Psalm 14:1-3
Als wij, evenals Salomo, Spreuken 7:25, gedaan heeft, ons hart ertoe begeven "om te weten de goddeloosheid van de zotheid en de dwaasheid van de onzinnigheden," dan zullen deze verzen ons helpen bij dit onderzoek en ons tonen dat de zonde uiterst zondig is. Zonde is de ziekte van het mensdom, en hier blijkt zij boosaardig en epidemisch te zijn.
1. Zie hoe zij boosaardig is in twee dingen, vers 1. In:
A. De smaad, die zij werpt op de eer van God, want er is praktisch atheïsme op de bodem van alle zonde. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Soms zijn wij in verzoeking om te denken: "Er is nooit zoveel atheïsme en onheiligheid, zoveel Godslastering in de wereld geweest als in onze dagen", maar wij zien dat de vroegere tijden niet beter waren. Zelfs in Davids tijd waren er de zodanigen die tot zo'n diepte van goddeloosheid waren vervallen dat zij zelfs het bestaan van God loochenden en de eerste en klaarblijkelijke beginselen van de Godsdienst.
Merk op:
a. Hoe de zondaar hier beschreven wordt, hij is één, die zegt in zijn hart: Er is geen God, hij is een atheïst. Er is geen Elohim, geen rechter of regeerder van de wereld, geen voorzienigheid, die de zaken van de mensen bestuurt. Zij kunnen niet twijfelen aan het bestuur van God, maar willen Zijn heerschappij in twijfel stellen. Hij zegt dit in zijn hart, het is niet zijn oordeel maar zijn verbeelding. Hij kan er zich niet van overtuigen dat er geen God is, maar hij wenst dat er geen God is, en hij verlustigt zich in het denkbeeld dat het mogelijk zou zijn dat er geen God is, hij is er niet zeker van dat er een is, en daarom wil hij wel graag aannemen dat er geen is. Hij durft dit niet uitspreken uit vrees dat hij weerlegd zal worden, maar hij fluistert het stil in zijn hart, ten einde het geroep van zijn geweten tot zwijgen te brengen en zich aan te moedigen op zijn boze weg.
b. Het karakter van deze zondaar: hij is een dwaas, hij is onnozel en onwijs, en dit is er het blijk en bewijs van, hij is goddeloos en onheilig, en dit is er de oorzaak van. Atheïstische denkbeelden zijn zeer dwaze, goddeloze denkbeelden en zij zijn op de bodem van zeer veel van de goddeloosheid, die er in de wereld is. Het Woord van God is een oordeler van deze gedachten en plaatst een rechtvaardig brandmerk op hem die ze koestert. Nabal is zijn naam en dwaasheid is bij hem, want hij denkt tegen het helderste Hicht, tegen zijn eigen kennis en overtuiging en het algemene gevoelen van geheel het verstandige en sobere deel van het mensdom. Niemand zal zeggen: Er is geen God, voor hij zo verhard is in de zonde, dat het in zijn belang zou wezen dat er geen God is, die hem ter verantwoording zal roepen.
B. De schande en vernedering, die dit brengt over de natuur van de mens. Zondaren zijn verdorven, geheel ontaard van hetgeen de mens was in zijn staat van de onschuld. Zij zijn stinkende geworden, verrot. Al hun vermogens zijn zo in de war, dat zij hatelijk zijn geworden aan hun Maker en volstrekt onbekwaam om aan het doel van hun schepping te beantwoorden. Zij zijn in waarheid verdorven, want:
a. Zij doen geen goed, maar zijn de onnutte lasten van de aarde, zij doen God geen dienst, brengen Hem geen eer toe en doen zichzelf geen wezenlijk goed. b. Zij doen zeer veel kwaad, zij hebben gruwelijke werken gedaan, vers 2, want dat zijn alle zondige werken, zonde is een gruwel voor God het is "de gruwelijke zaak, die de Heere haat," Psalm 44:4 en vroeg of laat zal zij dit ook voor de zondaar wezen, zij zullen bevinden dat zij te haten is, Psalm 36:3, een "gruwel van de verwoesting" die verwoest, Mattheus 24:15. Dit volgt op hun zeggen dat er geen God is, "want zij die belijden God te kennen, maar Hem verloochenen met de werken, zijn gruwelijk en deugen niet tot enig goed werk," Titus 1:16.
2. Zie hoe epidemisch deze ziekte is, zij heeft het gehele menselijke geslacht aangestoken. Om dit te bewijzen wordt God zelf hier als getuige, ja als ooggetuige voorgebracht, vers 2, 3.
Merk op:
a. Zijn onderzoek. De Heere heeft uit de hemel neergezien, een plaats van ver uitzicht over geheel deze lagere wereld, vandaar heeft Hij met Zijn alziend oog al de mensenkinderen beschouwd, en de vraag was of er onder hen waren, die zichzelf recht verstaan, hun plicht en hun belang begrepen en God zochten, en zich Hem voorstelden. Hij, die dat onderzoek instelde was één, die niet slechts een goed man kon vinden als hij te vinden was, al was hij ook nog zo gering of onbekend, maar blij zou zijn om hem te vinden, en stellig kennis van hem zou nemen, zoals van Noach in de oude wereld.
b. Het resultaat van dit onderzoek, vers 3. Bij onderzoek, bij zijn onderzoek, is gebleken dat zij allen zijn afgeweken, de afval is algemeen, er is niemand die goed doet, ook niet één, totdat de vrije en machtige genade Gods een verandering in hen gewrocht heeft. Wat er voor goeds is in iemand van de kinderen van de mensen, of voor goeds gedaan wordt, is niet uit of van hemzelf het is Gods werk in hem. Toen God de wereld gemaakt heeft, beschouwde Hij Zijn werk, en "het was alles zeer goed," Genesis 1:31. Maar enige tijd daarna zag Hij het werk van de mensen, en zie het was alles zeer slecht, Genesis 6:5, iedere werking van de gedachte van des mensen hart was boos, alleenlijk boos, en dat wel voortdurend. Zij zijn afgeweken van de rechte weg van hun plicht, de weg die heenvoert naar de gelukzaligheid, en hebben zich gekeerd naar de paden van het verderf. Laat ons bij het zingen hiervan het bederf betreuren van onze eigen natuur, en onze behoefte zien aan Gods genade, en daar hetgeen uit het vlees geboren is, vlees is, moeten wij er ons niet over verwonderen als ons gezegd wordt dat wij wedergeboren moeten worden.