Spreuken 28:21
Het is een fundamentele dwaling in de bedeling van het recht, en die de mensen tot zeer vele overtredingen moet brengen, om op de partijen in geschil meer acht te slaan dan op het recht of het onrecht van de zaak, zoals gunst te betonen aan iemand, omdat hij een voornaam man, een geleerde, mijn landsman, mijn oude bekende is, die mij vroeger een vriendelijkheid heeft bewezen, of nog instaat is om er mij één te bewijzen, of omdat hij van mijn partij, van mijn richting is, en de andere partij, hard te vallen, omdat hij een vreemdeling, een arm man is, mij eens een kwade trek heeft gespeeld, mijn mededinger geweest is, of nog is, of tegen mij gestemd heeft. Het recht wordt verkeerd, als enigerlei overweging van die aard meeweegt in de schaal, iets, wat het ook zij, buiten het zuivere recht.
Zij, die partijdig zijn, worden ten slotte laag en armzalig. Zij, die eens de banden van billijkheid en recht van zich afgeworpen hebben zullen hoewel daar in het eerst ruime steekpenningen voor nodig waren, het een of andere grote geschenk er toe komen om voor een stuk brood tegen hun geweten uitspraak te doen in een rechtsgeding.