Prediker 8:14-17
Wijze en godvruchtige mensen zijn van oudsher in verwarring en verlegenheid gekomen door deze moeilijkheid, hoe de voorspoed van de goddelozen, en de tegenspoed, de benauwdheden van de rechtvaardigen in overeenstemming kunnen gebracht worden met de heiligheid en goedheid van de God, die de wereld regeert. Hieromtrent geeft Salomo ons zijn raad.
1. Hij wil dat wij er niet verbaasd of verwonderd over zullen zijn, alsof er iets vreemds gebeurde, want hij zelf heeft het in zijn dagen gezien, vers 14.
a. Hij zag rechtvaardigen, wie het wedervoer naar het werk van de goddelozen die, in weerwil van hun gerechtigheid zeer harde dingen leden, en dat wel gedurende langen tijd, alsof zij voor een grote goddeloosheid gestraft moesten worden.
b. Hij zag goddelozen, wie het ging naar het werk van de recht vaardigen, die zo'n merkwaardige voorspoed hadden, alsof zij voor de ene of andere goede daad beloond werden. "Wij zien de rechtvaardigen verward en ontroerd in hun gemoed, de goddelozen gerust, onbezorgd en onbevreesd, de rechtvaardigen beproefd door de Goddelijke voorzienigheid, de goddelozen voorspoedig, welvarend in gunst, de rechtvaardigen geblameerd, gesmaad, terneergeworpen door de hogere machten, de goddelozen geprezen en tot eerambten bevorderd".
2. Hij wil dat wij niet naar aanleiding daarvan God beschuldigen van ongerechtigheid, maar de wereld beschuldigen van ijdelheid. Op God moet geen afkeurende aanmerking worden gemaakt, maar wat betreft de wereld, dit is ijdelheid, die op de aarde geschiedt, en wederom: dit is ook ijdelheid, het is een stellig bewijs dat de dingen van deze wereld niet de beste dingen zijn, noch ooit bestemd of bedoeld waren om een deel, een geluk voor ons te zijn, want indien zij dit wel waren, dan zou God zoveel van de rijkdom van de wereld niet ten deel hebben doen vallen aan Zijn ergste vijanden, en zoveel van haar ellende aan Zijn beste vrienden. Er moet dus een ander leven zijn na dit leven de blijdschap en de ellende waarvan wezenlijk en substantieel moeten zijn en instaat om de mensen waarlijk gelukkig of waarlijk rampzalig te maken, want deze wereld doet geen van beide.
3. Hij wil dat wij er ons niet over kwellen, er niet in verwarring door gebracht zullen worden maar dat wij blijmoedig zullen genieten wat God ons geeft in de wereld, er mee tevreden zullen zijn, en er ons voordeel mee zullen doen, al hebben anderen het ook veel beter die wij er onwaardig voor vinden, vers 15. Daarom prees ik de blijdschap, een heilige gerustheid en kalmte van gemoed, voortkomende uit vertrouwen op God en Zijn macht, voorzienigheid en belofte) omdat de mens niets beters heeft onder de zon (hoewel een godvruchtige veel betere dingen heeft boven de zon) dan te eten en te drinken, dat is: sober en dankbaar gebruik te maken van de dingen van dit leven, naar zijn rang in de maatschappij, en blij te zijn, wat er ook gebeurt, want dat zal hem aankleven van zijn arbeid, dat is al de vrucht, die hij voor zichzelf heeft van de moeite, die hij genomen heeft in het werk en de zaken van deze wereld, en moge het hem veel goed doen, en laat hem zich dat niet ontzeggen uit gemelijke ontevredenheid, omdat de wereld niet is zoals hij haar zou willen hebben. Dat zal hem aankleven gedurende de dagen zijns levens, die hem God geeft onder de zon. Ons tegenwoordig leven is een leven onder de zon, maar wij verwachten het leven van de toekomende wereld dat beginnen en voortgaan zal als de zon veranderd zal worden in duisternis, en niet meer zal schijnen. Dit tegenwoordige leven moet gerekend worden bij dagen, dit leven is ons gegeven, en de dagen ervan zijn ons toebedeeld door de raad van God, en daarom moeten wij, zolang het duurt, schikken naar de wil van God, en er ons op toeleggen om aan het doel van het leven te beantwoorden.
4. Hij wil dat wij het niet beproeven om een reden te geven voor hetgeen God doet, want Zijn weg is in de zee, en Zijn pad in de grote wateren, niet te ontdekken, en daarom moeten wij tevreden en in godsvrucht onwetend zijn omtrent de betekenis van Gods handelingen in de regering van de wereld, vers 16, 17. Hier toont hij aan:
A. Dat hij zelf en vele anderen dit punt ijverig hebben bestudeerd, en een onderzoek hebben ingesteld naar de redenen van de voorspoed van de goddelozen en de beproevingen van de rechtvaardigen, hij begaf zijn hart om deze wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, hetgeen gedaan wordt door de Goddelijke voorzienigheid op de aarde, om te ontdekken of er een bepaald plan, een standvastige regel, of methode is, naar welke de zaken van deze lagere wereld bestuurd worden, een orde van regering even vast en gestadig als de orde in de natuur zodat wij naar hetgeen thans geschiedt met even veel zekerheid kunnen voorzeggen wat vervolgens geschieden zal, als wij, wanneer het nieuwe maan is, kunnen zeggen, wanneer het volle maan zal zijn, dit zou hij gaarne hebben willen ontdekken. Anderen hebben er zich zo ijverig op toegelegd, dat zij dag noch nacht de tijd konden vinden om te slapen en het ook niet over zich hadden kunnen verkrijgen om te gaan slapen, zo vol van zorg en kommer waren zij over deze dingen. Sommigen denken dat Salomo van zichzelf spreekt, dat hij zo ijverig was om deze grote zaak te onderzoeken, dat hij om zijn gedurig denken er aan niet kon slapen.
B. Dat het alles vergeefse moeite was, vers 17. Als wij zien op de werken Gods en Zijn voorzienigheid, en het een deel ervan vergelijken met het andere deel, dan kunnen wij niet vinden dat er zulk een vaste methode is, door welke het werk, dat onder de zon geschiedt, bestuurd wordt, wij kunnen geen sleutel vinden, om het letterschrift te ontcijferen, noch kunnen wij door precedenten te raadplegen de praktijk van dit hof kennen, noch weten wat het oordeel, de uitspraak, zijn zal.
a. Al was iemand nog zo vlijtig, al arbeidde hij ook om het te ontdekken.
b. Al is hij ook nog zo vernuftig, al is hij een wijze in andere dingen, en al kan hij de raad van koningen doorgronden.
c.Ja, Al zou hij ook geheel overtuigd zijn van wel te zullen slagen, of ofschoon hij denkt het te weten, zal hij het toch niet kunnen uitvinden. Gods wegen zijn boven de onze, en Hij is ook niet gebonden aan Zijn vorige wegen maar Zijn oordelen zijn een grote afgrond.