Johannes 4:1-3
Wij lezen van Christus' komst in Judea, Hoofdstuk 3:22, nadat Hij het feest had gehouden te Jeruzalem, en nu verliet Hij Judea vier maanden voor den oogst, zoals gezegd is in vers 35, zodat Hij dan ongeveer zes maanden in Judea is gebleven om te bouwen op het fondament, dat Johannes gelegd had. Wij hebben geen bijzonder bericht omtrent Zijne prediking en Zijne wonderen aldaar, slechts wordt in het algemeen gezegd, in vers 1,
I. Dat Hij discipelen maakte. Hij heeft er velen toegebracht om Zijne leer te omhelzen, en Hem te volgen als een leraar van God gekomen. Zijn arbeid was voorspoedig, niettegenstaande den tegenstand, dien Hij ontmoette, Psalm 110:2, 3, mathêtas poiei -het betekent hetzelfde als mathêteuoo -te discipelen. Vergelijk Genesis 12:5, de zielen, die zij verkregen hadden, die zij gemaakt hadden (zoals de eigenlijke betekenis is van het woord), die zij tot proselieten hadden gemaakt. Het is Christus' kroonrecht om discipelen te maken, eerst om ze aan Zijne voeten te brengen, en daarna om ze te formeren naar Zijn wil. De Christen wordt gemaakt, niet geboren, zegt Tertullianus.
II. Dat Hij hen, die Hij tot discipelen maakte, door Zijne discipelen liet dopen, of met water wassen, vers 2.
1. Omdat Hij een verschil wilde stellen tussen Zijn doop en dien van Johannes, die allen zelf doopte, want hij doopte als een dienstknecht, Christus als Meester.
2. Hij wilde zich meer bepalen tot het werk der prediking dat het voortreffelijkste was, 1 Corinthiërs 1:17.
3. Hij wilde Zijne discipelen eren door hen hiertoe te machtigen en te gebruiken, en hen alzo tot meerderen dienst op te leiden.
4. Indien Hij sommigen zelf gedoopt had, dan zouden dezen allicht geneigd zijn zich hierop te laten voorstaan, en anderen te minachten, hetgeen Hij wilde voorkomen, evenals Paulus, 1 Corinthiërs 1:13, 14.
5. Hij wilde zich de ere voorbehouden van te dopen met den Heiligen Geest, Handelingen 1:5.
6. Hij wilde ons leren, dat de kracht en uitwerking der sacramenten niet afhangt van de hand, die ze bedient, alsmede dat hetgeen door Zijne dienstknechten volgens Zijne aanwijzing gedaan wordt, door Hem erkend wordt als door Hem zelven gedaan.
III. Dat Hij meer discipelen maakte en doopte dan Johannes, niet slechts meer dan Johannes toen maakte en doopte, maar meer dan hij ooit gedurende zijn ganse bediening had gedoopt. Christus' omgang en toespraak waren innemender dan die van Johannes. Zijne wonderen werkten overtuiging, en de genezingen, die Hij gratis tot stand bracht, waren zeer uitlokkend.
IV. Dat de Farizeeën hiervan onderricht werden. Zij hoorden wat grote scharen door Hem gedoopt werden, want zij hadden van Zijn eerste optreden af een naijverig oog op Hem, en het ontbrak hun niet aan spionnen om hun bericht omtrent Hem te geven. Toen de Farizeeën dachten van Johannes ontslagen te zijn, (want deze was nu gekerkerd) en zich hierover verheugden, verscheen Jezus, die hun een grotere kwelling was dan Johannes ooit geweest is. De getuigen zullen immer te voorschijn komen. Wat hen hinderde was, dat Christus zo vele discipelen maakte. De voorspoed van het Evangelie verbittert deszelfs vijanden, en het is een teken, dat het veld wint, als de machten der duisternis er zo verwoed tegen zijn.
V. Dat onze Heere Jezus zeer goed wist wat er aan de Farizeeën tegen Hem bericht werd. Waarschijnlijk wilden de aanbrengers, dat hun namen niet genoemd zouden worden, en waren de Farizeeën er gans niet op gesteld dat hun plannen bekend zouden worden, maar niemand kan zich zo diep versteken, dat hij zijn raad voor den Heere verbergt, Jesaja 29:15, en Christus wordt hier de Heere genoemd. Hij wist wat aan de Farizeeën gezegd werd, en hoe veel, en het is waarschijnlijk, dat het de waarheid te buiten ging, want het is niet waarschijnlijk, dat Jezus toen reeds meerderen had gedoopt dan Johannes, maar aldus werd de zaak voorgesteld om Hem als des te meer gevaarlijk voor te stellen, zie 2 Koningen 6:12.
VI. Dat hierop onze Heere Jezus Judea verliet en wederom heenging naar Galilea.
1. Hij verliet Judea, omdat Hij er waarschijnlijk ten dode toe vervolgd zou zijn geworden, zo groot was de woede der Farizeeën tegen Hem, en hun goddeloze begeerte om Hem reeds terstond te doden. Om aan hun lagen te ontkomen, verliet Christus het land en ging naar ene plaats, waar hetgeen Hij deed minder prikkelend voor hen zou zijn, dan wanneer Hij het als onder hun ogen deed. Want
a. Zijne ure was nog niet gekomen, Hoofdstuk 7:30, de tijd, die in den raad Gods bepaald was en in de Oud-Testamentische profetieën wanneer de Messias uitgeroeid zou worden. Hij had Zijn getuigenis nog niet voleindigd, en daarom wilde Hij zich niet aan hun aanslagen blootstellen.
b. De discipelen, die Hij in Judea had verkregen, waren nog niet instaat verdrukkingen te verduren, en daarom wilde Hij hen niet in gevaar brengen.
c. Hiermede gaf Hij een voorbeeld van Zijn eigen regel, of voorschrift: Wanneer zij u in deze stad vervolgen, vliedt in de andere. Wij worden tot geen lijden geroepen, dat wij, zonder te zondigen, kunnen vermijden, en daarom mogen wij wel van plaats veranderen, hoewel wij niet, om ons leven te redden, van Godsdienst mogen veranderen. Christus stelde zich in veiligheid, niet door een wonder, maar in den gewonen, menselijken weg, ter besturing en bemoediging van Zijn lijdend volk.
2. Hij vertrok naar Galilea, omdat Hij daar werk te doen had, en omdat Hij er vele vrienden en minder vijanden had. Hij ging thans naar Galilea.
a. Omdat Johannes' bediening er thans den weg voor Hem had bereid, want Galilea, dat onder het rechtsgebied van Herodes stond, was het laatste toneel van Johannes' werkzaamheid als doper.
b. Omdat Johannes' gevangenneming er thans plaats voor Hem had gemaakt. Dat licht nu onder ene korenmaat gesteld zijnde, zal de gezindheid des volks nu niet meer verdeeld zijn tussen hem en Christus. Alzo kunnen beiden de vrijheid en de beperking van Godvruchtige leraren aan het Evangelie bevorderlijk zijn, Filippenzen 1:12. Maar wat nut is het, dat Hij voor Zijne veiligheid naar Galilea gaat? Herodes, de vervolger van Johannes, zal nooit de beschermer worden van Jezus. Chemnitius tekent hierbij aan: "De vromen hebben in dit leven de zodanige, tot wie zij heen kunnen vlieden, maar zij hebben niemand, die hun een schuilplaats kan bieden, buiten U, o God!"