3. Mensenkind! deze mannen met allen wier vertegenwoordigers zij zijn, hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; 1) zij plegen openlijk en zonder enige bedenking hunner afgoderij; word Ik dan ernstelijk van hen, die zulk een hart tegen Mij hebben, gevraagd?2)
1) Op de gevangenen aan de wateren van den Chebar heeft de werkzaamheid van Ezechiël nu reeds indruk gemaakt; men erkent in hem enen Profeet des Heeren, ten minste van de zijde dergenen, die nog enigzins op godsvrucht gesteld zijn; men zou zich gaarne met hem verstaan, en niet zonder zijne toestemming zich aan het streven en verwachten overgeven, zo als dat toen bij het volk in Babylon, zowel als bij dat te Jeruzalem, algemeen was. Zo als het schijnt, zijn wij nu reeds in het 7de jaar sedert Jojachin's wegvoering, hoewel nog in de eerste maanden van dit jaar. De afval van koning Zedekia van den koning te Babel (2 Koningen 24:20), die na 2 jaren tot rijpheid kwam, werd nu reeds geplant, en wat volgens de openbare mening een gunstig gevolg beloofde, alsof het zeker was, overlegd en besproken. Wat men zich ten gunste zijner bedoelingen was maakte, blijkt uit hetgeen de Profeet later in 5 onderdelen van onze afdeling in den naam des Heeren bestraft. Nu hebben de oudsten aan de wateren van Chebar, die het reeds hebben erkend, dat er een Profeet onder hen was (Hoofdstuk 2:5), hier in deze mannen een deputatie naar Ezechiël gezonden, om de gronden, die zij voor hun politiek konden aanvoeren, hem ter beproeving voor te leggen, of die niet door het geloof in God en door vertrouwen op de Goddelijke belofte den volke aan de hand worden gegeven, in plaats dat zij, zo als hij zich tot hiertoe had geuit, door ongeloof en goddeloosheid zouden zijn ingegeven. Deze afgezanten der oudsten vertegenwoordigen alzo zeker uitwendig godvruchtige lieden, evenwel zijn zij inwendig niet met den Geest vervuld, maar met den wereld- en tijdgeest. Dat moet hen tot bewustzijn worden gebracht, en juist daarom worden de gedachten hunner harten bestraft en geoordeeld, ook zonder dat zij die hebben uitgesproken, en alsdan kunnen zij aanstonds opmerken, dat zij met Hem, die door des Profeten mond tot hen spreekt, met den Kenner des harten te doen hebben (vgl. 1 Koningen 14:6). Vooreerst is het reeds de bedoeling op zich zelf, waarmee zij zijn gekomen, welke de met Gods Geest vervulde Profeet hun openbaart, nog voordat zij daarover iets hebben laten horen. Zij hebben zich alleen voor hem nedergezet, en dat kon ook geschied zijn, even als in Hoofdstuk 8:1 #Eze 1 door de daar genoemde oudsten, om hem te zien en te beschouwen, of te horen welk woord des Heeren hij zou hebben te verkondigen; ja het nederzitten aan de voeten van enen leraar gaf veelmeer te kennen leergierigheid, dan lust om te vragen. Maar neen, zij zijn gekomen om in hem den Heere te vragen. Dat wordt hun voor alles voorgehouden, en nu grijpt tevens het aan Ezechiël voor hen opgedragen woord in hun harten, en schildert hun den toestand van deze als zodanig, dat op het hoofdpunt van hun vraag, of het dan werkelijk moest komen tot verwoesting van Jeruzalem en tot den ondergang van het rijk, en of er geen troostvoller en beter uitzicht voor de toekomst was te verkrijgen, de Heere hun geen antwoord doen zal, dan door de daad. Hij heeft juist in deze mensen een nog onbekeerd afgodisch gezind volk voor zich, en over de toekomst daarvan is in `t geheel niet meer te vragen, het gericht staat er reeds voor vast. Zij, die gekomen zijn met het doel om te vragen, worden hier (Vers 3) geschilderd als de zodanigen, die wel niet juist meer in grove afgoderij zijn verstrikt, maar toch gaat de begeerte des harten nog steeds van den waren God af tot de valse goden, en hun ogen zien naar den vorigen afgodendienst terug, even als eens het verlangen van Israël in de woestijn rugwaarts ging naar de vleespotten van Egypte. Zij zijn dus nog lang niet dezulken, van welke de Heere zou kunnen zeggen: "zij zijn Mijn volk, daarom wil Ik hun God zijn. Ik zal, gelijk Ik Mij door het hogepriesterlijke licht en recht daartoe heb verbonden (Exodus 28:30), op hun vragen, aan Mij gedaan, antwoorden; integendeel staan zij nog buiten de verbondsbetrekking met Hem, en nog in gemeenschap des harten met de vreemde goden, zodat zij ook als aan zich zelven overgelatene Heidenen moeten behandeld worden.
2) Beter: Zal Ik Mij van hen wel laten ondervragen? De Heere wil daarmee zeggen dat Hij Zich niet zal laten zoeken en vinden van hen, die de afgoden dienen en Hem hebben verlaten. De Heere God vraagt een onverdeeld hart. Hij laat Zich vinden door hen, die naar Hem vragen met hun ganse hart.