10. En die op aarde wonen, de vleselijk en Christus vijandig gezinde kinderen van deze wereld (
Hoofdstuk 6:10), die zullen verblijd zijn over hen, dat zij nu niets meer dan lijken zijn en zullen vreugde bedrijven, maaltijden van de vreugde bereiden en zullen elkaar geschenken zenden, zoals dat bij vrolijke en feestelijke gelegenheden gewoonte is (Ester 9:19 en 22); omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden. Met hun dood had echter opeens het kwellen van de zonen van de aarde (
Hoofdstuk 6:10;
8:13) een einde en zij meenden daarom zich nu echt te kunnen verheugen in hun leven, zonder verder enig beletsel te hebben.
Het dier uit de afgrond heeft hier nog geen besliste menselijke schijngedaante, zoals in Hoofdstuk 13:1 v. Het treedt nog slechts anti-christelijk op als een onlichamelijke geest in de macht van een overwegend demonische tijdgeest. Tot die ontwikkeling van een persoonlijke anti-christ komt het voorlopig nog niet. Alleen als men de onderscheiding, reeds bij Jeremia 30:17 genoemd, tussen de anti-christelijke en de anti-christische periode vasthoudt (vgl. bij Hoofdstuk 13:5) komt men tot een juiste opvatting van ons profetisch boek en tot een juiste waardering van de bewegingen op het gebied van Staat en Kerk in onze tijd. In het eerste opzicht heeft het gebrek aan die onderscheiding het verhinderd, dat tot hiertoe nog niet de juiste zekerheid en eenheid onder de uitleggers van de Openbaring estaat, integendeel de wonderlijkste verklaringen voor de dag zijn gekomen en ons boek door vele gelovigen wordt gehouden voor een, waarmee een verstandig Christen zich verder niet hoeft bezig te houden, dan dat hij enige uitnemende spreuken daaruit neemt en de algemene troost van de laatste overwinning van het rijk van Christus over de machten van deze wereld daaruit put. In het tweede opzicht daarentegen zoekt men zijn heil liever in petities op onwaardige of ontoegankelijke plaats, of zelfs in oppositie en agitatie, in plaats dat men zou leren verstaan wat de bedoeling van de Heere is en wat Hij voor heeft en geduldig en getroost de hoop van de Schrift zou hebben. Immers nog is het uur niet gekomen, dat de zon van de genade aan de hemel van de Christenen ondergaat en voor de nacht van de heerschappij van de antichrist plaats maakt, maar wij hebben, omdat bepaalde profetieën van de Schrift nog niet vervuld zijn, die eerst moeten vervuld worden voordat de laatste smart komt, een zeker onderpand daarvoor, dat nu nog slechts sprake is van een nauwkeurig afgemeten tijd, dat de zon haar schijnsel verliest, om echter, zoals andere profetieën daarvoor borg zijn, die daarna des te schittender door de nacht te laten doorbreken. Wij zullen nu zien, of de door ons beproefde uitleg reeds zo'n indruk van juistheid en betrouwbaarheid zal maken en bovendien ook door de snel op elkaar volgende tijdsomstandigheden zo duidelijk als juist zal worden bewezen, dat de tweespalt van de meningen aanmerkelijk zal worden verminderd en in plaats daarvan een grotere eenstemmigheid ontstaat, zoals die juist in deze tegenwoordige tijd zo hoogst nodig is. Dat is die tijd waarin de tijd van de Heidenen ten einde spoedt; wij zien dit einde inderdaad in onze dagen met zo snelle stappen naderen, dat ieder, die zien wil, zich snel moet overtuigen, dat er werkelijk nog maar een twintigtal jaren nodig is, of de twee getuigen hebben hun getuigenis geëindigd, zij worden overwonnen en gedood en hun lijken liggen op de straten van de grote stad. De pers beroemt zich in onze dagen er niet alleen op, dat zij een macht is, voor welke vorsten en volken zich buigen en zij is dat ook inderdaad en de Kerk heeft de leidende invloed voor het maatschappelijk burgerlijk leven reeds zover aan deze nieuwe macht moeten afstaan, dat, waar zij nog iets wil wagen om haar getuigenis te laten horen, zij meteen op de mond wordt geslagen en die ook houden moet. Wie zou het kunnen verhelen, dat alle tegenspraak, die het geestelijke ambt in gemeenschap met de getrouwe leden van de Kerk laat horen tegenover de pretenties, die de geest van de tijd verheft en door middel van de pers als onbetwijfelbare behoefte van de tijd de mensen predikt, alleen op de laatste zuchten van een stervende lijkt, die in de lucht wegsterven? Zonder het licht van de goddelijke openbaring zou men bij dit te gronde gaan van de macht van de Kerk, bij deze oplossing van alle banden, waarmee zij tot hiertoe het leven van de volken had omvat, bij dat prijsgeven van al haar goederen en instellingen, bij dat overleveren van haar rechten aan een tucht- en teugelloze massa, of tot een troosteloze smart een stille verbitterdheid vervallen, of ons laten verleiden tot de dwaling, de stromingen van de geest van de tijd voor uitvloeisels te houden van de Geest van God en met de stroom te willen meegaan. Het profetische woord spreekt van een dier, dat uit de afgrond opstijgt. Hij stelt daardoor het streven van hen, die in de plaats van de historische Christus de ideale, in de plaats van de goddelijke openbaring de zogenoemde resultaten van de wetenschap en in de plaats van de kerkelijke belijdenis het zogenaamde gemeente-bewustzijn willen stellen, onder een geheel ander gezichtspunt, dan dat iemand nog verder zich zou mogen inbeelden, door krachtig ondersteunen van deze pogingen God te dienen en door zijn arbeid tot zijn verwezenlijking en tot opbouwing van het koninkrijk der hemelen te arbeiden. Hij dient slechts hem, die de heer van de afgrond is en werkt alleen daartoe, dat het dier, de van God losgerukte mens, het eigen ik, de vleselijke genotzucht, die vijandschap tegen God is, op de troon komt. Terwijl het profetische woord aan de andere zijde ook zegt, dat de twee getuigen, nu het dier opstijgt, hun getuigenis hebben geëindigd en als einde van de strijd, die het dier met hen houdt, dit verkondigt, dat zij overwonnen en gedood worden, waarschuwt het de gelovigen hun eigen vrome wensen, hun zelfgemaakte idealen en verwachtingen niet met Gods raadsbesluiten en wegen te verwisselen en, om een verwezenlijking toch nog mogelijk te maken, zich met het pausdom te verbinden, alsof dit de macht bezat in de raderen van de wagen, waarop de tijdgeest voortrijdt en alles voor zich te gronde richt, vast te grijpen en die tot staan te brengen, opdat de akker van de Kerk opnieuw gebouwd zou kunnen worden. Zij moeten zich integendeel vertrouwd maken met de goddelijke raadsbesluiten en zich steeds meer voorbereiden op de steeds nader komende vervulling van deze. Immers heeft de Protestantse kerk het grote voorrecht boven anderen, dat bij haar, meer dan op de lampen, die voor het ogenblik branden, op de olie in de vaten het oog gevestigd is, om bij te gieten als de lampen zouden uitgaan (Mattheus 25:1). Nog leven wij gedurende een paar tientallen van jaren in die dagen, dat het dier allengs uit de afgrond opstijgt. Dat het niet plotseling en als opeens te voorschijn springt, heeft de Heere zeker daarom zo beschikt, opdat intussen nog veel plaats zou hebben, om het getuigen inwendig te sterken en in bedrijvingen ernst bij zijn dagelijks werk te houden. Men moet later niet kunnen zeggen, dat het zichzelf overleefd heeft en aan de zwakte van de ouderdom is gestorven, als zijn tijd ten einde is, maar terwijl het eindelijk met betoning van geest en kracht optreedt, moet het duidelijk blijken, dat het door geweld is gedood en in een strijd is bezweken. Bij zo'n bezwijken zingt het triomflied (Mich. 7:8): "Verblijd u niet over mij. o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben zal ik weer opstaan"; en de tijd van drie dagen en een halve, die er voor bestemd is, dat hij dood neerliggen zal, zal snel zijn vergaan. Het zou echter een treurig zelfbedrog zijn, als wij meenden, dat wij door ons strijden en onze inspanning, door onze protesten en petities het overwonnen worden en dood neerliggen zonden kunnen afwenden, of met nieuwe instituties en bepalingen, met plannen en hervormingsproeven, met concessies en compromissen de geesten van de afgrond in engelen van God zonden kunnen veranderen, een zelfbedrog, dat zeker vele welmenende harten en zovele goedgezinde verenigingen is deze onze dagen vervult. Nee, wij hebben een andere hoop. De vijand moge menen, dat hij Christus in het graf heeft gelegd, voordat hij er aan denkt, verrijst de Heere en zwaait Zijn banier. Onze tekst wijst uitdrukkelijk op de overeenkomst van het doden van de twee getuigen met de kruisiging van Christus, door te spreken van de "grote stad", die geestelijk Sodoma en Egypte heet "en waar onze Heere gekruisigd is. " Onder de grote stad is bedoeld de omtrek, die de Christelijke kerk omvat, het uitwendig gebied van de Christenen. Op dit gebied, in deze omtrek, zal het dier in de van te voren genoemde zin tot heerschappij komen. Deze stad heet geestelijk Sodoma; want zonden van het vlees van natuurlijke en van onnatuurlijke aard gaan in het algemeen met schaamteloze stoutheid gepaard (Genesis 18:20), hand in hand met overmoed en hovaardij, beide gevoed en groot gebracht door de uitwendige vrede en de stoffelijke welvaart. Zij heet verder Egypte; dat is het land van menselijke trotsheid op beschaving en in het verheven gevoel van haar vorderingen of elk gebied van menselijk weten en kunnen ademt de Christenheid tegenwoordig die Farao's geest, die daar zegt (Exodus 5:2): "Wie is de Heere, wiens stem ik gehoorzamen zou? " en hun woordvoerders zien met verachtelijke blikken op het arme volk van God neer, dat in hun midden woont; zij willen het wel dwingen voor Farao schatsteden te bouwen, maar lucht en leven gunnen zij het niet. Met deze Sodom's en Egypte's aard verenigen zich dan verder die van het profeten moordend Jeruzalem: "weg met dezen! Wij hebben geen koning dan de keizer! " dit geschreeuw is toch de grondtoon van die reden, die het meest worden gehoord. En met zoveel geweld slaan zijn golven tegen Pilatus' rechterstoel, dat deze geen raad meer weet en snel genoeg zal gezegd worden: "hij gaf Hem over naar hun wil. " De moderne wereld, schrijft de Fransman Gaume, snelt met grote stappen naar het heidendom; de moderne maatschappij wordt vervuld en wordt beheerst door het naturalisme, d. i. het zuivere, het volkomen reine heidendom, maar een heidendom, duizendmaal verwerpelijker dan het oude, omdat het moderne heidendom het gevolg van de afval van het geloof is, dat het oude heidendom met zoveel liefde omvatte. Dan zal ook snel de tijd komen, dat de lijken van de twee getuigen op de straat van de grote stad liggen. Het moge zijn, dat in de hoeken en huizen nog veel levend Christendom zijn woonstede heeft, en in stille dorpen, die niet in aanraking komen met grotere steden, nog vele kerken en scholen blijven waar de naam van de Heere wordt gepredikt, maar op de straat, op de marktplaats van de grote stad is het daarmee uit; daar is alle spreken en getuigen op grond van het woord van God, alle ingrijpen en invloed hebben van de zijde van de Kerk onmogelijk gemaakt. De Kerk zal zeker niet worden begraven en de Christen-naam afleggen zal men ook niet. Uitwendige vormen zullen genoeg worden behouden, Godshuizen met kansels, avondmaalstafel en doopbekken zullen ook blijven bestaan, Zon- en feestdagen met de prediking zullen er ook verder zijn, synoden zullen niet ontbreken, noch geestelijken, hoewel een gebrek aan de laatsten zich op zeer bedenkelijke wijze laat voelen en wellicht nog tot zo'n hoogte kan toenemen, dat ook in dit opzicht de twee getuigen gedood worden. Maar al zijn er predikers genoeg, het is te berekenen hoe deze zullen zijn, als zij, die vroeger de engelen van de gemeente heetten, haar dienaren zullen zijn geworden Re 2:4. Vernietigd en verbrand wordt wel de Heilige Schrift niet, maar wel hebben zij, die op aarde wonen en in het absolute heden thuis zijn, zich een toestand geschapen, waarin zij het woord van God geheel zonder vrees in het aangezicht kunnen zien, zoals men een verslagen vijand in het aangezicht ziet. Het grote oog, waarvan in 1 Koningen 17:18 sprake was, ziet hen daaruit niet meer tegen, hun kanselredenaars bewijzen het hun haarfijn met hulp van de natuurkunde en de kritiek, dat de hele bijbel apocrief is en alleen als een document kan worden gebruikt, die godsdienstmeningen men vroeger had. Nu zolang het woord van Christus en van de bekering tot Hem en gelovige, getrouwe navolging nog enige betekenis in het openbare leven hebben, is dat voor hen, die alleen op aarde hun vaderland hebben een kwelling; het is hun, zoals de apostel zegt een reuk van de dood ten dode, zozeer hun tegen, al voor de lichamelijke zintuigen de reuk van de dood en van de verrotting. Voor hun verstand is het dwaasheid, voor hun vlees een lastig dwangbuis; maar in weerwil daarvan voelen zij zich door het licht, hoewel zij het duisternis noemen, in hun binnenste verontrust en veroordeeld. Zolang de mens nog door een draad van zijn wezen met de onzichtbare wereld samenhangt, heeft de getuigenis van de waarheid, ook al dringt die maar in het klokgelui op de Zondag, of door voorbijgaan van kerkgangers of door onvermijdelijk deelnemen aan doop- of trouwplechtigheid door, nog een prikkel voor het geweten, zodat hij niet zo ongestoord, zonder twijfel en zonder onaangenaam gevoel, zoals hij dat graag zou willen, op de weg van vervreemding van God en van het vlees daarheen kan wandelen. "Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen" (Psalm 2:3), dat is het geroep, dat tegenwoordig in boeken en couranten, op redenaars gestoelten en plannen voor de toekomst overal zich uitspreekt. Na weinige tientallen van jaren zal men ook bereikt hebben wat men wil. De verontrustende stem van de getuigen van de Kerk, die ook de inwendige getuigende stem van het geweten vaak op zo ongelegen tijd heeft wakker geroepen, zal verstommen. Het hovaardige vlees zal door geen woord van zonde en boete meer worden gestoord, kruis en kroon zal voor het eigenwijs geslacht geen doorn meer in het oog zijn. Het zal de mensen lukken om ook de laatste banden van een hoger gebonden zijn te verscheuren en in leven en denken, zoals zij wensen, hun eigen meester te worden. Geen wonder, dat het gejuich dan wondergroot zal zijn, dat tot viering van deze bevrijding overal feesten zullen worden gehouden. Dan zal men bekransen en illumineren, redevoeringen houden en musiceren, maaltijden houden en toasten, dan zal men grote dingen horen, hoe nu eindelijk de overwinning van vrijheid en licht over duisternis en slavernij van de geest is verkregen, hoe nu voor de mensheid een nieuwe eeuw van het heil is aangebroken, een tijd van zuivere en algemene humaniteit, van allen omvattende, door geen geloofsstuk meer gestoorde liefde en eendracht, van onbegrensd, door geen Zelotisme meer bestreden levensgenot. Dan zal men elkaar in de vreugde van het hart en tot aandenken aan de grote gebeurtenis van de tijd geschenken geven. Dan zullen vooral de voorvechters van de nieuwe vrijheid van de Geest ridderorden en eerediploma's, burgerkronen en dankadressen is overvloed verkrijgen; dan zal zelfs de schooljeugd met premiën en gedenkschriften overlaten worden. Dat mijn, zoals hier geschied is, zich slechts op de hoogte van onze tijd behoeft te plaatsen, om reeds geheel de vorm en het wezen van de toekomst, door de ziener van de Openbaring oorspeld, te overzien en haar klein te beschrijven een toekomst, die de Kerk van Christus datgene zijn zal, wat eertijds de tabernakel te Silo was, nadat de ark des Verbonds een roof van de Filistijnen was geworden Psalm 132:6, is het duidelijk genoeg, dat wij in ons heden ons onmiddellijk voor deze toekomst bevinden. Als het jaar 1848 zijn vijftigjarig jubileum viert, zal men reeds een jaar van de nieuwe eeuw achter zich hebben; een tijd heeft men nu reeds in handen en twee tijden en een halve heeft men nog voor zich maar wat dan?
Vanwaar komt het, dat de optreding van zo'n kleine kudde, als die van de gelovigen ten allen tijde in vergelijking met de kinderen van de wereld was, voor de laatste een "pijniging" kan heten? Waarom bekommert men zich zo ernstig over zo'n verachtelijk klein aantal? Hoe laat zich verklaren, dat men zo hevig en zo aanhoudend vervolgt, als had men alles te vrezen van hen, die door kracht noch aantal in staat schijnen tot het inboezemen van enige vrees? Het antwoord is, omdat dat schijnbaar zwak en onbeduidend woord een machtige bondgenoot heeft in het geweten van de belagers. Dat geweten getuigt mee, dat het woord van de dienstknechten van de Heere waarheid is. En dat heeft de Heere ook voorspeld, waar Hij zegt: "en die (de Trooster, die Hij in Zijn plaats zou zenden) gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel; van zonde, omdat zij in Mij niet geloven", (dat zegt: de Heilige Geest zal aan de "wereld" zelf doen voelen, hoe zondig zij zich betoont door niet in Mij te geloven). Die medegetuigenis van het geweten maakt het leven in de nabijheid van de Evangelieprediking en Evangeliewerking tot een ware kwelling, een bestendige "pijniging" voor hen, die niets hoger zoeken of begeren, dan hetgeen van deze aarde is. Wel pogen zij hun onrust te verbergen achter bittere spot en medelijdend neerzien op zielen, zwak genoeg om geloof te geven aan datgene, waarboven zij zelf zich ver verheven rekenen; maar inwendig kunnen zij niet met onverschilligheid zien en horen en de afkeer, die hen bezielt, bewijst genoeg, dat de stem van de waarheid en hun eigen geweten tegen hen getuigt. En hierin hebben wij nu tevens een toetssteen voor de kracht en de waarde van de Evangelieverkondiging. De prediker van de waarheid, die niet "pijnigt", zalft ook niet. De vreugde in Christus is een plant, die daar opgroeit op de akker, bevochtigd door de tranen van de droefheid naar God, die een onberouwelijke keuze tot zaligheid werkt. Het hart, gebroken en verbrijzeld onder het gevoel van zonde en schuld voor het aangezicht van de Heere, is geopend voor de vertroostingen van het Evangelie van Hem, die kwam tot behoudenis van de verslagenen van geest; maar het is dit niet, zolang het gesloten blijft voor de bewustheid, te hebben gedaan wat kwaad is in de ogen van de Heere. Als vandaar ons heilbegerig uitzien naar en gelovig omhelzen van het Evangelie moet uitgaan, dat wij dan onszelf beproeven, of onze zonden ons leed zijn en dringt het diep in ieders gemoed, dat, zo betamend en heilzaam tevredenheid is met God, even betamend en heilzaam ontevredenheid is met onszelf!
Dit is ook een eigenschap van deze Roomse hiërarchie of geestelijke heerschappij, dat zij degenen, die zij voor ketters uitscholden, op galgen en raders zetten en in hun hele gebied de begrafenis weigerden, inzonderheid op hun gewijde plaatsen zetten en hun naam allerlei smaadheid aandoen na hun dood. (STATEN OVERZETT.).
De anti-christ zou de weinige getuigen, die duizend tweehonderd zestig dagen, dat is jaren, in een verachtelijke en droevige gestalte van tijd tot tijd zouden profeteren, doden en hen telkens gedood hebbend, zou hij gedenktekenen van de demping van de getuigen oprichten door het in geschiedboeken aan te tekenen en ook hun lichamen aan galgen hangen en hun hoofden op staken zetten, of op een andere wijze iets plaatsen, waarbij men herdenken kon, dat deze getuigen overwonnen en uitgeroeid waren, dat hetzelfde was, alsof de dode lichamen van de getuigen onbegraven bleven liggen. Hierin hadden de onderdanen van de anti-christ van allerlei soort en taal een groot genoegen. Zij zagen het doden met genoegen aan en brachten met blijdschap hout aan om ze te verbranden, zoals in de martelaarsboeken overvloedig is aangetekend. Zij wilden niet, dat het doden van de martelaren in vergetelheid kwam, maar dat de geheugenis zo levendig bleef, alsof zij onbegraven op aarde bleven liggen en met de ogen te zien waren. De dode lichamen bleven liggen op de straten van de grote stad, niet op de grote straat van de stad, maar op de straten van de grote stad, dat is Rome, die het gebied over de hele wereld onder de keizers gehad had. Nu was zij de zetel van de anti-christ, die zijn gebied ook zo verre tracht uit te breiden; niet dat de dode lichamen allen binnen de muren van Rome dood lagen, maar zij lagen op de gezegde wijze dood onder zijn gebied in verschillende plaatsen. Deze stad Rome wordt geestelijk genoemd Sodom, wegens de wellust, weelde en ontuchtigheid; en Egypte, wegens de onderdrukking van Gods volk. De Heere Jezus is te Rome gekruisigd, niet eigenlijk, maar door de Roomse stadhouder Pilatus, en wordt dagelijks onder het Rooms anti-christisch gebied in zijn leden gekruisigd en in hun mis verbroken en opgeofferd en de kracht van Zijn voldoening wordt door hun leer vernietigd. Dit zou drie en een halve dag duren, dat is een halve week; letterlijk kan het niet genomen worden, want hetgeen in die tijd geschieden zou, geeft langer tijd te kennen. Wij denken, dat dit wel een korte tijd betekent, zoals men zegt, een dag, twee, drie. De aardse mensen, die naar hun eigen vleselijke begeerlijkheden leven en door de leer van de anti-christ daarin gerustgesteld worden, dat zij met geld hun zonden kunnen afkopen, werden door het prediken en ontvangen van de waarheid van de twee getuigen, die wegens hun prediken profeten genoemd werden, in hun geweten gepijnigd, omdat hun daardoor ontdekt werd, dat zij op die weg niet zalig konden worden. Omdat die getuigen door hun leer en leven voortreffelijker waren dan zij en zo over hen naar hun inbeeldingen heersten, zo waren de getuigen hun onverdraaglijk en zij ontstaken als Kaïn in nijdigheid, als Achab in boosheid, als het volk tegen Amos in wrevel; daarom verblijdden zij zich, als de getuigen gedood waren, als zij tot schande waren gebracht en ophouden moesten, hen te bestraffen. Zo boos is het hart van de bloeddorstige Papisten.
De onderdanen van het rijk van de tegenstander zullen grote vreugde hebben uit de moord van de getuigen van de waarheid van het Evangelie en feest vieren (vgl. Ester 9:19, 22), omdat zij meenden nu pas verlost te zijn van de knagingen van het geweten, waarmee de kracht van de waarheid, door de evangelische leraars krachtig gepredikt, hen heeft aangedaan; want wat is zwaarder en moeilijker voor mensen, in wie het gevoel van het geweten nog niet is uitgeblust, dan dat hun dwalingen, gebreken en schelmstukken aan allen worden voorgesteld.
Heeft het beest dan van te voren geen krijg aangedaan? Ja, zijn haat en vervolging hebben altijd geduurd, maar dat was geen eigenlijk gezegde krijg; want hij heeft geen aanmerkelijke partij gehad om mee te handelen, dan alleen enige weinige verborgenen. Hij had alles naar zijn wil, vertredend naar zijn welgevallen de heilige stad; maar nu zijn ze hem een openbare partij. Zijn verwoesten van de rechtzinnige Christenen was nu meer openbaar en zijn woede tot grotere hoogte gestegen. De grote boosheid van het beest in Vers 8 maakt, dat het met de dood van de getuigen niet tevreden is, maar ze met verachting en schande achtervolgt na de dood, zoals gewoon geweest is in de vervolgingen van Frankrijk engeland, Duitsland, Zwitserland, enz. (Zwinglius, de admiraal van Frankrijk, Bucerus). Onder de grote stad wordt zeker Rome verstaan, maar zo, dat niet alleen de stad bedoeld is, dat wat binnen de wallen is, maar het rijk (urbs de stad; orbis de wereld). En het is opmerkelijk dat, als in deze profetie van Rome wordt gesproken, dit altijd bij uitnemendheid geschiedt als "de grote stad, de grote hoer, het grote Babylon" (Hoofdstuk 17:5; 18:2) en van geen andere wordt zo gesproken, uitgezonderd van het Nieuwe Jeruzalem, in tegenstelling tot Rome. Zij heeft drie Eigenschappen, die geestelijk moeten worden verstaan. Zij is geestelijk genoemd Sodoma, omdat Zij wegens haar dartelheid, hovaardij, zatheid van het brood en geestelijke onreinheid verfoeilijk was (Ezechiel 16); en Egypte, wegens het oefenen van geestelijke tiranny over het volk van God. Er wordt nog bijgevoegd "waar onze Heere gekruisigd is", niet letterlijk, maar "geestelijk", zoals het vorige aanwijst. Dat een profaan volk zo blij is, als het van vrome leraars verlost wordt, is niet te verwonderen. Achab kon wel vierhonderd profeten Jezabels verdragen, maar een Micha, die hem de waarheid zei, niet.
Die gruwelijke en verschrikkelijke wreedheid zal duren drie dagen en een halve, dat allen, die over dit boek hebben geschreven, uitleggen voor een korte tijd, wel een zekere, maar nochtans ook onzekere. Wij zeggen ook, het is om drie of vierdehalve dag te doen, dan zal het beter zijn. Daarom als ons geduld in die grootste versmaadheid en vervolging van de anti-christ wordt geoefend, moeten wij gedenken, dat God, onze Heere, alle dagen van onze ellenden geteld heeft.