Johannes 10:39-42
Wij hebben hier den uitslag der samenspreking met de Joden. Men zou denken, dat zij er door overtuigd waren geworden, maar hun hart was verhard. Hier wordt ons gezegd:
I. Hoe zij Hem aanvielen met geweld. Daarom zochten zij wederom Hem te grijpen." Daarom.
1. Omdat Hij hun beschuldiging van Godslastering volkomen had weerlegd, zodat zij zich moesten schamen om in hun opzet van Hem te stenigen te volharden, daarom poogden zij Hem te grijpen om Hem dan als een staatsmisdadiger te vervolgen. Toen het hun niet gelukte hun aanslag door een volksoploop te volvoeren, wilden zij beproeven wat zij doen konden door een wettelijk proces, Zie Openbaring 12:13. Of,
2. Omdat Hij volhardde in Zijn getuigenis omtrent zich zelven, volhardden zij in hun kwaadwilligheid jegens Hem. Wat Hij tevoren gezegd had, heeft Hij ook werkelijk wederom gezegd, want de getrouwe Getuige wijkt nooit af van hetgeen Hij eens gezegd heeft, en daarom leggen zij dan ook dezelfden toorn en verbittering jegens Hem aan den dag, en rechtvaardigen zij hun poging om Hem te stenigen, door ene poging om Hem gevangen te nemen. Dat is de aard van een vervolgzuchtigen mens, en ook zijn gewone wijze van handelen: de een reeks van slechte daden te bedekken met een andere, opdat het doel der eerste niet mislukke.
II. Hoe Hij hun ontkwam door de vlucht, geen smadelijke vlucht, waaruit menselijke zwakheid sprak, maar een eervolle aftocht, waarin Goddelijke macht werd gezien. "Hij ontging uit hun hand," niet door tussenkomst van een vriend, die Hem te hulp kwam, maar door Zijn eigen wijsheid ontdeed Hij zich van hen, Hij omsluierde zich, of Hij wierp een nevel voor hun ogen, of bond de handen van hen, wier hart Hij niet had veranderd. Geen instrument, gericht tegen onzen Heere Jezus, zal gelukken, Psalm 2:4. Hij ontging, niet omdat Hij bevreesd was te lijden, maar "omdat Zijne ure nog niet was gekomen." En Hij, die wist hoe zich zelven te verlossen, weet ongetwijfeld ook hoe de Godvruchtigen te verlossen uit verzoeking en een weg voor hen te bereiden om te ontkomen.
III. Waar Hij heenging: Hij ging wederom over den Jordaan", vers 40. De Opziener onzer zielen bleef niet aan ene plaats, maar ging het land door goeddoende. Deze grote Weldoener bevond zich nooit buiten Zijn weg, want overal waar Hij kwam was er werk voor Hem te doen. Hoewel Jeruzalem de koninklijke stad was, heeft Hij toch menig vriendelijk bezoek afgelegd op het land, of in de provincie, niet slechts in Zijn eigen landstreek van Galilea, maar ook elders, zelfs in de afgelegen streken over den Jordaan. Merk nu op:
1. Welke beschutting Hij daar vond. Hij ging naar een bijzondere plaats des lands, en Hij bleef aldaar, dáár vond Hij rust en stilte, die Hij in Jeruzalem niet kon vinden. Hoewel vervolgers Christus en Zijn Evangelie uit hun eigen stad of land kunnen verdrijven, kunnen zij noch Hem, noch het Evangelie uit de wereld bannen. Jeruzalem werd wel niet verzameld, en zal het ook niet worden, nochtans werd Christus verheerlijkt, en Hij zal nog verheerlijkt worden. Christus' heengaan over den Jordaan was een beeld, of afschaduwing, van het wegnemen van het koninkrijk van de Joden, om het te brengen tot de heidenen. Christus en Zijn Evangelie hebben dikwijls een veel beter onthaal gevonden onder eenvoudige landslieden, dan onder de wijzen, de machtigen, de edelen, 1 Corinthiërs 1:26, 27. 2. Welken voorspoed Hij hier had. Hij is niet bloot om Zijn eigen veiligheid derwaarts heengegaan, maar om er goed te doen, en Hij verkoos heen te gaan naar de plaats, waar Johannes eerst doopte, Hoofdstuk 1:28, omdat het niet anders kon of er moest wel enigerlei indruk zijn achtergebleven van Johannes' bediening en doop in die streken, waardoor de mensen geneigd zouden zijn Christus en Zijne leer te ontvangen, want het was nog geen drie jaren geleden, dat Johannes doopte, en Christus zelf was hier te Bethabara gedoopt. Christus kwam nu herwaarts om te zien welke vruchten er van Johannes' arbeid onder hen waren overgebleven, en wat zij onthouden hadden van de dingen, die zij toen hadden gehoord en gezien. De uitslag beantwoordde ook wel enigermate aan de verwachting, want er wordt ons gezegd:
a. Dat velen tot Hem kwamen. Het terugkomen van de middelen der genade, nadat zij voor een tijd hadden opgehouden, zal gewoonlijk de genegenheid wederom opwekken en verlevendigen. Sommigen denken, dat Christus te Bethabara, het huis van den overtocht, wilde verblijven, omdat dáár de ponten lagen, waarmee zij over den Jordaan gingen, opdat Hij in de samenstroming des volks de gelegenheid zou vinden, om velen te onderwijzen, die kwamen om Hem te horen, als dit op hun weg lag, maar nauwelijks een voetstap buiten hun weg zouden doen om Zijn woord te gaan horen.
b. Dat zij spraken ten Zijnen gunste, en redenen zochten bij te brengen om zich bij Hem aan te sluiten, even ijverig als die van Jeruzalem naar tegenwerpingen en bezwaren tegen Hem hadden gezocht. Zeer verstandig en oordeelkundig zeiden zij: Johannes deed wel geen teken, maar alles, wat Johannes van dezen zei, was waar. Twee dingen overlegden zij bij zich zelven bij de herinnering aan hetgeen zij van Johannes gezien en gehoord hadden, in vergelijking met Christus' bediening. Dat Christus Johannes de Doper ver overtrof in kracht en macht, want Johannes heeft geen teken, geen wonder, gedaan, en Jezus doet er vele. Indien nu Johannes zo groot een profeet was, hoe groot moet deze Jezus dan niet zijn! Christus wordt het best gekend en erkend door zulk ene vergelijking met anderen, als waardoor Hij dan ver boven die anderen staat. Hoewel Johannes gekomen is in den geest en de kracht van Elias, heeft hij toch gene wonderen gedaan, zoals Elias gedaan heeft, opdat het volk niet in hun hart zouden aarzelen tussen hem en Jezus, daarom is de eer van wonderen te werken voor Jezus bewaard gebleven, als een bloem aan Zijn kroon, opdat er een merkbaar en onmiskenbaar bewijs zou zijn, dat Hij, hoewel na Johannes gekomen, toch voor hem, en ver boven hem geweest is. Dat Christus volkomen aan het getuigenis van Johannes beantwoordde. Johannes heeft niet slechts geen wonder gedaan om het volk van Christus af te leiden, maar hij heeft zeer veel gezegd om hen op Christus te wijzen, hen tot Christus te doen gaan, en zijn eigen discipelen tot Hem te doen overgaan, en dit kwam hun thans voor den geest: alles wat Johannes van dezen zei, was waar, dat Hij het Lam Gods zou wezen, dat Hij zou dopen met den Heiligen Geest en met vuur. Grote dingen had Johannes van Hem gezegd, waardoor hun verwachtingen werden opgewekt, zodat, hoewel hun ijver niet groot genoeg was om hen naar Zijn land te voeren ten einde aldaar naar Hem te vragen, zij toch, toen Hij aan hun eigen deur kwam om hun het Evangelie te brengen, erkenden, dat Hij zo groot was als Johannes gezegd had. Als wij met Christus bekend worden, Hem kennen uit eigen ervaring, dan bevinden wij, dat alles wat de Schrift van Hem zegt, waar is, ja meer, dat de werkelijkheid het gerucht overtreft, 1 Koningen 10:6, 7. Johannes de Doper was nu dood, maar zijne hoorders profiteerden van hetgeen zij vroeger gehoord hadden, en door hetgeen zij toen hoorden te vergelijken met hetgeen zij nu zagen, behaalden zij een dubbel voordeel. Ten eerste. Zij werden bevestigd in hun geloof, dat Johannes een profeet was, die zulke dingen had voorzegd, en van de hoge uitnemendheid had gesproken, waartoe deze Jezus komen zou, hoewel Zijn begin zo gering was. Ten tweede. Zij waren bereid te geloven, dat Jezus was de Christus, in wie zij de dingen vervuld zagen, die Johannes had voorzegd. Hierin zien wij, dat de voorspoed en de krachtige uitwerking van het gepredikte woord niet beperkt zijn tot het leven van den prediker, noch dat zij sterven met zijn ademtocht, maar dat hetgeen als water scheen te zijn, dat ter aarde uitgestort was, later toch weer verzameld wordt. Zie Zacheria 1:5, 6.
c. Dat velen aldaar in Hem geloofden. Gelovende dat Hij, die zulke wonderen werkte, en in wie Johannes' voorzeggingen vervuld waren, was wat Hij zei te zijn, namelijk de Zoon van God, gaven zij zich aan Hem over als Zijne discipelen, vers 42. Er moet hier nadruk gelegd worden: a. Op de personen, die in Hem geloofden, het waren velen. Terwijl zij, die te Jeruzalem Zijne leer hadden ontvangen en aangenomen, slechts als de nalezing waren van den wijnoogst, waren zij, die op het land, aan de overzijde van den Jordaan, in Hem geloofden, als de volle oogst, die voor Hem ingezameld werd. b. Op de plaats, waar dat was, het was, waar Johannes had gepredikt en gedoopt, en een groten zegen op zijn werk gehad heeft, dáár geloofden velen in den Heere Jezus. Waar de prediking van de leer der bekering den gewensten voorspoed heeft gehad, daar zal de prediking van de leer der verzoening en Evangeliegenade ook zeer waarschijnlijk met voorspoed gekroond, door zegen achtervolgd worden. Waar Johannes den volke aangenaam was, kan Jezus hun niet onaangenaam zijn. De bazuin van het jubeljaar klinkt het lieflijkst in de oren van hen, die op den verzoendag zich om hun zonden hebben verootmoedigd.