Richteren 1:1-8
I. De kinderen Israëls raadplegen het orakel Gods om te weten, welke van al de stammen het eerst zou pogen hun land te zuiveren van de Kanaänieten, en de overigen hiertoe aan te moedigen. Het was na de dood van Jozua. Zolang hij leefde bestuurde en leidde hij hen, en al de stammen waren hem gehoorzaam, maar toen hij stierf liet hij geen opvolger na in het gezag, dat hij gehad heeft. het volk moest de borstlap des gerichts raadplegen, en vandaar het woord van bevel ontvangen. want God zelf was, gelijk Hij hun Koning was, ook de Heere hunner heirscharen. De vraag, die zij doen, is: Wie zal onder ons het eerst optrekken? vers 1. Wij kunnen veronderstellen, dat zij toen zó vermenigvuldigd waren, dat de plaatsen, die zij in bezit hadden te eng voor hen begonnen te worden, en zij moeten de vijand uitdrijven om plaats te maken. Nu vragen zij, wie het eerst de wapens zal opvatten. Of iedere stam de eerzucht had om de eerste te zijn, en dus naar de eer er van streefde, of iedere stam bevreesd was om de eerste te moeten zijn, en er naar streefde om dit te vermijden, blijkt niet, maar met algemene instemming werd de zaak aan God in handen gesteld, die het geschiktst is, beide om eer te geven en om werk aan te wijzen.
II. God gebood dat Juda het eerst zou optrekken, en beloofde hem voorspoed, vers 2. "Ik heb dat land in zijn hand gegeven om het te bezitten, en daarom zal Ik de vijand in zijn hand geven, die hem buiten de bezitting houdt." En waarom moet Juda de eerste zijn in deze onderneming?
1. Juda was de talrijkste en machtigste stam en daarom moet Juda zich het eerst in het veld wagen. God wijst het werk aan naar de kracht die Hij heeft gegeven. Van de bekwaamsten wordt het meeste werk verwacht.
2. Juda was de eerste in waardigheid, en daarom moest hij de eerste zijn in plichtsbetrachting. Hij is het, "die zijn broederen moeten loven," en daarom is hij het, die vooraan moet gaan in het gevaar. De last van de eer en de last van het werk moeten tezamen gedragen worden.
3. Juda was het eerst van een erfdeel voorzien, het lot van Juda kwam het eerst uit, en daarom moet Juda het eerst ten strijde gaan.
4. Juda was de stam uit welke onze Heere zal voortkomen, zodat in Juda Christus, de leeuw uit de stam van Juda, hen voorging. Christus heeft het eerst de strijd met de machten van de duisternis aangebonden en hen verslagen, hetgeen ons bezielt en aanvuurt in onze strijd, en het is in Hem dat wij meer dan overwinnaars zijn.
Merk op: de dienst en de voorspoed gaan samen: "Juda zal optrekken, laat hem zijn plicht doen en dan zal hij bevinden, dat Ik het land in zijn hand heb overgegeven." Zijn dienst zal niet baten, tenzij God voorspoed geeft, maar God zal de voorspoed niet geven tenzij hij zich krachtdadig tot de dienst begeeft.
III. Hierop bereidt Juda zich om op te trekken, maar zoekt zijn broeder en nabuur, de stam van Simeon (wiens lot viel binnen het lot van Juda, van wiens erfdeel het hem toebeschikt was) aan, om zijn strijdmacht met hem te verenigen, vers 3.
Merk hier op: 1. Dat de sterksten de hulp niet moeten versmaden van de zwakkeren, maar begeren. Juda was de aanzienlijkste van al de stammen, en Simeon de minst aanzienlijke, en Juda vraagt om Simeons vriendschap, en verzoekt om zijn bijstand. Het hoofd kan tot de voet niet zeggen: ik heb u niet van node, want wij zijn elkanders leden.
2. Zij, die om hulp vragen, moeten bereid zijn hulp te verlenen. Trek met mij op in mijn lot, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Het betaamt Israëlieten elkaar bij te staan tegen Kanaänieten, en alle Christenen, zelfs die uit verschillende stammen, betaamt het elkaars handen te sterken tegen de gemene belangen van het rijk van Satan. Zij, die aldus elkaar in liefde helpen, hebben reden om te hopen, dat God genadiglijk hen beide zal helpen.
IV. De verbonden krijgsmachten van Juda en Simeon trekken te velde. Juda toog op, vers 4, en Simeon toog met hem op, vers 3. Waarschijnlijk heeft Kaleb als opperbevelhebber deze expeditie aangevoerd, immers, wie was daartoe zo geschikt als hij, die het hoofd had van een oud man en de hand van een jongen man, de ervaring van de ouderdom en de kracht van de jeugd! Jozua 14:10, 11. s Uit hetgeen volgt schijnt het ook, dat hij nog niet in het bezit was van hetgeen hem was toegewezen, vers 10, 11. Het was gelukkig voor hen, dat zij zo'n generaal hadden, die overeenkomstig zijn naam geheel hart was. Sommigen denken dat de Kanaänieten zich tot een geducht corps hadden verenigd, toen Israël de Heere vroeg, wie het eerst zou optrekken om tegen de Kanaänieten te krijgen, en dat zij begonnen waren zich te roeren, toen zij van de dood van Jozua hoorden, wiens naam zo'n schrik voor hen geweest was. Indien dit zo is, dan bewijst dit slechts, dat zij het tot hun eigen schade en nadeel gedaan hebben.
V. God gaf hun een grote overwinning. Hetzij dat zij de vijand aanvielen, of eerst door de vijand aangevallen werden: de Heere gaf hen in hun hand, vers 4. Hoewel het leger van Juda sterk en stoutmoedig was, de overwinning wordt aan God toegeschreven: Hij gaf de Kanaänieten in hun hand. Hun reeds volmacht gegeven hebbende om hen te verdelgen, geeft Hij er hun de macht toe om het te doen-Hij gaf hen over in hun macht en stelde aldus hun gehoorzaamheid op de proef aan Zijn gebod, hetwelk luidde, dat zij hen ten enenmale moesten uitroeien. Bisschop Patrick merkt hier op, dat wij geen zodanige Godsdienstige uitdrukkingen vinden bij de heidense schrijvers met betrekking tot de voorspoed van hun wapens zoals wij hier en elders in de gewijde geschiedenis aantreffen. Ik wenste wel dat zulke Godvruchtige erkenningen van de Goddelijke voorzienigheid heden niet in onbruik waren geraakt onder velen, die zich Christenen noemen.
1. Nu wordt ons hier gezegd dat het leger van de Kanaänieten volkomen verslagen werd in of nabij Bezek, de plaats, waar zij zich opgesteld hadden, en die later door Saul tot de algemene verzamelplaats was gemaakt, 1 Samuël 11:8. Zij doodden tien duizend man, welke slag, indien de oorlog nog verder met kracht werd voortgezet, wel grotelijks hen moest verzwakken, die al zoveel verliezen geleden hadden.
2. Hoe hun koning gevangen genomen en vernederd werd. Zijn naam was Adoni-Bezek, en betekent: heer van Bezek. Er waren dezulken, die `de landen noemden naar hun namen," Psalm 49:12, maar hier was een (en er is nog menig ander geweest) die zich noemde naar de naam van zijn lands. Na de slag werd hij gevangen genomen, en er wordt ons hier gezegd, hoe zij hem behandeld hebben: zij sneden de duimen af van zijn handen, om hem ongeschikt te maken voor de strijd, en van zijn voeten opdat hij niet instaat zou zijn weg te lopen vers 6. Het zou wreed geweest zijn aldus te triomferen over een mens in zijn ongeluk, en die zij in hun macht hadden, indien hij niet een aan de vloeken het verderf gewijde Kanaäniet was, en een, die op dezelfde wijze anderen mishandeld had, waarvan zij waarschijnlijk hebben gehoord. Josephus zegt: "Zij hieuwen zijn handen en voeten af", onderstellende waarschijnlijk dat dit dodelijker wonden veroorzaakte dan alleen het afsnijden van de duimen van zijn handen en voeten gedaan zou hebben. Maar deze smaad, die zij hem aandeden, ontwrong hem de erkentenis van Gods rechtvaardigheid, vers 7. Waar wij hebben op te merken:
a. Welk een voornaam persoon deze Adoni-Bezek geweest is, hoe groot op het slagveld, waar hij legers op de vlucht heeft geslagen, hoe groot in zijn land, waar koningen met de honden van zijn kudde gesteld werden, en toch is hij nu zelf een gevangene en tot het uiterste van ellende en versmaadheid gebracht. Zie hoe veranderlijk deze wereld is, en hoe glibberig haar hoge plaatsen zijn. Laat de hoogsten niet trots, en de sterksten niet gerust zijn, want zij weten niet naar welke diepte zij nog gebracht zullen worden eer zij sterven.
b. Welke verwoesting hij had aangericht onder zijn naburen, zeventig koningen had hij zo volkomen tenonder gebracht, dat zij zijn gevangenen waren. Wie de voornaamste persoon in een stad was, werd toen koning genoemd, en het grootse van hun titel was slechts een verzwaring van hun smaadheid en hun ongeluk, en voedde de hoogmoed van hem, die hen bespotte en hoonde. Wij kunnen niet onderstellen dat Adoni-Bezek zeventig van die onbeduidende vorsten tegelijk tot zijn slaven had, maar in de loop van zijn regering had hij er zovelen onttroond en mishandeld, van wie velen misschien koningen waren van dezelfde steden, die hem achtereenvolgens tegenstonden, en die hij aldus behandelde om aan zijn eigen heerszuchtige en wrede luimen te voldoen, en ook ter verschrikking van anderen. Het schijnt dat de Kanaänieten door bloedige burgeroorlogen tot verval en verwoesting zijn gekomen, waardoor Israëls overwinningen over hen zeer vergemakkelijkt werden. "Juda", zegt Dr. Lightfoot, "heeft in zijn overwinning over Adoni-Bezek in werkelijkheid zeventig koningen overwonnen.
c. Hoe rechtvaardiglijk hij behandeld was, zoals hij anderen had behandeld. Zo doet de rechtvaardige God soms door Zijn voorzienigheid de straf beantwoorden aan de zonde, en neemt gelijkheid waar in Zijn oordelen, de verwoester behoort verwoest te worden, en wie trouwelooslijk handelt met die zal trouwelooslijk gehandeld worden, Jesaja 33:1. en een onbarmhartig oordeel zal gaan over hem die geen barmhartigheid gedaan heeft, Jakobus 2:13. Zie Openbaring 13:10 18.
d. Hoe eerlijk hij de rechtvaardigheid Gods hierin erkende. Gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft God mij vergolden. Zie de macht van het geweten, als God het door Zijn oordelen wakker schudt, hoe het dan zonde in herinnering brengt, en de rechtvaardigheid Gods onderschrijft. Hij, die in zijn hoogmoed God heeft getart, onderwerpt zich nu aan Hem, en denkt nu met evenveel leedwezen aan de koningen onder zijn tafel, als hij hen ooit met vermaak heeft beschouwd, toen hij hen daar had. Hij schijnt te erkennen dat hij beter behandeld werd, dan hij zijn gevangenen heeft behandeld, want hoewel de Israëlieten hem verminkten (overeenkomstig de wet van de wedervergelding: oog om oog, en dus ook duim om duim) hebben zij hem toch niet onder de tafel gezet, om daar met kruimkens gevoed te worden, omdat wel het andere als een daad van gerechtigheid kon beschouwd worden, maar dit meer naar hoogmoed zou hebben geroken, dan aan de Israëlieten betaamde.
Vl. Er wordt bijzonder nota genomen van de verovering van Jeruzalem. Onze overzetters van de Bijbel stellen het voor als hier gesproken van die zaak, maar die vroeger, reeds in de tijd van Jozua gedaan was, en slechts verhaald wordt bij gelegenheid van Adoni-Bezeks sterven aldaar, weshalve zij de lezing geven: "de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden", en van dit vers als het ware een tussenzin maken. Maar het oorspronkelijke stelt het voor als iets dat nu gedaan was, en dat is ook het waarschijnlijkst, omdat het gezegd wordt inzonderheid door de kinderen van Juda gedaan te zijn, niet door geheel Israël in het algemeen, over hetwelk Jozua het bevel had gevoerd. Jozua heeft wel Adoni-Zedek, koning van Jeruzalem, verslagen en gedood, Jozua 10, maar wij lezen daar niet dat hij de stad heeft ingenomen. Waarschijnlijk heeft nu deze Adoni-Bezek, een naburig vorst, terwijl Jozua zijn veroveringen elders voortzette, er bezit van gekregen en toen nu Juda hem in het veld had verslagen, viel ook de stad in hun handen, en zij doodden de inwoners, behalve degenen, die zich in het kasteel of de sterkte hadden teruggetrokken, en van toen aan heeft de bezetting daar stand gehouden tot aan de tijd van David. En zij hadden de stad in het vuur gezet, ten teken van hun verfoeiing van de afgoderij, waarmee zij geheel besmet was, maar waarschijnlijk toch niet zo volkomen, dat zij geheel verbrand werd, maar er gerieflijke woningen in overbleven voor zovelen als er bezit van konden nemen.