Jesaja 43:8-13
Hier tart God de aanbidders van afgoden om zulke bewijzen van de godheid van hun valse goden bij te brengen, zoals-om nu niet verder te gaan-dit voorbeeld of bewijs van de verlossing van de Joden uit Babel, waarvan het volk van Israël voorzien was, om te bewijzen dat hun God de ware en levende God is, en Hij alleen.
I. De voorstanders van de afgoderij worden hier opgeroepen om te zeggen wat zij te zeggen hebben ter verdediging van hun afgoden, vers 8, 9. Hun goden hebben ogen en zien niet, oren en horen niet, en zij, die hen maken, en er op vertrouwen, zijn aan hen gelijk, dat heeft David gezegd, Psalm 115:8, waarnaar de profeet hier schijnt te verwijzen, als hij de afgodendienaars het blinde volk noemt, dat ogen heeft, en het dove volk, dat oren heeft. Zij hebben de gestalte en vermogens van mensen, maar in werkelijkheid zijn zij ontbloot van rede en gezond verstand, want anders zouden zij ook nooit goden aanbidden van hun eigen maaksel, laat daarom al de heidenen tezamen vergaderd worden, laat hen elkaar helpen en met vereende krachten de zaak bepleiten van hun drekgoden. En indien zij niets te zeggen hebben tot hun eigen rechtvaardiging, zo laat hen horen wat de God van Israël te zeggen heeft tot hun overtuiging en weerlegging.
II. Gods getuigen worden opgeroepen om te verschijnen en hun getuigenis voor Hem af te leggen, vers 10. Gij Israëlieten, gij allen, die naar Mijn naam genoemd zijt, gij allen zijt Mijn getuigen, en dat is ook Mijn knecht, die Ik verkoren heb." Het was Christus zelf, die aldus werd aangeduid, Hoofdstuk 42:1. Mijn knecht en Mijn verkorene. Al de profeten, die van Christus getuigd hebben, en Christus zelf, de grote Profeet, worden hier opgeroepen als Gods getuigen.
1. Gods volk is getuige voor Hem, en het kan uit zijn eigen kennis en ervaring getuigen van de macht van Zijn genade, de lieflijkheid van Zijn vertroosting, de tederheid van Zijn voorzienigheid, en de waarheid van Zijn belofte, dat geen van Zijn woorden ter aarde is gevallen.
2. Zijn profeten zijn zeer bijzonder getuigen voor Hem, voor wie Zijn verborgenheid is, en die meer van Hem weten dan anderen. Maar de Messias is inzonderheid gegeven om Zijn getuige te zijn bij het volk, van eeuwigheid af in Zijn schoot geweest zijnde, heeft Hij Hem bekend gemaakt.
A. Laat ons nu zien wat het punt is dat deze getuigen geroepen worden te bewijzen, vers 12. Gij zijt Mijn getuigen, spreekt de Heere, dat Ik God ben. Zij, die zelf erkennen dat de Heere God is, moeten bereid zijn om voor anderen te getuigen wat zij van Hem weten, opdat ook die tot de erkentenis ervan gebracht mogen worden. Ik heb geloofd, daarom sprak ik. In het bijzonder: daar gij wel moet weten en geloven en verstaan, moet gij ook bereid zijn te getuigen:
a. Dat Ik de enig ware God ben, Ik een in zichzelf bestaand, zelfgenoegzaam Wezen ben, Ik ben het, die gij moet vrezen en aanbidden, en op wie gij moet vertrouwen. Ja meer, vers 13. Eer de dag was, vóór de eersten dag des tijde, vóór de schepping van het licht, en bijgevolg van eeuwigheid ben Ik het. De afgoden zijn slechts van gisteren, "nieuwe goden die van nabij gekomen waren" Deuter. 32:17, maar de God Israëls is van eeuwigheid. b. Dat er voor Mij geen god geformeerd was, ook zal er na Mij geen zijn. De afgoden waren geformeerde goden. Dii facti-gemaakte of gefabriceerde goden, of liever, gefingeerde goden, van nature waren zij geen goden, Galaten 4:8. Maar God heeft een bestaan van eeuwigheid, ja, en Hij had een Godsdienst in de wereld voordat er afgoden of afgodendienaars waren. De waarheid is ouder dan de dwaling, en Hij zal een wezen hebben tot in eeuwigheid, en zal aangebeden en verheerlijkt worden, als afgoden afgeschaft en teniet gedaan zullen zijn, en er geen afgodendienaars meer zullen zijn. De ware Godsdienst zal het veld behouden en alle tegenstand en mededinging overleven. Groot is de waarheid en zij zal zegevieren.
c. Dat Ik de Heere ben, de grote Jahweh, die is en was en zijn zal, en buiten Mij is er geen Heiland, vers 11. Zie wat het is, waar de grote God in roemt, niet zozeer daarin dat Hij de enige Heerser is, maar wel daarin dat Hij de enige Heiland, de enige Redder is, want Hij verlustigt zich erin goed te doen, Hij is "de behouder van alle mensen," 1 Timotheus 4:10.
B. Laat ons zien wat de bewijzen zijn, die bijgebracht worden tot bevestiging van dit punt.
a. Dat de Heere God is, door twee bewijzen:
Ten eerste. Hij heeft een oneindige en onfeilbare kennis, zoals duidelijk blijkt uit de voorzeggingen van Zijn woord, vers 12. ik heb verkondigd en Ik heb doen horen, hetgeen zonder falen geschied is, ja Ik heb nooit iets verkondigd of doen horen, of het is volbracht geworden. Ik heb doen horen, toen er geen vreemde onder ulieden was, toen gij, geen ander orakel hebt geraadpleegd dan het Mijne, en geen anderen profeet had dan de Mijne." Er is gezegd toen zij uit Egypte kwamen dat de Heere alleen hen geleid heeft en dat er geen vreemde god met Hem was.
Ten tweede. Hij heeft een oneindige en onweerstaanbare macht, zoals blijkt uit de werkingen van Zijn voorzienigheid. Hij zegt niet slechts: Ik heb doen horen, maar, Ik heb verlost, niet alleen voorzegd wat niemand kon voorzien, maar gedaan wat niemand anders doen kon, want, vers 13, daar is niemand, die uit Mijn hand redden kan hen, die Ik wil straffen, niet alleen geen mens, meer geen van de goden van de heidenen kan hen beschermen." Daarom is het vreeslijk in de handen van de levenden God te vallen omdat men er niet weer uit kan komen. "Ik zal werken wat Ik besloten heb te werken, zowel in genade als in oordeel, en wie zal het keren, wie zal het tegenstaan of vertragen?"
b. Dat de goden van de heidenen, die mededingers met Hem zijn, niet slechts minder zijn dan Hij, maar dat zij in het geheel geen goden zijn, hetgeen bewezen is, vers 9, door een uitdaging. Wie onder hen zal dit verkondigen, wat Ik nu verkondig? Wie kan toekomende dingen voorzeggen, ja wie van hen kan ons de toekomende dingen doen horen? Hoofdstuk 41:22. Zij kunnen niet eens een geschiedschrijver inspireren, en nog veel minder een profeet. Zij worden er toe uitgedaagd, laat hen hun getuigen voorbrengen, om hun alwetendheid en hun almacht te bewijzen. En,
Ten eerste. Indien zij ze bewijzen, zullen zij gerechtvaardigd worden, de afgoden in eer te eisen, en de afgodendienaars in haar aan hen te bewijzen.
Ten tweede. Indien zij ze niet bewijzen, laat hen zeggen: het is waarheid, laat hen de ware God erkennen en de waarheid nopens Hem aannemen, dat Hij alleen God is. De zaak Gods vreest geen nauwkeurig onderzoek, maar het kan redelijkerwijs verwacht worden dat zij, die zich niet kunnen rechtvaardigen ten opzichte van hun ongodsdienstigheid, zich zullen onderwerpen aan de macht van de waarheid en van de ware Godsvrucht.