Ezechiël 14:12-23
De bedoeling van deze verzen is, aan te tonen,
I. Dat nationale zonden nationale oordelen ten gevolge hebben. Als de deugd verdorven en vernietigd is, dan zal spoedig ook al het andere verdorven en vernietigd zijn, vers 18 :Als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, als ondeugd en goddeloosheid epidemisch worden, als een land zondigt, zwaarlijk overtredende, als de zondaars zeer talrijk en hun zonden zeer snood geworden zijn, als grove ongerechtigheid en onzedelijkheid de overhand krijgt, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, om het te straffen. De goddelijke macht zal krachtig en openlijk uitgeoefend worden, de oordelen zullen uitgestrekt en uitgebreid worden tot alle hoeken van het land, tot alle belangen en goederen van het volk. Zware zonden brengen zware plagen.
II. Dat God velerlei smartelijke oordelen heeft om zondige volken te straffen, die alle tot Zijn beschikking staan en, die Hij zendt, als het Hem behaagt. Weliswaar gaf Hij David de keus, met welk oordeel hij gestraft wilde worden voor de zonde van de volkstelling, want elk daarvan was geschikt om het doel te bereiken, namelijk het aantal, waar hij zo trots op was, te doen verminderen, maar inderdaad liet David het weer aan God over: "Laat ons toch in de hand des Heeren vallen: laat Hij de roede kiezen, waarmee wij gekastijd zullen worden." Maar Hij gebruikt velerlei oordelen, opdat blijken zal, dat Zijn heerschappij algemeen is, en dat wij in al onze handelingen onze afhankelijkheid van Hem mogen zien. "Vier boze gerichten worden hier met name genoemd."
1. Honger, vers 13. De weigering en onthouding van gewone gunsten is op zich zelf al oordeel genoeg, meer is niet nodig om een volk rampzalig te maken. God behoeft de staf van de onderdrukking niet te brengen, als Hij de staf des broods slechts breekt, dan is het werk spoedig gedaan, Hij roeit mensen en beesten uit, door hun de levensmiddelen te onthouden, die de natuur beide verschaft door de jaarlijkse voortbrengselen van de aarde. "God breekt de staf des broods, al hebben wij brood, wanneer wij er niet door gevoed en versterk worden". Hagg. 1:6 :Gij eet, maar niet tot verzadiging.
2. Boos gedierte, onaangenaam en schadelijk, vergiftig of vraatzuchtig. God kan deze door het land doen gaan, vers 15, om zich in alle delen daarvan te vermenigvuldigen, en het te beroven, niet alleen van het tamme vee, daar ze schapen en runderen verslinden, maar ook van zijn inwoners, daar ze mannen, vrouwen en kinderen doden, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte, niemand durft zelfs op de hoofdwegen te reizen, uit vrees om in stukken gescheurd te worden door leeuwen of andere roofdieren, zoals de kinderen van Beth-El door twee beren. Als de mensen van hun gehoorzaamheid aan God afvallen, en tegen Hem rebelleren, is het rechtvaardig van God, dat de lagere schepselen gewapend tegen hen opstaan,
3. Oorlog. Dikwijls kastijdt God zondige volken door een zwaard over hen te brengen, het zwaard van een vreemde vijand, en Hij geeft het een opdracht en bevelen tot strafoefening, vers 17. Hij zegt: Zwaard, ga door het land. Het is al erg genoeg als het zwaard slechts tot de grenzen van het land doordringt, maar nog veel erger, als het de ingewanden van het land doorboort. Daardoor roeit God mensen en beesten uit, de ruiters en die te voet gaan. Wat het zwaard doet, dat doet God door middel daarvan, want het is Zijn zwaard, en het handelt naar Zijn bevel. 4. Pestilentie, vers 19, een vreselijke ziekte, die soms hele steden ontvolkt heeft, daardoor stort God Zijn grimmigheid met bloed (dat is: met de dood) uit, de pestilentie doodt even goed, alsof het zwaard dat bloed vergoot, want het is vergiftigd door de ziekte. Zie, hoe ellendig het lot des mensen is, die aan de dood in allerlei gedaante is blootgesteld. Zie hoe gevaarlijk de toestand van de zondaars is, tegen wie God zoveel strijdmiddelen heeft, zodat, al ontsnappen zij aan het een oordeel, God nog andere voor hen gereed heeft.
III. Dat, als Gods gelovig Volk van Hem afvalt, en tegen Hem rebelleert, zij naar recht kunnen verwachten, dat een vermenging van oordelen op hen vallen zal. God heeft verschillende manieren om met een zondig volk te twisten, maar, als Jeruzalem, de heilige stad, tot een hoer geworden is, dan zal God Zijn boze gerichten alle vier tot hen zenden, vers 21, want hoe dichter iemand bij God staat in naam en belijdenis, zoveel strenger zal Hij met hem afrekenen, als hij de waardigheid van die naam, waarmee hij genoemd wordt, smaadheid aandoet en zijn belijdenis tot een leugen maakt. Hij zal zevenvoudig gestraft worden.
IV. Dat er, zelfs op die plaatsen, die door de zonde voor het verderf gerijpt zijn, enkele zeer goede mensen kunnen zijn, en gewoonlijk ook zijn. Het is geen vreemde veronderstelling, dat zelf in een land, dat zwaarlijk overtreden heeft, er drie mannen kunnen zijn als Noach Daniël en Job. Daniël was in leven, en had op dat tijdstip nauwelijks de aanvang van zijn grootheid bereikt, maar hij was reeds beroemd (ten minste, dit woord van God zou hem dat onfeilbaar maken), toch werd hij reeds de eerste maal in gevangenschap gevoerd Daniël 1:6. Sommigen van de beter gezinde lieden te Jeruzalem dachten misschien wel, dat, als Daniël (van wiens roem aan het hof van de koning van Babel zij veel gehoord hadden) slechts te Jeruzalem gebleven ware het om zijnentwil gespaard zou zijn, zoals de tovenaars te Babel. "Neen", zegt God, "al hadt gij hem, die evenzeer uitmuntte in slechte tijden en op slechte plaatsen als Noach in de oude wereld en Job in het land van Uz, toch zou geen uitstel verleend worden". Op de meest verdorven plaatsen en in de meest ontaarde tijden is er een overblijfsel, "dat God Zich bewaart, en dat nog vasthoudt aan zijn oprechtigheid en de eer zijns lands ophoudt en het bevrijdt, zoals die zuiver is van handen, doet", Job 22:30.
V. Dat God dikwijls zeer goddeloze plaatsen spaart om van de wille van enige godzalige lieden aldaar. Dat is hier bedoeld, als de verwachting van Jeruzalems vrienden, ten dage van zijn ellende: "Zeker zal God Zijn twist met ons staken, want zijn er niet sommigen onder ons, die de maat van de volksschuld ledigen door hun gebeden, zoals anderen die vullen door hun zonden? "En, eer God de rechtvaardige met de goddeloze zal ombrengen, zal Hij de goddeloze met de rechtvaardige sparen". Als Sodom gespaard kan worden om tien rechtvaardigen, dan zal Jeruzalem dat toch zeker."
Vl. Dat, zo iemand, zulke mannen als Noach, Daniël en Job, er in zullen slagen de toorn Gods van een zondig volk af te wenden. Noach was een godvrezend man en behield zijn oprechtheid, toen alle vlees zijn weg verdorven had, en om zijnentwil werd zijn familie, hoewel één van hen goddeloos was, (namelijk Cham) in de ark behouden. Job was een groot voorbeeld van vroomheid, en machtig in het gebed voor zijn kinderen, voor zijn vrienden, en God wendde zijn gevangenis op zijn gebed. Dat waren zeer oude voorbeelden, voor Mozes, die grote middelaar, en daarom vermeldt God hen, om te verstaan te geven, dat Hij zeer bijzondere gunstelingen had, lang voor de Joodse natie gevormd of gegrondvest was, en ze ook zou hebben, als die ten ondergegaan was, om welke reden, naar het schijnt, die namen gebruikt werden, in plaats van Mozes, Aäron, of Samuël, en toch, opdat niemand zou denken, dat God partijdig was ten gunste van de oude tijd, is hier een modern voorbeeld, en een levend, tussen die beide geplaatst, die de roem van de oudheid waren, en dat een gevangene, met name Daniël, om ons te leren de nuttige goede mensen van de tegenwoordige tijd niet omlaag te halen, door de ouden overdreven groot te maken. De kinderen van de gevangenschap moeten weten, dat Daniël, hun nabuur en deelgenoot in de verdrukking, een man van grote nederigheid, vroomheid en ijver voor God is, aanhoudende in vurig gebed, en evenveel invloed in de hemel heeft, als Noach of Job had. Waarom zou God nu geen even grote en goede mannen kunnen verwekken als Hij vroeger deed en niet evenveel ter wille van hen doen?
VII. Dat, als de zonde van een volk zijn toppunt bereikt heeft, en het besluit om hen te verderven, uitgevaardigd is, de vroomheid en de gebeden van de beste mensen de twist niet zullen kunnen doen ophouden. Dit wordt hier telkens weer verzekerd, dat, ofschoon die drie mannen in deze tijd te Jeruzalem waren, zij toch zonen noch dochteren zouden bevrijden, zelfs de kleine kinderen zouden om hunnentwil niet gespaard worden, zoals die van Israël op `t gebed van Mozes, Numeri 14:31. Neen, het land zal woest worden, en God zou hun gebeden niet horen, "al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht," Jeremia 15:1. Misbruikt geduld zal tenslotte in onverbiddelijke gramschap verkeren, en het schijnt wel, alsof God onverbiddelijker zou zijn in Jeruzalems geval dan in dat van een ander, vers 6, omdat het, behalve het goddelijk geduld, groter voorrechten had genoten dan enig ander volk, die even zoveel verzwaringen van hun zonde waren.
VIII. Dat, al mogen vrome bidders niet in staat zijn anderen te verlossen, zij toch door hun gerechtigheid hun ziel bevrijden zullen zodat, hoewel zij lijden mogen door de gemeenschappelijke ramp, voor hen het karakter er van, veranderd wordt, voor hen is zij niet, wat zij voor de goddelozen is, de boog is ontspannen, en de pijl treft hen niet, zij worden er door geheiligd, en zo komt de ramp hun ten goede. "Soms worden hun zielen op merkwaardige wijze bevrijd, en hun tot een roof gegeven, hun ziele (hun geestelijke belangen) is ten minste veilig". Als hun lichaam niet bevrijd wordt, dan toch hun ziel. Goed doet weliswaar geen nut ten dage van de verbolgenheid, maar de gerechtigheid redt van de dood, van zo groot een dood, zoveel doden als waarmee hier gedreigd wordt. Dit behoort ons aan te moedigen, aan onze oprechtheid in tijden van algemenen afval vast te houden, opdat zij, zodoende, verborgen mogen zijn ten dage van Gods verbolgenheid.
IX. Dat, zelfs wanneer God de grootste verwoestingen aanricht door Zijn oordelen, Hij sommigen behoudt als gedenktekenen van Zijn barmhartigheid, vers 22, 23. In Jeruzalem zelf, dat getekend is voor een volkomen ondergang, zal toch een overblijfsel gelaten worden, dat niet zal worden afgesneden door een van deze boze gerichten, maar in gevangenschap gevoerd, beiden zonen en dochteren, die het zaad zullen zijn van een nieuw geslacht. De jongeren, die niet opgegroeid waren tot zo'n hardnekkigheid in de zonde, als hun vaders, die daarom als ongeneeslijk afgesneden waren, deze zullen uitgevoerd worden uit de puinhopen van Jeruzalem, door de overwinnende vijand, en zie zij zullen uitkomen tot ulieden, die in gevangenschap zijt, zij zullen van de nood een deugd maken, en te bereidwilliger naar Babel komen omdat zovelen van hun vrienden voor hen daarheen gegaan zijn en gereed zijn hen daar te ontvangen, en, als zij komen, zult gij hun weg, en hun handelingen zien gij zult hen een openhartige en oprechte belijdenis horen afleggen van de zonden, waaraan zij vroeger schuldig waren, en een nederige betuiging van berouw over die zonden, met beloften van verbetering, en gij zult voorbeelden van hun verbetering zien, gij zult zien hoe hun beproeving hun ten goede is gekomen, en hoe wijs en geduldig zij er zich onder gedragen. Hun ontkoming ternauwernood zal een goede uitwerking op hen hebben, het zal hun karakter en wandel veranderen, en nieuwe mensen van hen maken. 1. En dat zal strekken tot voldoening van hun broederen: "Zij zullen u vertroosten, als gij hun weg zien zult. Het is een verkwikkend gezicht, te zien, hoe de mensen als zij gekastijd worden, berouw hebben en zich vernederen, God rechtvaardigen en de straf voor hun ongerechtigheid dragen. Als wij smart hebben (zoals past) over de beproevingen van anderen, dan is het een grote troost voor ons in onze smart te zien, hoe de beproevingen hen verbeteren en hun ten goede komen. Als die gevangenen hun vrienden vertelden, hoe slecht zij geweest waren, en hoe rechtvaardig God was, dat Hij deze oordelen over hen bracht, dan deed hen dat berusten, en hielp om hen te verzoenen met de rampen van Jeruzalem, met de rechtvaardigheid van God in de bestraffing van Zijn volk, en met de goedheid van God, die nu bleek met dat alles vriendelijke bedoelingen te hebben gehad, en aldus "zult gij vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, en als gij een beter begrip van de dingen hebt, zult gij het niet zo ontzettend meer vinden, als gij gedaan hebt." Als onze beproevingen iets goeds voor ons bewerkt hebben, dan zijn wij schuldig onze broederen te vertroosten door ze dat te doen weten.
2. Het zal strekken tot Gods eer: "Gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb niet zonder er toe getergd te zijn, en toch niet zonder genadige bedoelingen, al wat Ik in haar gedaan heb". Als de beproeving haar werk heeft gedaan en voltooid hetgeen, waarvoor zij gezonden werd, dan zal blijken, dat het Gods wijsheid en goedheid zijn, die ze gezonden hebben, en dat God er niet alleen in gerechtvaardigd, maar ook in verheerlijkt zal worden.