Mattheus 10:16-42
Al deze verzen hebben betrekking op het lijden van Christus' dienstknechten in hun arbeid, hun wordt hier geleerd dit lijden te verwachten, er zich op voor te bereiden, en tevens hoe zij het moeten dragen, en hoe zij onder alles toch met hun werk moeten voortgaan. Dit deel der leerrede reikt verder dan tot hun tegenwoordige zending, want wij lezen niet, dat zij enigerlei grote moeilijkheid hadden ontmoet of vervolging hadden te verduren, zolang Christus met hen was, ook waren zij toen niet in staat die te verdragen, maar hier wordt hun voorzegd welke benauwdheden over hen komen zullen, als na de opstanding van Christus, hun opdracht uitgebreid zal worden,. en het koninkrijk der hemelen, dat nu nabij was, dan gekomen zal zijn. Zij dachten toen aan niets anders dan aan uitwendige praal en macht, maar Christus zegt hun, dat zij meer lijden hebben te wachten dan waartoe zij tot heden nog geroepen waren, dat zij tot gevangenen zullen worden gemaakt, als zij verwachten vorsten te zullen worden. Het is goed, dat ons gezegd wordt welke benauwdheden over ons komen zullen, teneinde hierop verdacht te wezen en er ons naar in te richten, en niet te roemen, alsof wij ons losmaakten, terwijl wij ons nog slechts aangorden. Wij vinden hier dus I: Voorzeggingen van benauwdheid en moeite, en II: Raad en vertroosting hieromtrent.
I. Voorzeggingen van moeite en benauwdheid, die de discipelen in hun arbeid zullen ondervinden. Christus voorzag hun lijden, zowel als Zijn eigen lijden, en toch wil Hij, dat zij voort zullen gaan, gelijk Hij ook zelf voortgaat, en Hij heeft het hun voorzegd, niet alleen opdat die benauwdheden hen niet onverwacht zouden treffen en hun geloof niet zouden schokken, maar opdat zij er, als vervulling ener voorzegging ene bevestiging in zouden vinden voor hun geloof. Hij zegt hun wat zij te lijden zullen hebben, en van wie.
1. Wat zij te lijden zullen hebben: zeer harde dingen, voorwaar! want: "Ziet, Ik zende u als schapen in het midden der wolven", vers 16. En wat kan ene kudde van arme, hulpeloze, onbewaakte schapen verwachten in het midden van een troep hongerige wolven? Wat anders dan gekweld en verscheurd te worden? Gods volk, en inzonderheid Zijne Evangeliedienaren, zijn als schapen onder hen, die van een tegen- overgestelden aard en neiging zijn, zij zijn aan hen blootgesteld, en over het algemeen zijn zij hun ene gemakkelijke prooi. Het scheen onvriendelijk van Christus, om hen bloot te stellen aan zoveel gevaar, hen, die alles verlaten hadden, om Hem te volgen. Maar Hij wist, dat de heerlijkheid, die weggelegd is voor Zijne schapen, als zij in den groten dag aan Zijne rechterhand zullen gesteld worden, ene genoegzame vergoeding zal wezen voor hun lijden, zowel als een overvloedig loon voor hun diensten. Zij zijn als schapen in het midden der wolven, dat is ontzettend, maar het is Christus, die hen zendt, en dat is troostrijk, want Hij, die hen zendt, zal hen beschermen en ondersteunen. Maar opdat zij het ergste zouden weten, zegt Hij hun in bijzonderheden wat zij hebben te wachten. Zij moeten verwachten gehaat te worden, vers 22. "Gij zult van allen gehaat worden om Mijnen naam", dat is de wortel van al het overige, en het is een zeer bittere wortel. Zij, die door Christus worden bemind, worden door de wereld gehaat, gelijk als die door het hof gezegend worden, gevloekt worden door het land. Indien de wereld Christus zonder oorzaak heeft gehaat, Johannes 15:25, dan is het niet te verwonderen, dat zij ook hen haat, die Zijn beeld dragen, en Zijne belangen dienen. Wij haten wat weerzinwekkend is, en zij zijn als "aller afschrapsel geworden", 1 Corinthiërs 4:13. Wij haten wat schadelijk is, en zij worden geacht "de beroerders des lands" te zijn, 1 Koningen 18:17, en de kwelgeesten hunner naburen, Openbaring 11:10. Het is smartelijk gehaat te worden, en het voorwerp te zijn van zoveel onmin en kwaadwilligheid, maar het is: "Om Uws naams wil," dat, gelijk het de ware reden van dien haat is- welke andere reden er ook voor wordt opgegeven, -ook ene ware vertroosting is voor hen, die alzo gehaat worden. Het is voor ene goede zaak, en zij hebben een goeden Vriend, die met hen deelt in dien haat. Zij moeten verwachten gevangen genomen te worden als kwaaddoeners. Hun rusteloze boosheid is ene boosheid, die onweerstaanbaar is, en zij zullen niet slechts pogen, maar er in slagen u over te leveren in de raadsvergaderingen, vers 17, 18, voor de vrederechters. Onder schijn van wet en gerechtigheid wordt dikwijls aan goede, vrome mensen zeer veel kwaads gedaan. "Ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid," goddeloosheid die vervolgt, Prediker 3:16. Zij moeten leed verwachten, niet slechts van de lagere rechtbanken en rechters, maar van stadhouders en koningen, van de hoge overheid. Voor hen gebracht te worden onder zo zware beschuldigingen, als die gewoonlijk tegen Christus' discipelen ingebracht werden, was ontzettend en gevaarlijk, want "Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws". Die voorzegging vinden wij herhaaldelijk vervuld in de Handelingen der Apostelen. Zij moeten verwachten gedood te worden, vers 21. Zij zullen hen overleveren tot den dood, tot den dood met praal en plechtigheid, als hij zich het meest als "koning der verschrikking" toont. De boosheid der vijanden gaat zo ver, dat zij hun dit schrikkelijke aandoen, het is naar "het bloed der heiligen", dat zij dorsten. Het geloof en de lijdzaamheid der heiligen zijn zo onwankelbaar, dat zij dit verwachten, "noch houd ik mijn leven dierbaar voor mij zelven." In Zijne wijsheid laat Christus dit toe, daar Hij weet hoe van het bloed der martelaren het zegel der waarheid en het zaad der kerk te maken. Door dat deze edele schare "hun leven niet liefgehad hebben tot den dood" is Satan overwonnen, en is het koninkrijk van Christus ten zeerste bevorderd, Openbaring 12:11. Zij werden ter dood gebracht als misdadigers-zo hebben de vijanden het bedoeld- maar in waarheid en werkelijkheid als offers, Filippenzen 2:17, 2 Timotheus 4:6, als brandoffers, drankoffers der ere voor God, en om Zijne zaak en waarheid. Te midden van dat lijden moeten zij verwachten gebrandmerkt te worden met de hatelijkste en schandelijkste benamingen en dat hun karakter op het zwartst wordt voorgesteld. In deze wereld zouden de vervolgers zich schamen, als zij hen, die zij aldus als wilde dieren vervolgen, niet eerst als wilde dieren hadden voorgesteld, hen niet in zulke zwarte kleuren hadden geschilderd, dat er hun wreedheid door gerechtvaardigd scheen. Het slechtste van al de slechte karakters hun toegedicht, wordt hier genoemd, zij noemen hen Beëlzebub, dat is bij den naam van den overste der duivelen, vers 25. Zij stellen hen voor als de leiders, en voorvechters van de belangen van het koninkrijk der duisternis, en daar ieder denkt den duivel te haten, pogen zij hen gehaat en verachtelijk te maken bij het ganse mensdom. Zie, en verbaas u te zien, hoe de wereld bedrogen wordt. Satans gezworen vijanden worden voorgesteld als zijne vrienden, de apostelen, die het rijk des duivels omverwierpen, werden duivelen genoemd. Aldus hebben zij niet slechts "van hen geëist" -dat is beschuldigd van- "wat zij niet wisten", maar van hetgeen zij verafschuwden, en tegenstonden. Satans gezworen dienaren daarentegen werden geacht zijne vijanden te zijn, en nooit doen zij ijveriger en met meer gevolg zijn werk, dan wanneer zij voorwenden tegen hem te strijden. Zeer dikwijls zullen zij, die den duivel het naast verwant zijn, hem als vader voorstellen van anderen, en zij, die hem op de klederen van anderen schilderen, hebben zelven hem als heer en meester in hun hart. Het is goed, dat de dag komt, wanneer (gelijk hier in vers 26 volgt) hetgeen verborgen is, openbaar zal worden. Dit lijden wordt hier voorgesteld door zwaard en verdeeldheid, vers 34 en 35. "Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen, tijdelijken vrede, en uitwendige welvaart. Zij dachten, dat Christus gekomen is, om aan al Zijne volgelingen rijkdom en macht in de wereld te geven, "Neen", zegt Christus: "Ik ben niet gekomen met het oogmerk hun vrede te geven, van vrede in den hemel kunnen zij verzekerd wezen, maar niet van vrede op aarde." Christus is gekomen om ons vrede te geven met God, vrede in onze consciëntie, vrede met onze broederen, maar "in de wereld zult gij verdrukking hebben." Diegenen hebben een verkeerd begrip van het Evangelie, die denken, dat zij door hun belijden er van gevrijwaard zullen zijn tegen verdrukking en benauwdheid in deze wereld, integendeel door hun belijdenis worden zij daar juist aan blootgesteld. Als de gehele wereld Christus wilde aannemen, dan zou daar een algemene vrede het gevolg van wezen, maar terwijl er even velen zijn, die Hem verwerpen (en dezen zijn niet alleen "de kinderen dezer wereld," maar ook "het zaad der slang,") moeten de kinderen Gods, die uit de wereld geroepen zijn, verwachten de vruchten hunner vijandschap te zullen ervaren. Verwacht geen vrede, maar het zwaard. Christus is gekomen om "het zwaard des woords" te geven, waarmee Zijne discipelen strijden tegen de wereld, en dit zwaard heeft overwinningen behaald, Openbaring 6:4, 19:21, en het zwaard der vervolging, waarmee de wereld strijdt tegen de discipelen. En daar het zwaard des woords den vervolgers "het hart heeft doen barsten", Handelingen 7:54, en daar het getuigenis der getuigen van Christus hen gepijnigd heeft, Openbaring 11:10, heeft dit zwaard der vervolging wreed en bloedig werk verricht. Christus zendt dit Evangelie, dat de aanleiding is, dat dit zwaard wordt getrokken, en daarom kan men zeggen, dat Hij dit zwaard zendt. Hij doet Zijne kerk in een toestand van lijden komen ter beproeving en tot lof der genade Zijns volks, en om de mate der zonden hunner vijanden vol te doen worden. Verwacht geen vrede, maar verdeeldheid, vers 35. "Ik ben gekomen om den mens tweedrachtig te maken." Deze uitwerking van de prediking des Evangelies ligt niet aan het Evangelie, maar aan hen, die het niet aannemen. Wanneer sommigen het woord Gods geloven en anderen het niet geloven, dan zal het geloof der eersten hen veroordelen, die niet geloven, en daarom koesteren dezen wrok en vijandschap tegen hen, die geloven. De heftigste en onverzoenbaarste veten zijn altijd ontstaan uit verschil in den Godsdienst, gene vijandschap zo groot als de vijandschap van vervolgers, gene vastberadenheid en onverzettelijkheid zo groot als die der vervolgden. Aldus zegt Christus aan Zijne discipelen wat zij zullen te lijden hebben, en het was hard wat Hij hun zei, indien zij dit konden dragen, konden zij alles dragen. Christus heeft trouw en eerlijk met ons gehandeld door ons het ergste te zeggen, wat wij in Zijn dienst hebben te wachten, en Hij wil, dat wij even trouw en eerlijk zullen zijn met ons zelven, door neer te zitten en de kosten te overrekenen. Hun wordt hier gezegd van wie, en door wie, zij deze harde dingen te lijden zullen hebben. Voorwaar! de hel zelf moet losgelaten zijn, en de duivelen, die wanhopige geesten, welke aan de grote zaligheid deel noch lot hebben, moeten in het vlees zijn verschenen, de menselijke gedaante hebben aangenomen, eer zulke hatelijke en hatende vijanden gevonden konden worden van ene leer, waarvan de inhoud en strekking was "een welbehagen in mensen" en de "verzoening der wereld met God" Neen-wie zou het geloven? -al die boosaardigheid jegens de predikers van het Evangelie komt voort uit hen, aan wie zij de zaligheid kwamen verkondigen. Aldus "haten bloedgierige lieden den vrome, maar de oprechten zoeken zijne ziel" Prediker 29:10. Daarom wordt de hemel zo tegengestaan op aarde, omdat de aarde zo zeer onder de macht is der hel, Efeze 2:2. Die hardheden moeten Christus' discipelen lijden. Van de mensen, vers 17. "Wacht u voor de mensen, gij zult het nodig hebben op uwe hoede te zijn zelfs tegen hen, die met u van dezelfde natuur zijn" -zo groot is de verdorvenheid en de ontaarding dier natuur, dat "de mens een wolf is voor de mens", listig en vol slim overleg als mensen, maar wreed en barbaars als dieren en gans ontbloot van hetgeen men menselijkheid noemt. Vervolgingswoede en vijandschap verkeren de mensen in wilde dieren, ja in duivelen. Te Efeze heeft Paulus gevochten met beesten in de gedaante van mensen 1 Corinthiërs 15:32. Het is wel een zeer treurige toestand, waartoe de wereld gekomen is, wanneer de beste vrienden, die zij heeft, zich moeten wachten voor de mensen. Het verzwaart de benauwdheid en het verdriet van Christus' lijdende dienstknechten, dat die benauwdheden over hen gebracht worden door hen, die "been zijn van hun been", uit dezelfden bloede zijn gemaakt. In dit opzicht zijn vervolgers erger dan dieren, dat zij hun eigene soort aanvallen. "Zelfs wilde beren komen met elkaar overeen." Het is smartelijk als "mensen tegen ons opstaan," Psalm 124, van wie wij bescherming en medegevoel konden verwachten, mensen, niets meer: blote mensen, en gene heiligen, "natuurlijke mensen, 1 Corinthiërs 2:14, mensen "die van de wereld zijn", Psalm 17:14. Heiligen zijn meer dan mensen, zij zijn gekocht uit de mensen" en daarom worden zij door hen gehaat. De menselijke natuur, is, als zij niet geheiligd is, de slechtste natuur der wereld na die der duivelen. Zij zijn mensen, derhalve ondergeschikte, afhankelijke stervende schepselen, zij zijn mensen, doch, zij zijn slechts mensen, Psalm 9:20, en "Wie zijt gij, dat gij vreest voor den mens, die sterven zal?" Jesaja 51:12. "Wacht u voor de mensen", dat is, wacht u voor hen, met wie gij bekend zijt, de mensen van het Joodse sanhedrin, die Christus verworpen hebben, 1 Petrus 2:4. Van de belijdende mensen, die "ene gedaante van godzaligheid" hebben en pronken met den godsdienst. In hun synagogen zullen zij u geselen. In hun synagogen, de plaats hunner Godsdienstige bijeenkomsten, en waar zij kerkelijke tucht oefenen, zodat zij het geselen van Christus' dienaren beschouwden als ene Godsdienstige handeling. Paulus is vijf maal in hun synagogen gegeseld, 2 Corinthiërs 11:24. Onder schijn van ijver voor Mozes waren de Joden de heftigste vervolgers van Christus en het Christendom, en zij schreven die vervolgingswoede op rekening van hun' Godsdienst. Christus discipelen hebben veel te lijden gehad van gemoedelijke vervolgers, die hen geselden in hun synagogen, hen uitwierpen en doodden, en dachten daarmee Gode een dienst te doen Johannes 16:2 en zeiden: "Dat de Heere heerlijk worde," Jesaja 66:5, Zacheria 11:4, 5. Maar het is er zo verre vandaan, dat, integendeel, de synagoge door de vervolging ontwijd en ontheiligd wordt. Van de aanzienlijken en van hen, die met gezag zijn bekleed. De Joden hebben hen niet slechts gegeseld-dit was het uiterste waartoe het weinigje macht, dat hun nog overgebleven was, reikte, maar als zij zelven niet verder konden gaan, van leverden zij hen over in de macht der Romeinen, zoals zij met Christus gedaan hebben, Johannes 18:30. "Gij zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden," vers 18, die meer macht hebbende, ook in staat zijn om meer kwaad te doen. Stadhouders en koningen ontlenen hun macht aan Christus, Prediker 8:15, en behoorden Zijne dienaren te zijn, de beschermers en voedstervaders Zijner kerk, maar dikwijls gebruiken zij hun macht tegen Hem, rebelleren zij tegen Christus, en zijn zij de verdrukkers Zijner kerk. "De koningen der aarde stellen zich op" tegen Zijn koninkrijk, Psalm 2:1, 2, Handelingen 4:25, 26. Het is dikwijls het lot geweest van vrome mensen de groten der aarde tot vijanden te hebben. Van alle mensen, vers 22. "Gij zult van allen gehaat worden," van alle slechte mensen, want die vormen het merendeel der mensheid, "want de gehele wereld ligt in het boze". Zo weinigen zijn er, die de rechtvaardige zaak van Christus liefhebben, erkennen en beschermen, dat wij kunnen zeggen, dat de vrienden er van door alle mensen worden gehaat: "zij zijn allen afgeweken" en zo is het dat zij "mijn volk opeten." Psalm 14:3, 4. Zo ver nu de afval van God gaat, zo ver gaat ook de vijandschap tegen de heiligen, soms schijnt zij meer algemeen dan op andere tijden, maar iets van dit gif huist in het hart van al "de kinderen der ongehoorzaamheid." De wereld haat u, want zij "verwondert zich achter het beest", Openbaring 13:3. Alle mensen zijn leugenaars en dus haters van de waarheid. Van die hunner eigene maagschap. "De ene broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood" vers 21. Vanwege die zaak zal "de mens tweedrachtig zijn tegen zijn vader", ja zelfs zullen zij van de zwakkere kunne, die meer teder van aard zijn, toch vervolgsters en vervolgden worden. De vervolgende dochter zal tegen de gelovige moeder zijn, waar, naar men toch zou denken, natuurlijke genegenheid en kinderlijke plicht den twist zouden voorkomen of tenminste spoedig doen eindigen. Geen wonder dus, zo "de schoondochter is tegen de schoonmoeder", waar onverschilligheid en koudheid van liefde zo dikwijls naar ene gelegenheid zoekt tot twist, vers 35. Over het algemeen zullen zij "des mensen vijanden worden, die zijne huisgenoten zijn" vers 36. Zij, die zijne vrienden behoorden te wezen, zullen in woede tegen hem ontstoken zijn, omdat hij het Christendom heeft omhelsd, en inzonderheid omdat hij het blijft aankleven, als het tot vervolging komt, en dan zullen zij zich tegen hem bij de vervolgers voegen. De sterkste banden van bloedverwantschap en plicht zijn dikwijls verbroken door de vijandschap tegen Christus en Zijne leer. Zo groot is de macht geweest van het vooroordeel tegen den waren Godsdienst, en ijver voor den valsen godsdienst, dat, alles wat den mens heilig en dierbaar moest zijn, aan deze Molochs geofferd werd. Zij, die woeden tegen den Heere en Zijne gezalfden, verscheuren zelfs deze banden, en werpen zelfs deze touwen van zich. Psalm 2:2, 3. De bruid van Christus heeft harde dingen te verduren van de kinderen harer moeder", Hooglied 1:6. Van dezulken te lijden is smartelijker. Niets is zo vlijmend: "Gij zijt het, o mens, mijn gelijke. Psalm 55:13, 14 1), en de vijandschap van de zodanige is gewoonlijk het meest onvermurwbaar en onverzoenlijk, "Een broeder is weerspanniger dan ene sterke stad," Prediker 18:19. De geschiedenis der martelaren, zowel uit den ouden als uit den nieuwen tijd, zijn vol van voorbeelden hiervan. Omtrent die gehele zaak blijkt het, dat "allen, die Godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, vervolgd zullen worden," en dat wij moeten verwachten "door vele verdrukkingen in te gaan in het koninkrijk Gods".
II. Met deze voorzeggingen van lijden hebben wij hier tevens voorschriften en raadgevingen en ook vertroosting voor een tijd van beproeving. Hij zendt hen uit, en stelt hen bloot aan gevaar, voorzeker, maar wel gewapend met instructies en bemoedigingen, geschikt om hen te ondersteunen in deze beproevingen en hen door te helpen. Letten wij op hetgeen Hij zegt:
1. Bij wijze van raad en leiding in verschillende dingen. "Zijt voorzichtig, gelijk de slangen," vers 16. "Gij moogt dit zijn" (aldus wordt dit door sommigen verstaan, dus als vergunning of toelating.) "Gij moogt zo omzichtig wezen als gij wilt, mits gij ook oprecht zijt, gelijk de duiven." Het moet echter veeleer als voorschrift of gebod aangemerkt worden, ons die wijsheid aanbevelende van den voorzichtige, die zijn weg verstaat, hetgeen ten allen tijde nuttig is, maar inzonderheid in tijden van lijden. "Zijt dan," omdat gij blootgesteld zijt als schapen onder de wolven, "voorzichtig gelijk de slangen", niet voorzichtig of slim als vossen, wier list bestaat in anderen te bedriegen, maar als slangen, wier wijsheid slechts bestaat in zich zelven te verdedigen, en op hare veiligheid bedacht te zijn. De discipelen van Christus worden gehaat en vervolgd als slangen, men legt het toe op hun verderf en ondergang, en daarom hebben zij ook de wijsheid of voorzichtigheid van slangen nodig. Het is de wil van Christus, dat Zijn volk, Zijne dienstknechten, zo zeer blootgesteld zijnde aan de rampen dezer wereld, als zij gewoonlijk zijn, zich niet nodeloos aan gevaar blootstellen, maar alle goede en wettige middelen zullen aanwenden voor hun bewaring en veiligheid. Christus heeft ons van deze voorzichtigheid een voorbeeld gegeven, Hoofdstuk 21:24, 25, 22:17, 18, Johannes 8:6, 7, behalve nog, dat Hij vele malen aan de handen Zijner vijanden was ontkomen, totdat Zijne ure was gekomen. Zie ook een voorbeeld van Paulus' voorzichtigheid, Handelingen 23:6, 7. Voor de zaak van Christus moeten wij los wezen van het leven en al deszelfs gemak en genot, maar er toch niet roekeloos mede zijn. Het is voorzichtigheid der slang haar kop te beveiligen, opdat die niet vermorzeld worde, hare oren toe stoppen, ten einde niet te horen naar de stem des belezers, Psalm 58:5, 6 en ene schuilplaats te zoeken in de spleten der rotsen, en hierin kunnen wij voorzichtig wezen, gelijk de slangen. Wij moeten voorzichtig zijn en ons niet zelf moeilijkheden op den hals halen, voorzichtig, zodat wij zwijgen in boze tijden, en geen aanstoot geven, zo wij het kunnen vermijden. "Weest oprecht gelijk de duiven," Weest zachtmoedig en nederig, en kalm, niet slechts moet gij niemand leed doen, maar ook tegen niemand slecht gezind zijn. Weest zonder gal, zoals de duiven zijn, dit behoort met het vorige voorschrift altijd gepaard te gaan. Zij worden uitgezonden onder de wolven, daarom moeten zij voorzichtig zijn als slangen, maar zij worden uitgezonden als schapen, en daarom moeten zij oprecht zijn gelijk de duiven. Wij moeten voorzichtig zijn om ons zelven niet te benadelen, maar toch eerder ons zelven dan iemand anders, wij moeten de oprechtheid, het argeloze, de duif gebruiken om twintig beledigingen te dragen, veeleer dan de list van de slangen aan te wenden om ene enkele belediging aan te doen of te willen wreken. Het moet de voortdurende zorge zijn van alle discipelen van Christus, om onschuldig en argeloos te zijn in woord en daad, inzonderheid met het oog op de vijanden, in welker midden zij zijn. Wij hebben behoefte aan duivengezindheid, als wij ons door roofvogels omringd zien, zodat wij ze noch uittarten, noch ons door hen laten uittarten. David verlangde naar de vleugelen ener duive, om ver weg te vlieden, waar hij mocht blijven, veeleer dan naar de vleugelen ener valk. De Geest daalde neer op Christus gelijk ene duive, en alle gelovigen delen in den Geest van Christus, hebben de gezindheid der duive, geneigd tot liefde, en niet tot krijg. "Wacht u voor de mensen," vers 17. "Weest steeds op uwe hoede, en vermijdt gevaarlijk gezelschap, geeft acht op hetgeen gij zegt en doet, en verlaat u niet al te sterk op de trouw van wie het ook zij, vertrouwt niet op een vriend, ja zelfs niet op uwe huisvrouw," Micha 7:5. Het betaamt de Godvruchtigen voorzichtig te zijn, want ons wordt geleerd "af te laten van den mens". Wij leven in zulk ene ellendige wereld, dat wij niet weten wie te vertrouwen. Sedert onze Meester door een Zijner eigene discipelen verraden werd met een kus, moeten wij ons altijd "wachten voor de mensen," of voor valse broederen. "Zijt niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult," vers 19. "Als gij voor de overheid gebracht wordt, gedraagt u betamelijk, maar kwelt u niet met de gedachte hoe of op wat wijze gij zult spreken om vrijgelaten te worden. Uwe gedachten moeten u dan tot voorzichtigheid leiden, maar zij moeten u niet kwellen of ontrusten, laat die zorge op den Heere gewenteld worden, zowel als de zorge "voor hetgeen gij zult eten of drinken. Bevlijtigt u niet om fraaie woorden te gebruiken, ten einde u aangenaam bij hen te maken, gene vreemdsoortige uitdrukkingen, gene vernuftige gezegden en fraai gebouwde volzinnen, die slechts dienen om aan ene slechte zaak een schonen glimp te geven, het goud ener goede zaak heeft geen verguldsel nodig. Grote bezorgdheid geeft vrees te kennen voor uwe zaak, alsof zij niet duidelijk genoeg voor zich zelf sprak. Gij weet op welken grond gij staat, en dan zullen de gepaste woorden en uitdrukkingen wel van zelf komen." Nooit heeft iemand voor stadhouders en koningen beter gesproken, dan de drie strijders voor de waarheid, die niet bezorgd waren hoe of wat zij zouden spreken: "O Nebukadnezar, wij hebben niet van node u op deze zaken te antwoorden", Daniël 3:16. Zie ook Psalm 119:146. De discipelen van Christus moeten meer zorge hebben om wel te doen dan om wel te spreken, hoe hun oprechtheid te bewaren, dan haar te bewijzen. Ons leven, niet onze roemende woorden, is onze beste verantwoording. "Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere" vers 23. Verwerpt dus hen, die u en uwe leer verwerpen, en beproeft of niet anderen u en haar zullen ontvangen en aannemen. "Weest aldus bedacht op uwe veiligheid". Bij dringend gevaar mogen en moeten de discipelen van Christus zich in veiligheid stellen door de vlucht, wanneer God in Zijne voorzienigheid hun ene deure ter ontkoming opent. Wie vlucht, kan later wederom strijden. Het is gene lafhartigheid als de krijgsknechten van Christus het strijdperk verlaten, mits zij hun vlag niet verlaten, zij mogen het gevaar uit den weg gaan, hoewel zij niet uit den weg mogen gaan van hun plicht. Let op Christus' zorge voor Zijne discipelen, door plaatsen voor hen te voorzien, waarheen zij konden vlieden, het zo regelende, dat de vervolging niet overal tegelijk woedt, maar als de ene stad te heet is voor hen, is er ene andere met ene koele schaduw, en waar Hij voor "een weinig tijds hun een heiligdom is", ene gunst, die gebruikt en niet gering geacht moet worden, doch steeds onder het beding, dat gene zondige, onwettige middelen ter ontkoming gebruikt worden, want dan is het gene deur, die God geopend heeft. Wij hebben voor dezen regel vele voorbeelden in de geschiedenis van Christus en van de apostelen, voor welker toepassing in bijzondere gevallen wijsheid en oprechtheid ons moeten leiden. Vreest dan hen niet, vers 26, want zij kunnen slechts het lichaam doden, vers 28. Het is de plicht en het belang van Christus' discipelen om zelfs de grootsten of machtigsten hunner tegen- standers niet te vrezen. Zij, die waarlijk God vrezen, behoeven den mens niet te vrezen, behoeven zelfs voor de grootste ramp of benauwdheid niet bang te wezen. "De siddering des mensen legt een strik", een verwarrenden strik, die onzen vrede stoort, een strik, die ons in zonde doet vallen, en daartegen moet gewaakt, gestreden en gebeden worden. Hoe moeilijk de tijden ook zijn, hoe woedend en gewelddadig de vijanden en hoe dreigend de gebeurtenissen, toch behoeven wij niet te vrezen, "wij zullen niet vrezen, al veranderde de aarde hare plaats", terwijl wij zulk een goeden God hebben, zo goed ene zaak, en "zo goed ene hope door genade". Ja, dit is spoedig gezegd, maar als de proef genomen wordt, dan zijn rad en pijniging, kerkerholen en galeien, de bijl van den beul of de galg,. vuur en brandstapel schrikkelijke dingen, die ook het kloekmoedigste hart kunnen doen sidderen en terugdeinzen, inzonderheid wanneer het duidelijk is, dat dit alles door een paar schreden achterwaarts ontweken zou kunnen worden. Ten einde ons dus te versterken tegen deze verzoeking, hebben wij hier: Ene goede reden tegen deze vreze, ontleend aan de beperktheid van de macht der vijanden: zij doden het lichaam, dat is het uiterste, waartoe hun woede kan genaken. Tot hiertoe kunnen zij gaan, indien God het hun toelaat, maar niet verder. De ziel kunnen zij niet doden, noch haar schaden, en de ziel is de mensen. Hieruit blijkt, dat de ziel niet gelijk sommigen menen, bij den dood insluimert, noch ontbloot is van gedachten en gewaarwordingen, want dan zou het doden van het lichaam ook het doden wezen van de ziel. De ziel wordt gedood, als zij wordt gescheiden van God en Zijne liefde, welke haar leven is, en dan is zij tot een vat des toorns gemaakt. Dit nu is buiten hun bereik. Benauwdheid, verdrukking en vervolging kunnen ons scheiden van geheel de wereld, maar zij kunnen gene scheiding maken tussen ons en God, kunnen niet veroorzaken, dat wij Hem niet liefhebben, of door Hem niet worden bemind, Romeinen 8:35, 37. Indien wij dus meer zorge hadden over onze ziel, als zijnde ons kostbaarst juweel, dan zouden wij nimmer bevreesd zijn voor de mensen, daar zij ons dit juweel niet kunnen ontroven. Zij kunnen slechts het lichaam doden, dat toch weldra van zelf zou sterven, niet de ziel, welke in weerwil van hen zich blijft verheugen in de genieting van haar God. Slechts het omhulsel kunnen zij verpletteren. Een Heiden heeft hiermede een tiran getrotseerd: "Gij kunt het omhulsel van Anaxarchus mishandelen, maar Anaxarchus zelf kunt gij niet schaden." De parel van grote waarde blijft onaangeroerd. Een goed middel wordt ons hier gegeven tegen deze vreze, en dat is: God te vrezen. "Vreest Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel." Merk op, ten eerste, dat de hel de verwoesting, het verderf is, beide van ziel en lichaam, niet van beider zijn, maar van beider welzijn. Zij is het verderf van den gehelen mens, als de ziel verloren is, is ook het lichaam verloren. Zij hebben te zamen gezondigd, het lichaam was de verleider der ziel tot de zonde, en het werktuig in de zonde, en zij moeten eeuwiglijk te zamen lijden. Ten tweede. Dit verderf komt voort uit de macht van God: Hij is machtig te verderven, het is een verderf "van de heerlijkheid Zijner macht," 2 Thessalonicenzen 1:9. Hij wil daarin "Zijne macht bekend maken", niet slechts Zijne macht om het vonnis uit te spreken, maar Zijne macht om het ten uitvoer te leggen, Romeinen 9:22. Ten derde: daarom moet God zelfs door de beste heiligen in de wereld gevreesd worden. "Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen om "voor hem te schrikken". 2 Corinthiërs 5:11, Psalm 33:8. Indien "de sterkte Zijns toorns is, naar dat Hij is te vrezen", dan moet Hij ook "naar dat Zijn toorn is, gevreesd worden", Psalm 90:11. Als Adam in den staat der onschuld, verschrikt was door ene bedreiging, dan moet geen discipel van Christus denken, dat hij door gene heilige vreze in toom moet worden gehouden. "Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest." De God van Abraham wordt na diens dood, de "Vreze" genoemd "van Izaak", die nog leefde. Genesis 31:42, 53. De vreze Gods en van Zijne macht, in de ziel heersende, zal een krachtig tegengift wezen tegen de vreze voor den mens. Het is beter onder het misnoegen te vallen van geheel de wereld, dan onder het misnoegen Gods, en daarom, gelijk het op zich zelf volstrekt recht is, zo is het ook voor ons het veiligste "God meer te gehoorzamen dan den mens," Handelingen 4:19. Zij, die vrezen voor den mens, die sterven zal, vergeten den Heere, die hen gemaakt heeft, Jesaja 51:12, 13, Nehemia 4:14. "Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht", vers 27. "Welk gevaar gij ook loopt, gaat voort met uw werk van het eeuwig Evangelie te verkondigen, dat is uw werk, doet het. Het doel der vijanden is niet slechts U te verderven, maar tevens dat te onderdrukken, en dus, wat er ook het gevolg van moge zijn, verkondigt dat. Zegt hetgeen Ik u zeg. Wat de apostelen ons overgeleverd hebben, is hetzelfde wat zij van Jezus Christus hebben ontvangen, Hebreeën 2:3. Zij zeiden wat Hij hun gezegd had, al wat Hij hun gezegd had, en niets anders, Deze gezanten ontvingen hun instructies in het verborgen, in de duisternis, in het oor, in gelijkenissen. Christus heeft vele dingen openlijk gesproken en in het verborgen niets, dat daarmee in strijd was, Johannes 18:20. Maar de bijzondere instructies, die Hij Zijn discipelen gegeven heeft na zijne opstanding van de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan, werden in het oor gesproken. Handelingen 1:3, want toen heeft Hij zich nooit openlijk vertoond. Maar zij moeten hun boodschap in het openbaar overbrengen, in het licht en op de daken, want de leer des Evangelies gaat allen aan, Prediker 1:20, 21, 8:23. Daarom: "Die oren heeft, die hore." De eerste aanduiding van het toelaten der Heidenen in de kerk, geschiedde op een dak, Handelingen 10:9. Er is geen enkel deel van Christus' Evangelie, dat, om welke redenen ook, verborgen behoeft te worden, "al de raad Gods" moet bekend gemaakt worden, Handelingen 20:27. Hoe gemengd de schare ook moge zijn, het Evangelie moet haar duidelijk en ten volle verkondigd worden.
2. Bij wijze van vertroosting en bemoediging. Daar wordt hier veel van gezegd, en toch weinig genoeg, in aanmerking genomen de vele hardheden, die zij zullen ondervinden in den loop hunner Evangeliebediening, en hun tegenwoordige zwakheid, die zo groot was, dat zij, zonder ene krachtige ondersteuning, zelfs het vooruitzicht van zulk ene behandeling nauwelijks konden dragen. Daarom toont Christus hun waarom zij goedsmoeds moeten zijn. Hier is dan een woord, dat inzonderheid hun tegenwoordige zending betreft, vers 23. "Gij zult uwe reis door de steden Israël's niet geëindigd hebben, of de Zoon des mensen zal gekomen zijn." Zij moesten prediken, dat het koninkrijk van den Zoon des mensen, den Messias, nabij was, zij moesten bidden: "Uw koninkrijk kome", en nu zullen zij hun reis door de steden Israël's niet volbracht hebben, aldus biddende, en aldus predikende, voordat dit koninkrijk zou gekomen zijn in de verhoging van Christus en de uitstorting des Geestes. Het was hun ene vertroosting, dat hetgeen zij zeiden vervuld zou worden. Zij zeiden: de Zoon des mensen staat te komen, en ziet: Hij komt, Christus zal het woord Zijner boden bevestigen, Jesaja 44:26. Dat het weldra vervuld zou worden. Het is ene zaak van vertroosting voor de arbeiders van Christus, dat hun arbeidstijd kort, en weldra voorbij zal zijn, de huurling heeft zijn dag, in ene kleine wijle zullen het werk en de strijd vervuld zijn. Dat zij dan tot hoger eer bevorderd zullen worden. "Als de Zoon des mensen komt, zullen zij aangedaan zijn met kracht uit de hoogte." Thans zijn zij uitgezonden als boden, maar na nog een weinig tijds zal hun opdracht worden uitgebreid, dan zullen zij als gevolmachtigden uitgezonden worden in de gehele wereld. Hier zijn ook vele woorden, die betrekking hebben op hun werk in het algemeen, en de moeilijkheden en benauwdheden, die zij er in zullen ondervinden. En het zijn goede, troostrijke woorden. Dat hun lijden zal zijn tot een getuigenis tegen hen en de Heidenen, vers 18. Als de Joodse kerkelijke vergaderingen u overleveren aan de Romeinse stadhouders, om u ter dood te doen brengen, dan zal uw voortgejaagd worden van den enen rechterstoel naar den anderen, u helpen om uw getuigenis des te meer bekend te maken, u de gelegenheid geven, om het Evangelie te brengen tot de Heidenen, zowel als tot de Joden, ja gij zult juist door het lijden, dat u wordt aangedaan, getuigen in hun tegenwoordigheid en tegen hen. Gods volk, en inzonderheid zijne Evangeliedienaren, zijn Zijne getuigen, Jesaja 43:10, niet slechts in hun werk van doen, maar ook in hun werk van lijden. Van daar dat zij martelaars genoemd worden- getuigen voor Christus, dat Zijne waarheden van ontwijfelbare zekerheid en waardij zijn, en, getuigen zijnde voor Hem, zijn zij getuigen tegen hen, die Hem en Zijn Evangelie tegenstaan. Gelijk het lijden der martelaren getuigt voor de waarheid van het Evangelie, dat zij belijden, zo getuigt het ook tegen de vijandschap van hun vervolgers, en op beiderlei wijze is het een getuigenis tegen hen, en zal als blijk en bewijs voorgebracht worden in den groten dag, wanneer de heiligen de wereld zullen oordelen. En de reden van het vonnis zal wezen: "Voor zoveel gij dit aan hen gedaan hebt, hebt gij dat Mij gedaan." Indien nu hun lijden een getuigenis is, hoe blijmoedig behoren zij het dan niet te dragen! Dat zij bij alle gelegenheden Gods bijzondere tegenwoordigheid zullen smaken en de onmiddellijke hulpe van Zijn Heiligen Geest, inzonderheid wanneer zij geroepen worden om hun getuigenis af te leggen voor stadhouders en koningen: "Het zal u in dezelve ure gegeven worden", zegt Christus, "wat gij spreken zult." Christus' discipelen waren gekozen van uit het dwaze der wereld, zij waren ongeletterde, onwetende mannen, en daarom konden zij terecht hun eigene bekwaamheid mistrouwen, inzonderheid als zij voor groten en aanzienlijken moesten verschijnen. Toen Mozes tot Farao werd gezonden, klaagde hij: "Ik ben geen man wèl ter tale". Exodus 4:10. Toen Jeremia tot profeet over het koninkrijk was gesteld, kwam hij met de tegenwerping: "Ik ben jong", Jeremia 1:6, 10. In antwoord nu hierop wordt hun hier ten eerste beloofd, dat "het hun gegeven zal worden" niet enigen tijd te voren, maar "in diezelve ure wat zij zullen spreken". Zij zullen spreken "voor de vuist", en toch zo gepast, alsof het te voren bestudeerd was. Als God ons roept om voor Hem te spreken, dan kunnen wij er vast op aan, dat Hij ons leren zal wat te zeggen, zelfs in de moeilijkste en meest moed-benemende omstandigheden. In de tweede plaats wordt hun hier verzekerd, dat de gezegende Geest voor hen zal spreken. "Gij zijt het niet, die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt", vers 20. Zij waren in zulke omstandigheden niet aan zich zelven overgelaten, God nam zich hunner aan, Zijn Geest der wijsheid sprak in hen, gelijk soms Zijne voorzienigheid op wondervolle wijze voor hen gesproken heeft, zodat zij door die beiden: Gods Geest en Gods voorzienigheid, in de consciëntie hunner vervolgers zelven openbaar werden als hetgeen zij waren. God gaf hun bekwaamheid, niet alleen om gepast en ter zake te spreken, maar ook te spreken met heiligen ijver. Dezelfde Geest, die hen ondersteunde op den kansel, ondersteunde hen voor den rechterstoel. Het kan niet anders, of zij moeten welslagen in hun verantwoording, die zulk een Voorspraak hebben, en tot wie God zegt, gelijk Hij tot Mozes gezegd heeft, Exodus 4:12 :"Ga henen, Ik zal met uwen mond zijn" en met uw hart. Dat "die volstandig zal blijven tot het einde, zal zalig worden." Hier is het troostrijk te bedenken, ten eerste, dat er aan al deze moeilijkheden een einde zal komen, zij kunnen lang duren, maar zullen niet eeuwig duren. Christus heeft zich hiermede vertroost, en dat kunnen Zijne volgelingen ook: "Die dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde, Lukas 22:37. Een gelovig vooruitzien op het einde van onze benauwdheden, kan zeer nuttig zijn om er ons onder te steunen. "De vermoeiden van kracht rusten, als de bozen ophouden van beroering" Job 3:17. God zal geven het einde en de verwachting, Jeremia 29:11. De moeilijkheden en wederwaardigheden kunnen ons bezwarend en verdrietig zijn, als de dagen eens dagloners, maar, geloofd zij Cod, zij zijn niet eeuwigdurend. Ten tweede, dat zij, zolang zij duren, verduurd kunnen worden, gelijk zij niet eeuwig zijn, zijn zij ook niet ondraaglijk. Zij kunnen verdragen worden, ten einde toe, omdat de lijders er onder gesteund, en door "de eeuwige armen" gedragen zullen worden. Naar onze dagen zal onze kracht wezen, 1 Corinthiërs 10:13. Ten derde: voor allen, die volstandig blijven tot het einde, zal de eeuwige zaligheid het loon wezen. Het weer is stormachtig, en de weg is vuil en modderig, maar de aangename gewaarwording van t huis te komen vergoedt alles. Een gelovig zien op de kroon der heerlijkheid is in alle eeuwen de troost en hartsterking geweest van de lijdende heiligen, 2 Corinthiërs 4:16, 17, 18, Hebreeën 10:34. Dit is niet slechts ene aanmoediging voor ons, om te verdragen, maar ook als ene aansporing, om te verdragen tot het einde. Zij, die slechts verdragen voor ene wijle, en in tijden van verzoeking afvallen, hebben te vergeefs gelopen, en verliezen alles wat zij hadden gewonnen, maar zij, die volharden, en zij alleen, zijn zeker van den prijs. Zijt getrouw tot den dood, en dan zult gij de kroon des levens ontvangen. Welke harde behandeling de discipelen van Christus ook zullen ondervinden, het is niet meer dan wat hun Meester te voren ondervonden heeft, vers 24 en 25. "De discipel is niet boven den meester" waarom zij niet moeten aarzelen het geringste werk te doen, bijv. elkanders voeten te wassen, Johannes 13:16. Hier wordt dit aangevoerd als ene reden, waarom zij ook onder het zwaarste lijden niet moeten wankelen. Zij worden herinnerd aan dit gezegde in Johannes 15:20. Het is een spreekwoordelijke uitdrukking: "Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer," en daarom moet hij ook niet verwachten, dat het hem beter gaan zal dan zijn heer. Jezus Christus is onze Meester, onze Leraar, en wij zijn Zijne discipelen om van Hem te leren, Hij is onze Meester om ons te bevelen, en wij zijn Zijne dienstknechten om Hem te gehoorzamen. Hij is de Meester, of Heer des huizes, oikodes potês, Hij is oppermachtig in de kerk, die Zijn huisgezin is. Jezus Christus, onze Heere en Meester, heeft ene zeer harde behandeling ondervonden van de wereld. Zij noemden Hem Beëlzebub, den vliegengod, de naam van den overste der duivelen, met wie zij zeiden, dat Hij in verbond was. Het is moeilijk te zeggen, waarover men zich hier het meest moet verwonderen: over de boosheid der mensen, die aldus Christus scholden en mishandelden, of over het geduld van Christus, die zich aldus heeft laten mishandelen, dat Hij, die de God der heerlijkheid was, gebrandmerkt zou worden als de vliegengod, de Koning Israël's, als de god van Ekron, de Vorst des lichts en des levens, als de overste van de machten des doods en der duisternis, dat Satans grootste Vijand en Verderver, gesmaad werd als zijn bondgenoot, en dat Hij toch zulk tegenspreken der zondaars verdragen heeft. Als wij nadenken over de mishandeling, die Christus van de wereld heeft ondervonden, dan moet dit ons er toe leiden hetzelfde te verwachten en er ons op voorbereiden, ten einde het geduldig te dragen. Laten wij het niet vreemd achten, dat zij, die Hem hebben gehaat, om Zijnentwil ook Zijne volgelingen haten, het ook niet hard vinden, indien zij, die Hem weldra gelijkvormig gemaakt zullen worden in de heerlijkheid, Hem thans gelijkvormig gemaakt worden in Zijn lijden. Christus heeft den bitteren beker het eerst gedronken, laten ook wij hem drinken. Zijn dragen van het kruis heeft het kruisdragen voor ons gemakkelijk gemaakt. Dat er "niets bedekt is, hetwelk niet ontdekt zal worden, vers 26. Wij verstaan dit, ten eerste: Van de ontdekking, of openbaring, van het Evangelie voor geheel de wereld. "Maakt het bekend, vers 27, want het zal bekend gemaakt worden. De waarheden, die nu, als geheimenissen, verborgen zijn voor de kinderen der mensen, zullen allen bekend gemaakt worden aan alle volken, in hun eigene talen", Handelingen 2:11. "Alle de einden der aarde zullen zien het heil onzes Gods". Het is voor hen, die Christus' werk doen, ene grote bemoediging, dat het een werk is, dat gedaan zal worden. Het is een ploeg, dien God voorspoedig door den akker zal laten gaan. Of: Ten tweede: Van het aan het licht komen der onschuld van Christus' lijdende dienstknechten, die Beëlzebub genoemd worden. Hun waar karakter wordt thans op hatelijke wijze onder valse kleuren voorgesteld, maar hoe bedekt hun onschuld en voortreffelijkheid thans ook zijn, zij zullen ontdekt worden. Soms geschiedt dit in grote mate reeds in deze wereld, als de gerechtigheid der heiligen door volgende gebeurtenissen zal voortkomen als het licht. Evenwel, het zal bovenal geschieden in dien groten dag, wanneer hun heerlijkheid geopenbaard zal worden aan de gehele wereld, aan engelen en mensen, voor wie zij thans een schouwspel zijn geworden. 1 Corinthiërs 4:9. Al hun smaad zal afgewenteld zijn, en hun genadegaven en verdiensten, die nu bedekt zijn, zullen dan ontdekt worden, 1 Corinthiërs 4:5. Het is voor het volk van God onder de lastering en smaad der mensen ene oorzaak van vertroosting, dat er ene opstanding zal zijn van namen zowel als van lichamen, wanneer, op den laatsten dag, "de rechtvaardigen zullen blinken als de zon". Laten de dienstknechten van Christus Zijne waarheden getrouwelijk openbaren, en het dan aan Hem overlaten, om ter bestemder tijd hun oprechtheid aan het licht te brengen. Dat de voorzienigheid Gods over de heiligen bijzonder ervaren wordt in hun lijden, vers 29-31. Het is goed de toevlucht te nemen tot onze eerste beginselen, inzonderheid tot de leer van Gods algemene voorzienigheid, die zich uitstrekt over alle schepselen en al hun handelingen, tot zelfs de kleinste en geringste. Het licht der natuur leert ons dit, en het is troostrijk voor alle mensen, en inzonderheid voor Godvruchtige mensen, die, in het geloof, dezen God hun Vader kunnen noemen, en over wie Hij ene tedere zorge en in wie Hij ene zo grote belangstelling heeft. Zie hier: Ten eerste: hoe de voorzienigheid Gods zich uitstrekt over alle schepselen, zelfs de kleinste en geringste, de musjes, vers 29. Deze diertjes zijn van zo weinig aanbelang, dat een er van gene waarde heeft, er moeten twee zijn om een penningsken waard te wezen, (ja gij zult er vijf hebben voor twee penningskens", Lukas 12:6), en toch delen zij in de zorge Gods: "Niet een van deze zal op aarde vallen zonder uwen Vader", dat is: Zij laten zich niet neer op den grond om een graankorreltje op te pikken, of uw hemelse Vader, heeft het er door Zijne voorzienigheid voor ze gereed gelegd. In de gelijkluidende plaats, in Lukas 12:6, wordt dit aldus uitgedrukt: "Niet een van die is voor God vergeten", vergeten om er voor te voorzien, Hij "voedt ze", Hoofdstuk 6:26. Hij nu, die de musjes voedt, zal de heiligen niet van honger laten omkomen. Zij vallen niet op de aarde door den dood, hetzij den natuurlijken dood of den dood door geweld, zonder het opmerken Gods. Hoewel zij zulk een klein deel uitmaken van de schepping, valt toch zelfs hun dood onder de opmerking der Goddelijke voorzienigheid, hoe veel te meer dan niet de dood der discipelen! De vogels die in de lucht zweven, vallen, als zij sterven, op de aarde, de dood brengt ook de hoogsten naar de aarde. Sommigen zijn van mening dat Christus hier zinspeelt op de twee vogels, die gebruikt werden om den melaatse te reinigen, Leviticus 14:6, (daar het woord vogels hier ook door mussen vertaald kan worden), en waarvan de een gedood werd, en dus ter aarde viel, terwijl men den anderen weg liet vliegen. Nu scheen het ene zaak van het toeval, welke van de twee gedood werd, de personen, die dit werk verrichtten, namen er voor welken zij wilden, maar in werkelijkheid was het Gods voorzienigheid, die dit besliste en aanwees. Die God nu, die de musjes gadeslaat, omdat zij Zijne schepselen zijn, zal nog veel meer u gadeslaan, die zijne kinderen zijt. Indien geen musje sterft, zonder uwen Vader, dan voorzeker zal ook de mens, de Christen, de leraar, mijn vriend, mijn kind, niet sterven zonder Hem. Geen vogel valt in het net des vogelaars, noch door het schot van den jager, en komt dus niet op de markt om verkocht te worden, of het is naar de beschikking en aanwijzing der voorzienigheid. Als listige vogelaars leggen uwe vijanden strikken voor u, en in het verborgen schieten zij op u, maar zij kunnen u vangen noch raken, zo God het hun niet toelaat. Weest dus niet bevreesd voor den dood, want uwe vijanden hebben gene macht tegen u, tenzij die hun "van Boven gegeven is." God kan hun bogen en strikken verbreken, Psalm 38: 13-16, 64:5-8, en kan onze ziel doen ontkomen als een vogel, Psalm 124:7. "Vreest dan niet," vers 31. Er is in de leer van Gods voorzienigheid genoeg om aan alle vrees van Gods volk het zwijgen op te leggen: "gij gaat vele musjes te boven," want de andere schepselen zijn voor den mens gemaakt, en zijn "onder zijne voeten gezet." Psalm 8:7-9, en veel meer nog de discipelen van Jezus Christus, die, hoe ook gesmaad en geminacht, alsof zij geen musje waard waren, toch de heerlijken der aarde zijn. Ten tweede: Hoe de voorzienigheid bijzonder kennis neemt van den toestand der discipelen, inzonderheid van hun lijden, vers 30. "En ook uwe haren des hoofds zijn allen geteld." Dit is ene spreekwoordelijke uitdrukking, aantonende, hoe God nota houdt van alles wat Zijn volk betreft, ook van het geringste, en waar gewoonlijk het minst acht op wordt geslagen. Dit moet niet tot ene zaak van nieuwsgierig onderzoek gemaakt worden, maar van bemoediging om te leven in voortdurende afhankelijkheid van Gods voorzienige zorg, die zich uitstrekt over alles wat er voorvalt, zonder te kort te doen aan de oneindige heerlijkheid, of te schaden aan de oneindige rust en kalmte van den Eeuwige. Indien God hun haren telt, nog veel meer telt Hij hun hoofden, draagt Hij zorg voor hun leven, hun vertroostingen, hun zielen. Het geeft te kennen, dat God meer en beter voor hen zorgt, dan zij voor zich zelven zorgen. Zij, die zo veel zorge hadden om hun geld, hun goederen, hun vee te tellen, hebben toch nooit zorge gehad om de haren huns hoofds te tellen, die zij verliezen en niet eens missen. Maar God telt de haren van Zijn volk, en niet "een haar uit hun hoofd zal verloren gaan," Lukas 21:18, niet het minste letsel zal hun toegebracht worden, dan om goede en gewichtige redenen, zo kostbaar en dierbaar aan God zijn Zijne heiligen, hun leven en dood! Weldra, ten dage Zijner overwinning, zal Hij hen erkennen, of belijden, die Hem thans belijden ten dage der beproeving, wanneer zij, die Hem verloochenen, voor altijd door Hem verloochend en verworpen zullen worden, vers 32, 33. Let nu op. Ten eerste, dat het onze plicht is-en zo wij dien plicht volbrengen, zal het hiernamaals ons onuitsprekelijke eer en zaligheid zijn-om Christus te belijden voor de mensen. Het is onze plicht, niet slechts in Christus te geloven, maar dat geloof te belijden, door voor Hem te lijden, als wij daartoe geroepen worden, zowel als door Hem te dienen. Nooit moeten wij ons onze betrekking tot Christus schamen, evenmin als ons dienen van Hem en onze verwachting van Hem. Hierdoor blijkt de oprechtheid van ons geloof, wordt Zijn naam verheerlijkt, en worden anderen gesticht. Hoe dit ons thans nu ook moge blootstellen aan smaad en leed, in "de opstanding der rechtvaardigen" zal ons dit heerlijk vergoed worden, als het onze onuitsprekelijke eer en blijdschap zal zijn om Christus te horen zeggen: (wat kunnen wij meer begeren?) "Hem zal Ik belijden," deze, hoewel een nietige aardworm, is de Mijne, een Mijner vrienden en gunstgenoten, die Mij heeft liefgehad, en dien Ik liefgehad heb, de gekochten door Mijn bloed, het werk Mijns Geestes: "Ik zal hem belijden voor Mijn Vader, wanneer hem dit van den grootsten dienst zal wezen, dan zal Ik hem voorstellen aan Mijn Vader." Zij, die Christus eren, zullen door Hem geëerd worden. Zij eren Hem voor de mensen, dat is ene geringe zaak, Hij zal hen eren voor Zijn Vader, dit is ene grote heerlijke zaak. Ten tweede, dat het voor iedereen ene gevaarlijke zaak is Christus te verloochenen voor de mensen, want die dit doen, zullen door Hem verloochend worden in dien groten dag, als zij Hem het meest nodig hebben, Hij zal hen niet erkennen als Zijne dienstknechten, die Hem niet wilden erkennen als hun Meester: "Ik zeg u: Ik heb u nooit gekend, Hoofdstuk 7:23. In de eerste eeuwen van het Christendom, toen Christus te belijden betekende al wat iemand lief en dierbaar is in deze wereld in de waagschaal te stellen, was dit een scherper toets van iemands oprechtheid, dan dit later was, toen daar veeleer werelds voordeel aan verbonden was. Dat de grond van hun discipelschap gelegd was in zulk ene gemoedsgesteldheid, als waardoor lijden licht voor hen werd, en het was op voorwaarde van bereid te zijn tot lijden, dat Christus hen aannam als Zijne volgelingen, vers 37-39. Hij zei hun reeds bij den aanvang, dat zij Zijner "niet waardig waren," indien zij niet gewillig en bereid waren om Zijnentwil alles te verlaten. De mensen deinzen niet terug voor moeilijkheden, die noodzakelijkerwijs aan hun beroep of roeping verbonden zijn, en waarop zij gerekend hebben, toen zij dit beroep kozen, en zij zullen of zich goedsmoeds onderwerpen aan deze vermoeienissen en wederwaardigheden, of geen recht hebben op de voorrechten en voordelen van dat beroep. Nu worden in de Christelijke roeping diegenen het geluk en de waardigheid er van onwaardig geacht, die op hun deel aan Christus niet zo veel prijs hebben gesteld, dat het hun boven alle andere dingen ging. Zij kunnen de voordelen ener overeenkomst niet verwachten, die aan de voorwaarden niet willen voldoen. De voorwaarden nu zijn aldus gesteld: indien de Godsdienst iets waard is, dan is hij alles waard, daarom zullen allen, die in de waarheid er van geloven, spoedig de waardij er van beseffen, en zij, voor wie hij het levensdoel en levensgeluk geworden is, zullen er alles aan ondergeschikt maken. Zij, die op deze voorwaarden niet van Christus gediend wensen te zijn, kunnen Hem laten, dit komt dan voor hun rekening, dat is: zij zullen er dan de gevolgen van hebben te ondervinden. Het is daarbij zeer troostrijk te bedenken, dat, wat wij ook om Christus wil verlaten of verliezen, of lijden, het toch zal blijken, dat wij er alles behalve schade of nadeel van hebben. Wat wij ook opgeven, om deze parel van grote waarde te verkrijgen, wij kunnen ons troosten met de overtuiging, dat zij ruimschoots waard is wat wij er voor geven. De voorwaarden zijn: dat wij aan Christus boven alles de voorkeur moeten geven. Wij moeten Hem dus stellen, ten eerste boven de naaste en dierbaarste bloedverwanten, boven vader of moeder, zoon of dochter. Omdat er tussen deze bloedverwanten weinig plaats is voor nijd of afgunst, is er gewoonlijk meer plaats voor liefde, en daarom zijn zij als voorbeelden gegeven van bloedverwanten, voor wie wij het meest gevoelen. Kinderen moeten hun ouders liefhebben, en ouders hun kinderen, maar als zij hen meer liefhebben dan Christus, zijn zij Zijns niet waardig. Gelijk wij ons van Christus niet moeten laten terughouden door den haat onzer bloedverwanten, waarvan Hij gesproken heeft, vers 21, 35, 36, zo moeten wij ons ook niet van Hem laten aftrekken door hun liefde, Christenen moeten wezen als Levi, die tot zijn vader zei: Ik zie hem niet. Deuteronomium 33:9. Ten tweede: boven ons gemak en onze veiligheid. Wij moeten "ons kruis opnemen en Hem volgen," of wij zijn Zijns niet waardig." Hierbij valt op te merken, dat zij, die Christus willen volgen, een kruis moeten verwachten, en dat kruis op zich moeten nemen. Dat wij, het kruis op ons nemende, Christus voorbeeld moeten volgen, en het dragen, zoals Hij het gedragen heeft. Het is ons ene grote bemoediging, als kruisen ons deel zijn, dat wij, door ze te dragen, Christus navolgen, die ons is voorgegaan, en dat, zo wij Hem getrouwelijk volgen, Hij ons, door Hem gelijk te zijn in lijden, leiden zal om met Hem in de heerlijkheid te wezen. Ten derde: zelfs boven het leven, vers 39. "Die zijne ziel vindt, zal dezelve verliezen, " die denkt haar gevonden te hebben, als hij haar heeft behouden door Christus te verloochenen, zal haar verliezen in den eeuwigen dood, maar "die zijne ziel zal verloren hebben" om Christus wil, dat is: die liever zijn leven verliest dan Christus te verloochenen, zal haar vinden, met onuitsprekelijk heerlijk gewin, want hij vindt het eeuwige leven. Diegenen zijn het best bereid voor het toekomende leven, die van het tegenwoordige leven het meest los zijn. Christus zelf zal zich zo volkomen hunner zaak aannemen, dat Hij zich een Vriend zal betonen van al hun vrienden, en alle vriendelijkheid zal vergelden, die hun te eniger tijd betoond is geworden, vers 40-42. "Die u ontvangt, ontvangt Mij." Hiermede wordt te kennen gegeven, dat wel het merendeel der mensen hen zal verwerpen, maar dat er toch sommigen zullen zijn, die hen zullen ontvangen, de boodschap van harte zullen aannemen, en, om der wille van de boodschap, de boden welkom zullen heten in hun huizen. Als sommigen van het Evangelie niet gediend willen zijn, anderen willen het wèl. Ook in de slechtste tijden is er altijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade. De dienstknechten van Christus zullen niet te vergeefs arbeiden. Wat aan Zijne getrouwe dienstknechten gedaan wordt, hetzij in vriendelijkheid of in onvriendelijkheid, acht Jezus Christus als Hem zelven te zijn aangedaan, Hij acht zich zelven behandeld te zijn zoals zij behandeld werden. "Die u ontvangt, ontvangt Mij". Eer of smaad, aangedaan aan een gezant, is eer of smaad, aangedaan aan den vorst, die hem zendt, en Evangeliedienaren zijn gezanten van Christus. Zie, hoe Christus thans nog ontvangen en onthaald kan worden door hen, die Hem hun' eerbied wensen te betonen: Zijn volk, Zijne Evangeliedienaren hebben wij altijd met ons, en Hij is met hen al de dagen tot aan de voleinding der wereld. Ja, de ere gaat nog hoger op: "Die Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft." Niet slechts Christus beschouwt dit als Hem zelven aangedaan, maar door Christus doet ook God dit. Door Christus' dienstknechten te ontvangen en te herbergen, hebben zij niet slechts onwetend engelen geherbergd, maar Christus, ja God zelf, en dat ook onwetend, gelijk blijkt uit Hoofdstuk 25:37. "Wanneer hebben wij U hongerig gezien?" En hoe gering de vriendelijkheid, aan Christus' discipelen bewezen, ook zij, als er aanleiding toe was, en het vermogen om mèèr te doen ontbrak, dan zal zij toch aangenomen en erkend worden, al ware het slechts "een beker koud waters aan een van deze kleinen te drinken gegeven", vers 42. Zij zijn "kleinen" arm en zwak, zij hebben dikwijls ene verkwikking nodig, en zijn dan blijde met het geringste, dat hun wordt aangeboden. De nood kan zo groot wezen, dat "een beker koud waters" ene grote gunst voor hen is. Vriendelijkheid, betoond aan Christus' discipelen, wordt in Christus' boeken geschat, niet naar den prijs, die de gave gekost heeft, maar naar de liefde van den gever. Te dien aanzien was het penningske der weduwe niet slechts geldige munt, maar werd er zelfs ene hoge waardij aan toegekend, Lukas 21:3, 4. Aldus kunnen zij, die rijk zijn in genade, rijk zijn in goede werken, hoewel zij arm zijn in de wereld. Die vriendelijkheid aan Christus' discipelen, welke Hij zal aannemen, moet bewezen worden met het oog op Hem, en om Zijnentwil. Een profeet moet ontvangen worden "in den naam van een profeet", en "een rechtvaardige" in den naam "eens rechtvaardigen" en "een van deze kleinen" "in den naam eens discipels,', niet omdat zij geleerd, of vernuftig zijn, en evenmin omdat zij bloedverwanten of vrienden, of naburen zijn, maar omdat zij rechtvaardig zijn, en aldus het beeld van Christus dragen, omdat zij profeten en discipelen zijn, en dus op Christus' boodschap zijn uitgezonden. Het is een gelovige eerbied voor Christus, die ene Hem welbehaaglijke waardij verleent aan de vriendelijkheid, Zijnen dienstknechten bewezen. De vriendelijkheid, aan Christus' volk en dienstknechten betoond, zal niet slechts aangenomen, maar rijk en gepast beloond worden. Indien zij, "als den Heere" gedaan zijn, zal Hij ze met interest betalen, want Hij is "niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk der liefde zou vergeten", Hebreeën 6:10.
Zij zullen een loon hebben en dien loon, geenszins verliezen." Hij zegt niet, dat zij een loon verdienen, wij kunnen van de hand Gods geen loon verdienen, maar dat zij een loon zullen ontvangen, als vrije gave van God, en "zij zullen hem geenszins verliezen", gelijk dit zo dikwijls gebeurt met goede diensten onder de mensen, omdat zij, die ze moesten belonen, of ontrouw, of vergeetachtig zijn. Het loon kan uitgesteld worden, het volle loon zal uitgesteld worden tot aan de opstanding der rechtvaardigen, maar wij zullen het geenszins verliezen, en bij het uitstel er van zullen wij ook niet verliezen. Dit is "het loon eens profeten" en "eens rechtvaardigen". Dat is: of het loon, dat God geeft aan profeten en rechtvaardigen, de zegeningen, hun geschonken, zullen ook afvloeien op hun vrienden, of het loon, dat Hij geeft door profeten en rechtvaardigen als verhoring van hun gebed, Genesis 20:7, "hij is een profeet, en hij zal voor u bidden," dat is het loon eens profeten, als Hij aan hen, die vriendelijk zijn jegens de predikers des woords, de leerlingen en vertroostingen des woords geeft, dan zendt Hij het loon eens profeten. Profetenloon bestaat in geestelijke zegeningen, in hemelse dingen, en als wij die weten te waarderen, dan zullen wij ze als een ruim en overvloedig loon beschouwen.