23. Zo zullen zij u op droevige wijze vertroosten, als gij hunnen weg en hun handelingen, hun lot vanwege hun goddeloosheid zien zult; en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar, in Jeruzalem, gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.
Eerst wordt in Vers 12-20 een zin uitgesproken, die nog algemeen en onbepaald klinkt. Wanneer ergens een land zich zo tegen God verzondigde, dat Hij de straf der verdelging daarop moest toepassen, zo zou het zulk een land niets baten, al waren ook enkele rechtvaardigen als Noach, Daniël en Job daarin. Zulke rechtvaardigen zouden dan wel voor hun persoon om hun gerechtigheid verschoond blijven, maar hun gerechtigheid zou niet de macht hebben om ook andere zielen van het oordeel te redden, zelfs niet die hunner zonen en dochteren. Deze gedachte wordt vier malen herhaald, terwijl na elkaar vier verschillende straffen der vernietiging, honger, boze dieren, zwaard en pest genoemd worden, als komende over een zondig land en dat verwoestende (vgl. Jeremia 14, 15).
Overzien wij de vier opgenoemde gevallen, zo blijkt in de uitspraken over de redding der rechtvaardigen het onderscheid. In het eerste geval wordt alleen gezegd, dat Noach, Daniël en Job door hun gerechtigheid hun ziel, d. i. hun leven zouden redden; bij de drie volgende gevallen heet het daarentegen, zij zouden, zo waarlijk de Heere leeft, noch zonen noch dochters redden, maar zij alleen zouden gered worden. Dit onderscheid is niet slechts rhetorische opklimming der rede door bevestiging en tegenstelling, maar wijst op een verschil van gedachte. Het eerste geval moet alleen leren, dat de vromen bij het invallend gericht hun leven zullen redden, dat God de vromen niet met de goddelozen zal wegnemen. Daarentegen moeten de drie volgende gevallen de waarheid voorstellen, dat de rechtvaardigheid der vromen den afgodendienaars en afvalligen niet zal baten, daar zelfs toonbeelden van gerechtigheid, als Noach, Daniël en Job alleen hun eigen leven kunnen redden, maar gene andere zielen kunnen behouden. Daarmee hangt ook zamen, dat de plechtige verzekering in Vers 14 ontbreekt. Het eerste woord, dat God bij de gerichten de vromen zal redden, behoefde gene verzekering, omdat deze waarheid niet in twijfel werd getrokken, maar wel het woord, dat de gerechtigheid der vromen aan het zondige gene redding zal geven, omdat de goddelozen deze hoop hadden, die hun echter zou worden ontnomen. Daniël wordt met opzet in het midden der beide personen uit den vroegeren tijd geplaatst, om hem te verheerlijken, als het ware te kanoniseren, even als hij in Hoofdstuk 28:3 bij ene schijnbaar ongezochte gelegenheid als het toppunt van menselijke wijsheid voorkomt, om zijn voorrang in dit opzicht in de gemeente Gods te doen erkennen. Waarop het hier aan komt, toont de eigenaardigheid dergenen, door welke hij van beide zijden is ingesloten (Genesis 6:9 en Job 1:1). Het is de gerechtigheid en het wandelen met God, die misschien een gericht zouden kunnen tegenhouden, hetwelk om de goddeloosheid en gerechtigheid komen zou, zo als dan ook in Genesis 18 de rechtvaardigen, die in Sodom mochten wezen, het zijn, die Abraham bedenkingen doen maken ten opzichte van de vernietiging, die besloten was. De vier bezoekingen Gods, welke elk met een "ofschoon" worden ingeleid, zouden werkelijk, zo als reeds dikwijls is voorzegd, verenigd over het ontaarde verbondsvolk, over het ontheiligde land des Heeren komen. De Profeet behandelt echter eerst de zaak in `t algemeen, afziende van de bestaande omstandigheden, opdat de gewaarwording door het zien dier laatste teweeg gebracht, zich niet dadelijk verstorend zou inmengen. De overgang van hetgeen slechts gezegd is tot de werkelijkheid volgt in Vers 21; het "want" aan het begin wijst op den grond der zo even gegeven verklaring, toont, dat Jeruzalem niet meer ene gewone plaats is.
Het viertal bij de in Vers 21 genoemde gerichten is opmerkelijk, om de universaliteit van het gericht of de gedachte, dat het naar alle zijden of geheel en al over Jeruzalem zal komen, te symboliseren. Daarbij moet nog worden opgemerkt, dat Jeruzalem het rijk van Juda of het gehele Israël, dat zich nog in Kanaän bevindt, vertegenwoordigt.
De rede van den Profeet neemt in Vers 23, ene verrassende wending; zouden die vier straffen over Jeruzalem komen, er zouden enige zonen en dochteren verschoond blijven-maar opdat zij, als getuigen tot de verbannenen naar Babel zouden worden gevoerd, opdat deze uit hunnen weg en wandel de droevige vertroosting zouden ontvangen, dat de Heere niet te vergeefs ene zo harde straf over Zijne stad had besloten.
Zij zullen ontkomen, ontlopen, niet omdat zij onschuldig zijn, ook niet omdat zij om de gerechtigheid en om de voorbede van anderen worden gespaard, maar opdat de ontvluchten met hun gezinnen door hunnen kwaden wandel u overtuigen, dat God Zich niet te gestreng jegens Zijn volk heeft getoond. Het doel, waarom zij worden gespaard, is dus geen ander dan om Gods rechtvaardigheid te doen blijken voor het oog der Joden in Chaldea. Daarom maakte ook werkelijk de eerste verschijning der vluchtelingen uit Juda te Tel-Abib, dat Ezechiëls aanzien steeg (vgl. Exodus 14:26, 27, 33:21, 22). Die troost bestond (volgens Vers 21) daarin, dat zij inzagen, dat God niet zonder reden een zo zwaar gericht over Jeruzalem had doen komen. Tegen ene volmaakt rechtvaardige straf heeft niemand iets in te brengen, al is die nog zo zwaar, al lokt die nog zoveel medelijden uit.
Gods gerechtigheid blijkt zowel in degenen, die omkomen als door degenen, die ontkomen, duidelijk.