11. Opdat het huis Israëls niet meer van achter Mij afdwale, en zij, die tot dat huis behoren, zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot enen God zijn, spreekt de HEERE (
Hoofdstuk 11:20).
De verleiding of het bedrog, waarvan in Vers 9 sprake is, gaat oorspronkelijk uit van de inwonende zonde (Jakobus 1:14); anders kon zij geen voorwerp van straf zijn; maar God heeft bij de ontwikkeling der zonde gene passieve rol (2 Samuël 24:1). Hij weet de zaak overal zo te leiden, dat de zonde tot hare volkomene ontwikkeling en rijpheid komt en de straf met zich voert. Hij zorgt er voor, dat geen stilstand kan plaats hebben, geen standhouden op een middentrap; Hij maakt de gelegenheden en ruimt de hinderpalen weg. Er is nauwelijks ene in `t oog vallende zonde, bij welke niet op ontzettende wijze de werkzaamheid Gods ons zichtbaar zal zijn. Zulke ellendige mensen nu, die zelf onder Gods beschikking staan, door Hem geleid worden, waarheen zij niet willen en het oordeel te gemoet snellen, kunnen onmogelijk een staf aan anderen geven. Wie deze als autoriteit tegen de ware Profeten wil aanvoegen, of op grond van hun woorden aan deze eisen wil stellen, die zij toch nooit kunnen vervullen, is een dwaas.
De plaats moet verklaard worden volgens 1 Koningen 22:20, waar het overreden de zaak van een leugengeest is, die Achabs Profeten inspireerde om den koning zegen te verkondigen, opdat hij zou vallen. Even als daar Jehova dezen geest heeft gezonden, dien in de mond der Profeten gegeven heeft, zo is ook hier het overreden ene werking van God, niet alleen van Goddelijke toelating, maar van Goddelijke beschikking en leiding, die toch de menselijke vrijheid niet opheft, maar even als elk overreden, de mogelijkheid veronderstelt van het zich niet laten overreden. Dit zich laten overreden tot eigendunkelijke, door God niet ingegevene uitspraken geschiedt alleen bij zulke personen, die den boze in zich plaats geven, om ze te verzoeken en tot beslissing te brengen, of zij de zondige neigingen van hun binnenste trachten te bestrijden en te overwinnen, of ze tot daad te laten worden, opdat zij in het laatste geval rijp worden voor het gericht. In dezen zin laat God zulk enen Profeet bedrogen worden, opdat Hij hem dan uit Zijn volk zou kunnen uitroeien. Deze straf zal echter den Profeet niet alleen treffen, maar ook die hem zoeken of vragen, om Israël zo mogelijk van zijne dwaalwegen terug te brengen, en te maken tot een van zonde gereinigd volk van God. Tot dat doel liet God in de laatste tijden van het rijk van Juda de valse profetie krachtig optreden, om het proces der scheiding tussen de vromen en de goddelozen te bespoedigen, en door het gericht, dat de goddelozen verdelgt. Zijn volk te louteren en tot het doel zijner roeping te leiden.