4. En een ander paard ging uit dat zegel uit, dat vuur-rood was, een beeld van de strijd, waarin de eerste ruiter uittrekken zou, overwinnend en dat hij overwon. En die, die daarop zat en enigszins de personificatie van deze strijd was, werd macht gegeven de vrede te nemen van de aarde, van het land, waarvan hier sprake is
Prediker 30:21, zodat daarvoor nu niet weer rustige, vreedzame tijden na doorgestane strijd komen zouden, zoals anders het geval is, wanneer een strijd uitbreekt en dat zij, de inwoners van dat land, elkaar zouden doden. En hem werd een groot zwaard gegeven, om allen te bereiken, die bestemd waren om te vallen door de scherpte van het zwaard (
Lukas 21:24).
In plaats van "aarde" kan hier en vervolgens worden vertaald "land", omdat het woord van de grondtekst beide betekenissen heeft (Lukas 4:25; 21:23). In zoverre echter het heilige land en in het bijzonder Jeruzalem voor de navel of het middelpunt van de aarde kan worden gehouden Uit 21:11, kan zeer goed ook de meer algemene betekenis worden vastgehouden, ook zonder dat men daarbij aan de aarde en haar bewoners in het algemeen zou moeten denken. Tweedracht van de partijen van binnen, benevens het zwaard van buiten, dat is het, wat in het bijzonder de Joodse strijd karakteriseert. Vespasianus, nadat hij Galilea had ingenomen en Jericho en andere plaatsen bezet had, liet de opstandelingen aan hun eigen tweedracht over en wachtte te Cesarea aan de zee meer de gebeurtenissen te Rome af dan dat hij de belegering van Jeruzalem zou hebben besneld en toen het dan tot die belegering kwam onder Titus, bestreden in de stad zelf de partijen elkaar met vuur en zwaard, zodat ook deze, nadat hij zijn verschansing had opgericht, geruime tijd daar achter wachtte voordat hij verder ging. Ook het tweede teken, dat deze strijd een zodanige was waarop geen vrede meer volgde en in dit opzicht van zijn gelijke niet heeft (zelfs op de 30, 80jarige oorlog volgde toch eindelijk vrede) wijst aan, dat wij met onze verklaring van het gericht op de juiste weg zijn (vgl. Daniël 9:26, 27): "tot het einde zal er strijd zijn een verwoester zal zijn. ook tot de voleinding toe" en Lukas 21:24 : "Jeruzalem zal door de heidenen vertreden worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn, terwijl andere uitleggers zich weer met algemene onbepaalde stellingen behelpen en de karakteristieken trek, die uitdrukkelijk op de voorgrond wordt gesteld door het "hem werd gegeven" geheel uit het oog verliezen.
Het rode ros is het zinnebeeld van een met bloed besprengd en geverfd oorlogspaard, welks ruiter als een woest en wild veroveraar in de wereld uittrekt en de landen met krijg en bloedstorting vervult en wiens nauwkeurig zinnebeeld het grote slagzwaard is, buiten hetwelk hij geen recht kent. De aarde, waarvan hij de vrede wegneemt, is, in tegenstelling met de zee, het beeld van een welgeordende staat, hier het Romeinse rijk, waarvan in zijn laatste tijd de vrede weggenomen werd. Het gezicht wijst dus, terwijl het in tijdsorde op het eerste zegel volgt, op de tijden van die ontzagwekkende zwermen van bevolkingen, op die krijgsondernemingen tijdens de volksverhuizing, toen de krijg in eigen persoon eeuwen lang in de wereld ronddraafde, alle orde en regel in het West-Romeinse rijk verbrak en de inwoners geen enkele dag verzekerd waren, of er niet een schaar van rovers zou opdagen, om hun goed en leven te benemen. De vroegere en latere tijden van het Romeinse rijk, ofschoon er toen ook oorlogen gevoerd werden, waren rustig in vergelijking met deze omkeringen, daar verwoesting aanbrengende barbaren-horden jaren lang hele landstreken met plundering en bloedstorting vervulden. Wil men door de tweede ruiter een bepaald persoon verstaan, wat evenwel niet nodig is, dan kan men hem als een voorstelling van de koning van de Hun, Attilla, met zijn ruwe volgers, de voorname drager van die omwentelingsgeest en dier vernietigingswoede beschouwen.
Hierdoor wordt aangeduid de bloedige tweedracht, die de Heere laat komen over de wereld, die in het boze ligt. Deze is een voorname straf over haar en een hoofdmiddel om haar van trotse overmoed en bittere vijandschap, zo mogelijk, te brengen tot boete en om zich te bekeren tot de Vredevorst; ook in onze dagen zien wij dat verdeeldheid, oorlog en al daarmee verbonden rampen de wereld teisteren. In onze eeuwen in ons werelddeel heeft het rode paard zich vertoond en Hij, die er op zit, Zijn vreselijk slagzwaard uitgetogen.
Johannes zag nu een ander paard getekend. Het was rood, het oorspronkelijke woord, dat ook, in die zin door de 70 gebruikt wordt (Genesis 25:30 Numeri 19:2 Zacharia 1:8) betekent eigenlijk vuurrood, hoedanig de kleur is van gloeiend ijzer. Aan de ruiter op dat vuurrode paard werd gegeven, dat is gelast de vrede weg te nemen van de aarde en daarom de oorlog en schromelijke bloedvergietingen teweeg de brengen. Hij zat daarom op een vuurrood paard; een kleur zeer gepast, om het bloed, dat stond vergoten te worden, eigenaardig af te beelden.
Hierdoor wordt bekwamelijk verstaan de satan met zijn instrumenten, namelijk de Heidense en Ariaanse keizers en koningen, die de gemeente van Christus met vervolgingen en bloedstortingen hebben vervuld, in welke tijden vele duizenden martelaren de waarheid van de leer van Christus met hun bloed hebben bezegeld, waarvan in Vers 9 melding gemaakt zal worden.
Hier was zware arbeid en ondoorzienlijk lijden te verwachten; daarom wordt hier het tweede van die gebruikt, een sterke, ploegende os zijnde, de leraars voorstellend, die zware arbeid en lijden kunnen uitstaan; deze wekken de gemeente op, om de daden van de Heere te aanschouwen en om zich te schikken naar de handelingen van God met de Kerk. Het zinnebeeld is: En en ander paard ging uit, dat rood was. Een ander, niet in de natuur; want het was zowel een paard als het eerste; het is dezelfde Kerk in natuur, maar de hoedanigheden zijn anders, die door een ander zinnebeeld vertoond worden, daarom wordt het paard een ander genoemd. Het was rood, dat is: bebloed (Jesaja 63:2). Niet door het bloed van de vijanden, dat de kerk vergoten had; maar door Zijn eigen bloed, dat door de vijanden vergoten was. De Kerk is altijd een lelie onder de doornen geweest; van de jeugd aan wordt zij benauwd; ook voordat Johannes de Openbaring ntving, was zij een tegenloop van de Joden en Heidenen; de vervolgingen zouden niet alleen duren, maar zij zouden vermenigvuldigd en bij uitnemendheid verzwaard worden onder de Heidense keizers; Dit wordt hier voorspeld. Het zinnebeeld wordt verder beschreven: En die, die daarop zat; (men moet hier niet zozeer bij het zinnebeeld blijven staan, hoe het paard en zijn rijder te onderscheiden zijn, als letten op het oogmerk, dat is, de Kerk strijdend voorstellen en in de strijd vele doden en verslagenen krijgend en door toeval verwarringen zelfs onder de Heidenen verwekkend) "werd macht gegeven, de vrede te nemen van de aarde en dat zij elkaar zouden doden". De Heere Jezus zei van Zichzelf (Mattheus 10:34, 35): "Meen niet, dat Ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen, maar het zwaard. Want Ik ben gekomen om de mens tweedrachtig te maken jegens zijn vader en de dochter tegen haar moeder en de schoondochter tegen haar schoonmoeder. " Dit zelfde wordt hier van de Kerk gezegd. De Kerk is in zichzelf sulammith, vreedzaam; maar omdat zij de waarheid van het Evangelie belijdt, alom predikt en bekend maakt, en niet een heilige wandel versiert, zo worden velen daardoor verlicht, gaan uit het gezelschap van de wereld en gaan over in het koninkrijk van de Heere Jezus en tonen aan de wereld, dat zij andere mensen geworden zijn; door het gezegde worden de onbekeerden overtuigd, dat zij zo goed niet zijn, zij verdwijnen daarbij; hierdoor wordt de vijandschap tussen het zaad van de slang en de onderdanen van de Heere Jezus levendig en de overheden, de zielsvereniging van de lidmaten van de kerk ziende, vrezen, dat zij haar kroon en troon nadelig zouden worden; hieruit ontstaan de vervolgingen, zodat de Kerk de oorzaak is van de onvrede, maar niet voor zichzelf, maar door toeval van de boosheid van de mensen, waardoor de ene mens tegen de andere in verdeeldheid geraakt is en de overheden tegen de kerk en door de verdeeldheid van de gemoederen krijgt de haat plaats en de haat wekt de lust op tot doodslaan van hem, die in de weg is. In dit opzicht wordt gezegd, dat de Kerk macht gegeven is, om de vrede van de aarde weg te nemen en dat zij elkaar zouden doden. Het Roomse rijk had het gebied over de hele wereld en de Kerk was door de hele wereld verspreid en maakte een ongelofelijk getal van de mensen, dat toen ter tijd was en door het hele Roomse rijk was verspreid, geen klein gedeelte van Zijn onderdanen uitmakend. Toen dan de vervolgingen algemeen waren en door bevel van de keizer bevolen was, de Christenen te doden, toen was de vrede uit de wereld en uit het keizerrijk en door de vervolgingen tegen de Kerk en door de onderlingen verdeeldheid van de Heidenen onder elkaar, bij gelegenheid van de vervolgingen, zoals van de Kerk gezegd wordt, macht te hebben ontvangen, om de vrede weg te nemen, zo wordt ook gezegd: "en Hem werd een groot zwaard gegeven. " Het instrument, waardoor de vervolgingen zouden geschieden, namelijk, door doden. Hieruit blijkt, dat dit tweede zegel openbaart de grote vervolgingen, die de Kerk onder de Heidense keizers te verwachten had.