Psalm 14:4-7
In deze verzen poogt de psalmist:
1. De zondaren te overtuigen van het boze en het gevaar van de weg waarop zij zich bevinden, hoe veilig zij er ook op denken te wezen. Hij toont hun drie dingen, die zij wellicht niet graag willen zien: hun goddeloosheid, hun dwaasheid en hun gevaar, terwijl zij geneigd zijn zich zeer wijs, zeer goed en zeer veilig te geloven. Zie hier:
A. Hun goddeloosheid, die in vier voorbeelden wordt aangeduid.
a. Zij zijn zelf werkers der ongerechtigheid, zij beramen haar zij beoefenen haar, en scheppen er evenveel behagen in als ooit iemand behagen schept in zijn werk of bedrijf.
b. Zij eten Gods volk op met evenveel gretigheid als zij brood eten, zo groot is de aangeboren en ingewortelde vijandschap, die zij, tegen hen koesteren, en zo van harte begeren zij hun verderf, omdat zij in werkelijkheid God haten, wiens volk zij zijn. Het is voor vervolgers spijs en drank om kwaad te doen, dat is hun even lieflijk en aangenaam als hun noodzakelijk voedsel. Zij eten Gods volk op, gemakkelijk, dagelijks, veilig, zonder bestraft te worden door hun geweten terwijl zij het doen, en zonder wroeging van hun geweten als zij het gedaan hebben, zoals Jozefs broeders, die "hem in een kuil wierpen, en toen nederzaten om brood te eten," Genesis 37:24, 25. Zie Micha 3:2, 3.
c. Zij roepen de Heere niet aan. Zij, die zich niet bekommeren om Gods volk, om Gods armen, bekommeren zich ook niet om God zelf, maar leven in minachting van Hem. De reden, waarom de mensen tot allerlei goddeloosheid, zelfs tot de ergste, komen, is: dat zij God niet aanroepen om Zijn genade. Welk goed kan men verwachten van hen, die leven zonder gebed?
d. Zij beschamen de raad van de ellendigen, verwijten het hem dat hij God tot zijn toevlucht maakt, zoals Davids vijanden hem dit ook verweten hebben, Psalm 11:1. Diegenen zijn wel zeer goddeloos en zullen zeer veel te verantwoorden hebben, die niet alleen de Godsdienst vaarwel zeggen, en er zelf zonder leven, maar zeggen en doen wat zij kunnen om te bewerken dat ook anderen, die hem wel genegen zijn, er geen behagen meer in hebben, met de plichten ervan, alsof die laag, naargeestig en onvoordelig waren, en met de voorrechten ervan, alsof die ongenoegzaam waren om een mens gerust en gelukkig te maken. Zij, die met Godsdienst en Godsdienstige mensen spotten, zullen tot hun schade ondervinden dat het niet goed spelen is met snijdende werktuigen, en gevaarlijk om diegenen te vervolgen, die God tot hun toevlucht stellen. Drijft de spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden. Hij toont hun:
B. Hun dwaasheid. Zij hebben geen kennis dit is blijkbaar, want indien zij enige kennis hadden van God, indien zij zichzelf kenden zichzelf recht begrepen, en de dingen slechts wilden beschouwen als mensen, zij zouden zo wreed niet zijn voor Gods volk.
C. Hun gevaar, vers 5. Aldaar was zij met verwardheid vervaard, daar waar zij Gods volk opaten, veroordeelde hun eigen geweten wat zij gedaan hadden en vervulde hen van heimelijker angst, zij hebben het bloed van de heiligen gezogen, maar in hun ingewand zal het in gal van de anderen veranderd worden. Er zijn vele voorbeelden geweest van trotse en wrede vervolgers, die als Pashur Magor-missabib, een schrik zijn geworden voor zichzelf en voor allen, die rondom hen zijn. Zij, die God niet willen vrezen, zullen er misschien toegebracht worden om voor het geruis van een gedreven blad te vrezen.
2. Hij poogt het volk van God te vertroosten.
a. Met hetgeen zij hebben: zij hebben Gods tegenwoordigheid, vers 5. Hij is bij het geslacht van de rechtvaardigen, zij hebben Zijn bescherming, vers 6
b. De Heere is hun toevlucht. Dit is evenzeer hun gerustheid, hun veiligheid, als het de schrik is van hun vijanden, die hen kunnen bespotten om hun vertrouwen in God, maar er hen niet van weg kunnen spotten. In de oordeelsdag zal het de schrik en beschaming van de zondaars vermeerderen, als zij zien dat God het geslacht van de rechtvaardigen erkent, dat zij hebben gehaat en bespot.
b. Met hetgeen waarop zij hopen, en dat is Israëls verlossing, vers 7 Toen David door Absalom en zijn oproerige medeplichtigen verdreven was, troostte hij zich met de verzekering dat God te bestemder tijd zijn gevangenis zou wenden tot blijdschap van al zijn goede onderdanen. Maar dit blijde vooruitzicht ziet gewis nog verder. Hij had in het begin van de psalm getreurd over het algemene bederf van het mensdom, en bij dit droeve gezicht verlangt hij naar de verlossing, die in de volheid van de tijd uit Zion komen zal, verlossing van zonde, de grote verlossing, die teweeggebracht zal worden door de Verlosser die verwacht werd tot "Sion te komen, om de goddeloosheden af te wenden van Jakob," Romeinen 11:26. De wereld is slecht: ach, mocht de Messias komen om haar aard te veranderen! Er is een algemeen bederf ja ach, mochten er tijden komen van reformatie! Dat zullen even vreugdevolle tijden wezen, als deze tijden treurig zijn. Dan zal God de gevangenis van Zijn volk wenden, vers 7, want de Verlosser zal opvaren in de hoogte en de gevangenis gevankelijk voeren en Jakob zal zich verheugen. De triomfen van Zions Koning zullen de blijdschap wezen van Zions kinderen. De wederkomst van Christus om de heerschappij van de zonde en van Satan voor altijd teniet te doen, zal de volmaking wezen van deze verlossing, die de hoop is en de blijdschap zal zijn van ieder waar Israëliet, met de verzekerdheid daarvan moeten wij bij het zingen van deze psalm onszelf en elkaar vertroosten, ten opzichte van de tegenwoordige zonde van de zondaren en het tegenwoordige lijden van de heiligen.