Psalm 55:10-16
David klaagt hier over zijn vijanden, wier boze komplotten hem ten einde raad hebben gebracht, hoewel niet aan het einde van zijn geloof, en door de geest van de profetie bidt hij tegen hen. Let hier op:
I. Het karakter, dat hij toeschrijft aan zijn vijanden, die hij vreest. Zij waren de ergste soort van mensen, en zijn beschrijving van hen komt zeer wel overeen met Absalom en zijn medeplichtigen.
1. Hij klaagt over de stad Jeruzalem, die zich op vreemde wijze met Absalom had verenigd en van David was afgevallen, zodat hij daar niemand had dan zijn eigen lijfwacht en zijn dienaren, in wie hij vertrouwen kon stellen, hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! David heeft die voorstelling ervan niet van anderen, maar met zijn eigen ogen en een bedroefd hart heeft hij zelf niets dan wrevel en twist in de stad gezien, vers 10, want toen zij ontrouw aan David begonnen te worden werden zij boosaardig en schadelijk voor elkaar. Als hij de ronde deed op de muren van de stad, zag hij dat wrevel en twist er dag en nacht in rondwaarden, en haar omringden op haar muren, vers 11. Al de kunst en methode, die de rebellen gebruikten om de stad te versterken, bestonden uit geweld, wrevel en twist, geen eerlijkheid, geen trouw of liefde was onder hen overgebleven. Sloeg hij een blik in het hart van de stad, schade en kwaad, wederzijds onrecht en kwelling waren in het midden van haar, ongerechtigheid en overlast is binnen in haar, jusque datum sceleri de slechtheid is er gewettigd. List en bedrog en allerlei verraderlijke handelingen wijken niet van haar straten, vers 12. Dat kan zien op hun lage en wrede behandeling van Davids vrienden en van hen, van wie zij wisten dat zij hem trouw gebleven waren, door bedrog en geweld deden zij hun al het kwaad, dat zij konden. Is dit het karakter van Jeruzalem, de koninklijke stad en, wat meer is, van de heilige stad? En dat nog wel in Davids tijd, zo spoedig nadat er de stoelen des gerichts en de getuigenis Israëls gesteld waren! Is dit die stad, waarvan men zei dat hij volkomen van schoonheid was? Is Jeruzalem, het hoofdkwartier van de priesters Gods, zo slecht onderwezen? Kan Jeruzalem ondankbaar wezen aan David zelf, zijn eigen doorluchtige stichter, zodat hij er niet in wonen kan? Laat ons niet verwonderd zijn over het bederf en de wanordelijkheid van deze kerk op aarde, maar verlangen naar het Nieuwe Jeruzalem, waar geen geweld of twisting, geen kwaad en geen bedrog is, en waarin niets zal binnenkomen, dat onrein is, noch iets dat beroert of ontrust.
2. Hij klaagt over een van de aanvoerders van het komplot, die zeer ijverig was geweest om afgunst op te wekken, hem en zijn regering in een kwaad daglicht te stellen, en de stad tegen hem op te ruien, het was iemand die hem smaadde alsof hij zijn macht misbruikt had, of er het gebruik van verzuimd of veronachtzaamd had, want dat was Absaloms boosaardige inblazing: "Uw zaken zijn goed en recht, maar "gij hebt geen verhoorder van des konings wege," 2 Samuël 15:3. Deze en dergelijke beschuldigingen werden ijverig onder het volk verspreid, en wie was er het bedrijvigst in? "Geen gezworen vijand, niet Simeï, of een van hen, die aan David geen trouw hadden willen zweren, dan zou ik het hebben kunnen dragen, want van hen zou ik niets beters verwacht hebben, (en wij bevinden hoe geduldig hij Simeï's vloeken verdragen heeft) "niet een van hen, die ronduit zeiden dat zij mij haten, want dan zou ik op mijn hoede tegen hem geweest zijn, ik zou mijn beraadslagingen voor hem hebben verborgen, zodat het niet in zijn macht zou geweest zijn om mij te verraden, maar gij zijt het, o mens, als van mijne waardigheid, vers 14. De Chaldeeuwse paraphrase noemt Achitofel als de persoon, die bedoeld wordt, en niets in geheel dit komplot schijnt David zo ontmoedigd te hebben als te horen dat Achitofel onder degenen was, die zich met Absalom hebben verbonden, want hij "was raad van de koning", I Kronieken 27:32. Mijn gelijke, een vriend, die ik liefhad als mijn eigen ziel, aan wie ik al mijn geheimen heb meegedeeld die mijn zin en bedoeling kende zo goed als ik zelf, mijn leidsman, met wie ik te rade ging en door wie ik bestuurd werd in al mijn zaken, die ik tot voorzitter van mijn geheime raad en tot eerste staatsminister heb aangesteld dat is de man, die mij thans mishandelt. Ik ben vriendelijk voor hem geweest, en nu vind ik hem zo laag ondankbaar, ik heb vertrouwen in hem gesteld, maar nu vind ik hem zo laag en verraderlijk, ja, hij zou mij niet half zoveel kwaad lebben kunnen doen als hij mij doet, indien ik hem niet zoveel achting had betoond. "Dit alles meest wel zeer smartelijk zijn voor iemand van een edel gemoed, en toch was het nog niet alles: deze verrader had de schijn aangenomen van een heilige te zijn, want anders had hij nooit Davids boezemvriend kunnen worden, vers 15. "Wij hebben tezamen beraadslaagd, hebben menig uur met elkaar doorgebracht, hebben zeer veel genoegen gesmaakt in Godsdienstige gesprekken, " of, zoals Dr. Hammond het leest: "Wij voegden ons bij elkaar in de vergadering, ik gaf hem de rechterhand van de gemeenschap in de heilige inzettingen, en dan wandelden wij in gezelschap ten huize Gods om de openbaren dienst bij te wonen." Er is altijd geweest, en er zal altijd zijn, een vermenging van goed en slecht, echt en onecht, in de zichtbare kerk, waar tussen wij, gedurende lange tijd misschien, geen verschil kunnen bespeuren, maar Hij, die het hart doorgrondt, kan dit wel. David, die in oprechtheid naar het huis Gods opging, had Achitofel aan zijn zijde, in zijn gezelschap, die erin geveinsdheid heenging. De Farizeeër en de tollenaar gingen tegelijkertijd naar de tempel om te bidden, maar vroeg of laat zullen zij, die oprecht zijn, en zij, die het niet zijn, openbaar worden. Vleselijke staatkunde kan de mensen heel ver doen gaan, en gedurende zeer lange tijd, in een belijden van de Godsdienst, als hij in de mode is en met hun doeleinden strookt. Aan het hof van de Godvruchtige David was niemand vromer dan Achitofel, en toch was zijn hart niet recht in de ogen van God. Wij moeten er niet verbaasd over zijn als wij ons smartelijk bedrogen zien in sommigen, die zeer grote aanspraken hebben gemaakt op deze twee heilige zaken: Godsdienst en vriendschap. David zelf, die een zeer wijs man was, is aldus bedrogen geworden, hetgeen gelijksoortige teleurstellingen zoveel draaglijker voor ons kan maken.
II. Zijn gebeden tegen hen, die ons ontzag moeten inboezemen, maar ons ook vertroosting moeten geven als profetieën, maar die wij niet moeten navolgen in onze gebeden tegen bijzondere vijanden van onszelf. Hij bidt:
1. Dat God hen verstrooien zal zoals de torenbouwers van Babel, vers 10. "Verslind hen, Heere, deel hun tong, vernietig hun raad door hen onenig te maken onder elkaar, hen tegen elkaar in te doen gaan. Zend een bozen geest onder hen, zodat zij elkaar niet verstaan, maar afgunstig en naijverig op elkaar zijn." Dit gebed werd verhoord toen Achitofels raad tot zotheid werd gemaakt door Husai's raad er tegenover te stellen. Dikwijls vernietigt God de vijanden van de kerk door hen te verdelen, en er is ook geen zekerder middel om een volk te verderven dan verdeeldheid. Een koninkrijk, een belang, dat tegen zichzelf verdeeld is, kan niet lang bestaan.
2. Dat God hen zal verslinden, zoals Hij Dathan en Abiram verslonden heeft met hun metgezellen, die zich verbonden hadden tegen Mozes, wier keel een open graf zijnde, de aarde zich geopend heeft om hen te verslinden. Dit was toen iets nieuws, dat God geschapen heeft, Numeri 16:30. Maar David bidt dat het nu herhaald mocht worden, vers 16. Dat op Goddelijke volmacht de dood hen grijpe, hen overvalle, dat zij levend ter helle nederdalen.- laat hen dood en begraven zijn, en aldus als in een ogenblik zijn vernietigd, want boosheden zijn in hun woning, zijn overal waar zij zijn, zijn in het binnenste van hen." De zielen van onboetvaardige zondaren gaan levend ter helle, want zij zijn zich volkomen bewust van hun ellende, en zullen daarom nog leven, opdat zij nog ellendig zullen zijn. Dit gebed is een profetie van het algehele, het eeuwige verderf van allen, die in het geheim, of in het openbaar de Messias des Heeren tegenstaan, en tegen Hem rebelleren.