Ezechiël 13:17-23
Gelijk God beloofd heeft, dat, wanneer Hij Zijn Geest zou uitgieten, beide hun zonen en dochters zouden profeteren, zo maakt ook de duivel, wanneer hij als een leugengeest valsheid leest, niet alleen gebruik van valse profeten, maar ook van valse profetessen, en deze laatsten zijn het, tegen wie de profetie van Ezechiël nu gericht is. Zij zijn namelijk niet zulke onbeduidende vijandinnen van Gods waarheid, dat men van haar geen notitie zou nemen, of om de zwakheid van haar geslacht, haar zou verontschuldigen, of haar, uit de eerbied, aan haar sexe verschuldigd, van de verwijten en bedreigingen van Gods Woord verschonen. Neen, gij mensenkind, zet uw aangezicht tegen de dochteren uws volks, vers 17. God schept geen behagen in het feit, dat zij Zijn volk zijn. Zij zijn uw volk, Exodus 32:7. Die vrouwen beweerden, een geest van de profetie te hebben, en stemden in met het lied van de valse profeten, gelijk die van Achab: "Trek op, en gij zult voorspoedig zijn. Ook die vrouwen profeteerden uit haar eigen hart, zij zeiden wat haar voor de mond kwam en waarvan zij niets wisten". Daarom: "profeteer tegen haar uit Gods eigen mond". De profeet moet zijn aangezicht tegen haar zetten, en zien, of ze hem in de ogen kunnen kijken en haar eigen woord gestand doen. Zie, wanneer zondaars onbeschaamd worden, is het tijd voor die berispen, om onbevreesd te zijn. Let nu hier op,
I. Hoe de zonde van deze valse profetessen beschreven wordt, in welke bijzonderheden.
1. Zij spraken opzettelijke leugens tot degenen, die haar om raad kwamen vragen en de toekomst wilden voorspeld hebben: Gij doet kwaad door uw liegen tot Mijn volk, dat de leugen hoort, vers 19. Zij komen om de waarheid te vernemen, maar gij spreekt leugens, en omdat gij ze in hun zonden stijft, horen zij u gaarne. Zie het staat slecht met een volk, dat liever vleiende leugens dan onaangename waarheden hoort, en het is een verzoeking voor hen, die gaarne met leugentaal misleiden, zo zij mensen vinden, gewillig om naar hen te luisteren, en zich dan verontschuldigen met te zeggen: "Si populus vult dicipi, decipiatur, Zo het volk bedrogen wil worden, dat het bedrogen worde."
2. Zij ontheiligden Gods naam door de bewering, dat zij die leugens van Hem hadden ontvangen, vers 19. Zij ontheiligen Mij bij Mijn volk, en misbruiken Mijn Naam om haar leugens ingang te verschaffen en ze te doen geloven. Zie, zij ontheiligen Gods naam ten zeerste, die er gebruik van maken om er hun valsheid en goddeloosheid mee goed te praten. Dat deden zij voor een handvol gerst en voor stukken brood. Zij deden het om gewin, zij vroegen niet, welke oneer zij daardoor over Gods naam brachten, als zij er maar bij profiteerden. Er is niets zo heilig, dat mensen, wie het alleen om vuil gewin te doen is, in wie de liefde van de wereld heerst, niet ontheiligen of bezoedelen, wanneer zij er maar geld uit kunnen kloppen. Zij deden het evenwel slechte om een armoedig gewin, als zij niet meer konden krijgen liever dan waarheid te spreken, verkochten zij u een valse profetie om u te behagen, voor een bedelaarsgift, voor een stuk brood of een handvol gerst, en zelfs die beloning was nog te veel. Hadden zij dat als een aalmoes om Gods wil gevraagd, zij zouden het gewis gekregen hebben, en God zou geëerd zijn. Maar nu zij het nemen als loon voor een valse profetie, werd Gods naam gesmaad, en de onbeduidendheid van de beloning vermeerdert die smaad. "Een man zal om een stuk brood overtreden" Spreuken 28:21. Had haar armoede haar verleid om te stelen en dus de naam des Heeren aan te tasten, het zou lang zo erg niet geweest zijn als in Zijn naam leugenachtige woorden te spreken. 3. Zij hielden het volk in bedwang en verschrikten het met haar beweringen: "Gij jaagt de zielen van Mijn volk, vers 18, gij jaagt ze naar de bloemhoven, vers 20. Gij gebruikt allerlei kunsten om ze te vleien en naar zulke plaatsen te lokken, waar gij uw gewaande voorzeggingen aan hen kwijt kunt raken. waar gij zulk een invloed op hen verkrijgt, dat zij juist doen wat gij verkiest en gij de tiran over hen speelt." Het was inderdaad de schuld des volks, dat het naar die vrouwen luisterde, maar het was haar schuld dat zij die luisteraars door leugen en valsheid gewillig maakten, zij beweerden, de zielen in het leven te behouden, vers 18. Indien zij maar naar haar wilden horen en haar betaalden dan waren zij zeker van hun ziel, zo verschalkten zij onvaste zielen, die naar zaligheid zochten en de weg daarheen slecht kenden en daarom gretig naar die bedriegsters luisterden, die zo vertrouwelijk en veel belovend met hen spraken. Maar zult gij beweren, zielen te redden, of wie naar u luisteren, zalig te maken? Terecht verdenkt men dezulken, die dat beweren.
4. Zij ontmoedigden degenen, die eerlijk en goed waren, en bemoedigden allen, die goddeloos en slecht waren: Gij doodt de zielen, die niet zouden sterven, en behoudt de zielen in het leven, die niet zouden leven, vers 19. Vers 22 geeft daarvan deze verklaring: Gij hebt het hart des rechtvaardigen door valsheid bedroefd gemaakt, daar Ik hun geen smart heb aangedaan, omdat hij uw beweringen niet durfde, niet kon tegenstaan, gij dondert tegen hen met oordelen Gods, tot zijn grote droefheid en ontsteltenis. Gij hebt zijn goede naam te schande en hem bij het volk gehaat en veracht gemaakt, gij beweert, dat in Gods naam te doen, waardoor hij menigmaal bedroefd heenging. In plaats daarvan moest gij, naar Gods wil, getroost en in zijn godvruchtig streven aangemoedigd hebben. Maar aan de anderen kant, en dat is veel erger, hebt gij de handen van de goddelozen gesterkt en hem stout gemaakt om in zijn weg van goddeloosheid te volharden, zodat hij nog verder afweek van de goede weg, waarheen de ware profeten hem met grote ernst terugriepen. "Gij hebt zondaars het leven beloofd op hun zondige wegen, hebt hun wijsgemaakt, dat zij vrede zouden genieten al gingen ze daarmee voort, waardoor hun handen gesterkt zijn en hun hart verhard is. Sommigen houden het er voor, dat dit ziet op degenen, die reeds in ballingschap verkeerden (die door de ellende verootmoedigd, maar wier harten nu beproefd waren), en op de aanmoediging dergenen, die zich tegen de koning van Babel verzetten en in hun goddeloosheid volhardden, wier handen gesterkt worden. Of daarop, dat zij, door hun ontheiligen van Gods naam, de harten van de goeden hadden beproefd, die het Woord Gods eerden er op prijs stelden, en godloochenaars en ongelovigen in hun verachting van de goddelijke openbaring bevestigden en hun argumenten ertegen in de hand gaven. Zie, zij hebben heel wat te verantwoorden, die de geesten van de godvruchtigen bedroeven en hun handen slap maken, en de boze lusten van de zondaars bevredigen en hen tot opstand tegen God en godsdienst aansporen. Niets kan ook de handen van de zondaars meer sterken dan hun te zeggen, dat zij in hun zonden kunnen zalig worden zonder berouw, of dat berouw genoeg is zonder bekering van hun boze wegen.
5. Zij aapten de ware profeten na door tekenen, die haar valse profetieën moesten bevestigen, gelijk Hananja gedaan had, Jeremia 28:10, tekenen, die haar sexe aangenaam waren, "zij naaiden kussens voor alle oksels van de armen," om aan te tonen, dat het volk gerust kon zijn en zich niet behoefde bang te maken met vrees voor naderende onheilen: Zij maakten ook hoofddeksels voor het hoofd van alle statuur, voor personen van allerlei leeftijd, jong en oud, die door hun gestalte zich onderscheidden. Deze hoofddeksels waren bandeliers van vrijheid en overwinning, betekenende, dat zij van de Chaldeën bevrijd en de overwinning over hen behalen zouden. Sommigen menen, dat hiermede bedoeld wordt bijgelovige gebruiken, die zij in acht namen tegenover degenen, aan wie zij haar openbaringen mededeelden om ze daarop voor te bereiden door betoverde kussens onder hun armen en hoofddeksels op hun hoofd te geven en zo hun verbeelding te prikkelen en hun verwachting te spannen. Of misschien zijn die uitdrukkingen figuurlijk bedoeld: zij deden al wat zij konden om het volk gerust te stellen, wat door de zachte kussens, en om het hoogmoedig te maken, wat door de hoofddeksels, die wellicht zeer sierlijk waren, beduid wordt.
II. Hoe Gods toorn tegen haar wordt geuit. Hier wordt een "wee u" uitgesproken, vers 18. God zelf verklaart zich tegen de middelen, waarvan die vrouwen zich bedienen om het volk te misleiden en te bedriegen, vers 20. Maar wat zal God haar doen?
1. Zij zullen beschaamd worden in haar pogingen en niet kunnen voortgaan, want, vers 23, gij zult niet meer ijdelheid zien noch waarzegging gebruiken, men zal u de rug toekeren, zal uw profeteren minachten. De rechtvaardige zal er niet langer door bedroefd worden, noch de goddeloze erdoor gesterkt, de kussens zullen uit haar armen weggescheurd en de hoofddeksels gescheurd worden, haar bedrog zal ontdekt, haar misleiding aan het licht gebracht worden.
2. Gods volk zal niet langer in haar handen vallen en nagejaagd worden. Zie, het is grote genade, verlost te worden van een slaafs opzien tegen en vrees voor dezulken, die onder een mom van goddelijk gezag de gewetens van de mensen beheersen en onderdekken en tot hun zielen zeggen: "Buigt u neer, dat wij over u gaan." Maar het is een smartelijke ervaring voor wie in zulke aanmatiging vermaak vinden, te zien, dat hun macht gebroken en hun prooi benijd wordt. Zo was het eenmaal, toen de Hervorming van Rome verloste. En wanneer God dat doet, dan maakt Hij openbaar, dat Hij de Heere is, en dat Hij alleen recht heeft vast te stellen wat wet zijn zal.