voortkomen, veel meer dan dat hij de vader van vele volken zou worden. Het was Abrams eer, dat hij naar de weg van de natuur Zijn vader zou wezen, het zal de onze zijn, om Zijn broederen te wezen door genade, Mattheus 12:50.