Psalm 58:1-6
Wij hebben reden om te denken dat deze psalm betrekking heeft op de boosaardigheid van Saul en zijn werktuigen tegen David, omdat hij hetzelfde opschrift al-tasheth en michtam van David heeft, als de voorgaande en de nu volgende, uit welk opschrift blijkt dat zij geschreven werden over de vervolging, waarin God hem bewaard heeft, (al-tasheth verderf niet), en daarom waren de psalmen, die hij toen schreef hem dierbaar en kostelijk. Michtams, Davids juwelen, zoals Dr. Hammond het vertaalt.
In deze verzen roept David, niet als koning, want hij was nog niet tot de troon gekomen maar als profeet, zijn rechters in de naam van God voor het gericht, en verklaart hen schuldig met meer gezag en rechtvaardigheid dan zij toonden in hem te vervolgen. Hij legt hun twee dingen ten laste.
1. Het bederf van hun regering. Zij waren een vergadering, een gerechtshof, ja misschien wel een congres of bijeenkomst van de staten des lands, waarvan men een billijke, rechtvaardige behandeling had kunnen verwachten, want zij waren mannen, onderwezen in de wet, opgeleid in de bestudering van de inzettingen en rechten, die zo rechtvaardig waren dat die van andere natiën er niet mee vergeleken konden worden. Men zou niet gedacht hebben dat een vergadering van de zodanigen omgekocht kon worden door een jaarwedde, en toch schijnt dit zo geweest te zijn, omdat de zoon van Kis voor hen doen kon wat de zoon van Isaï niet voor hen kon doen, 1 Samuël 22:7. Hij had wijngaarden en akkers om hun te geven, hij kon hen bevorderen bij het leger, en daarop zouden zij, om hem te behagen, alles doen, of het recht of onrecht was. Onder al het treurige dat Salomo op deze aarde gezien heeft, was er niets dat hem zo kwelde als te zien dat "ter plaatse des gerichts goddeloosheid was," Prediker 3:16. Zo was het in Sauls tijd.
2. De rechters wilden geen recht doen, wilden de verdrukte onschuld niet beschermen, vers 2. "Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid? Oordeelt gij billijkheden? Neen, het is er ver vandaan, uw eigen geweten moet u wel zeggen dat gij niet beantwoordt aan uw plicht als magistraten, die u voorschrijft om een schrik te wezen voor de kwaaddoeners en tot prijs te zijn dergenen, die goeddoen. Is dit de gerechtigheid, die gij voorgeeft te doen? Is dit de bescherming, de steun, die een eerlijk man, en een eerlijke zaak van u kan verwachten? Gedenkt dat gij mensenkinderen zijt, sterfelijk en stervende, en dat gij voor God op gelijke bodem staat met de geringsten van hen die gij vertreedt, en dat gij ter verantwoording geroepen en geoordeeld zult worden. Gij zijt mensenkinderen, en daarom kunnen wij een beroep doen op uzelf en op die wet van de natuur, die in het hart van iederen mens is geschreven. Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid? En zult gij bij nader bedenken niet verbeteren wat gij gedaan hebt?" Het is voor ons allen goed om na te denken over hetgeen wij gezegd hebben, en ons deze ernstige vraag te doen: Spreken wij waarlijk gerechtigheid? opdat wij herroepen hetgeen wij verkeerd gezegd hebben, en er niet in volharden.
3. Zij deden zeer veel onrecht, zij gebruikten hun macht om kwaad en verdrukking te steuren, vers 3. Gij werkt ongerechtigheden in het hart. U geeft te kennen dat zij met veel overleg te werk gingen, niet bij verrassing, maar met voorbedachten rade en bedoeling, en met een sterke neiging er toe, met vastberadenheid erin. Hoe meer er van het hart is in een daad van goddeloosheid, hoe erger het is, Prediker 8:11. En waarin bestond hun goddeloosheid? Het volgt hier: "Gij weegt het geweld van uw handen op de aarde", of op het land, welks vrede gij geroepen zijt te bewaren en te handhaven." Zij deden al het kwaad en geweld, dat zij konden, hetzij om zich te wreken, of om zich te verrijken, en zij wogen het, dat is:
a. Zij deden het met zeer veel list en omzichtigheid "gij doet het naar regel" (dat is de betekenis van het woord) Opdat het ten volle aan uw boze bedoelingen zal beantwoorden, zulke meesters zijt gij in de kunst van de verdrukking."
b. Zij deden het onder schijn van recht. Zij hielden de weegschaal (het embleem van de gerechtigheid) in hun handen, alsof zij bedoelden recht te doen, en recht wordt van hen verwacht maar de uitkomst is geweld en verdrukking, die zoveel krachtiger gewerkt worden als zij onder schijn van wet en recht worden gepleegd.
II. Het bederf van hun natuur. Dit was de wortel van de bitterheid, waaruit al die gal en alsem voortkwamen. De goddelozen, die goddeloosheid werken in hun hart, zijn vervreemd van de baarmoeder af, vervreemd van God en alle goed, vervreemd van herleven Gods en zijn beginselen, kracht en genoegens Efeziers 4:18. Een zondige toestand is een toestand van vervreemding van die bekendheid met God en van Zijn dienst, waarvoor wij gemaakt waren. Laat niemand er zich over verwonderen dat deze goddelozen zulke dingen durven doen, want goddeloosheid is hun aangeboren, zit hun in het bloed, zij hebben haar met zich in de wereld gebracht, zij hebben in hun aard een sterke neiging er toe. zij hebben haar van hun goddeloze ouders geleerd en zijn er door een slechte opvoeding toe opgeleid. Zij worden van de moederschoot af overtreders genaamd, en zij dragen die naam niet ten onrechte, daarom kan men van hen niets anders verwachten, dan dat "zij trouweloos zouden handelen," zie Jesaja 48:8. Zij dwalen af van God en van hun plicht zodra zij geboren zijn. zo spoedig als zij bij mogelijkheid kunnen De dwaasheid, die in hun hart gebonden is, komt reeds uit bij de eerste werkingen van het verstand, als de tarwe uitspruit, spruit tegelijk het onkruid uit. Er worden hier drie voorbeelden gegeven van het bederf van de natuur.
1. Leugen. Zij leren spoedig leugens te spreken, zij "spannen hun tong als hun bood tot leugen, Psalm 9 vers 3. Hoe spoedig zullen kleine kinderen een leugen zeggen om een fout te bedekken, of om zich aan te prijzen? Niet zodra spreken zij, of zij spreken tot oneer van God, zonden van de tong zijn sommigen van de eerste van onze dadelijke of werkelijke overtredingen.
2. Boosaardigheid. Hun gif, (hun kwaadwilligheid jegens goedheid en alle goede mensen, inzonderheid jegens David) was als vurig slangenvenijn, ingeboren en zeer schadelijk, daar zij er niet van genezen kunnen worden. Wij hebben medelijden met een hond, die door een toeval vergiftigd werd, maar haten een slang, die van nature giftig is. Zodanig was de gevloekte vijandschap in het slangengebroed tegen de Heere en Zijn gezalfde.
3. Onhandelbaarheid. Zij zijn boosaardig, en niets heeft uitwerking op hen, geen redeneren, geen vriendelijkheid, om hen te verzachten en tot een betere gemoedsstemming te brengen. Zij zijn als een dove adder, die haar oor toestopt, vers 5, 6. De psalmist had deze goddeloze mannen, over wie hij klaagt, om hun venijnige boosaardigheden vergeleken bij slangen, en nu neemt hij aanleiding om hen in een ander opzicht te vergelijken bij de dove adder, van welke toen de volksoverlevering bestond dat terwijl muziek, of een andere kunst om slangen te bezweren, aangewend werd om deze dieren te doden of ze tenminste onschadelijk te maken, deze dove adder een oor op de grond legde, en het andere oor bedekte met haar staart, ten einde de stem des bezweerders niet te horen, er dus de uitwerking van te verhinderen, en zich alzo te beveiligen. Het gebruik van deze vergelijking bevestigt de waarheid niet van het verhaal, en al was het waar, dan wordt de praktijk van deze bezwering er niet door gewettigd, want het is slechts een toespeling op het verhaal van zo iets, om van de zondaren hardnekkige volharding in de zonde voor te stellen. Gods bedoeling in Zijn Woord en Zijn voorzienigheid is slangen van hun boosaardigheid te genezen, hoe goed, hoe krachtig, hoe wel gekozen zijn de middelen, die Hij er voor gebruikt! Hoe krachtig zijn de rechte woorden! Maar voor de meeste mensen is het alles tevergeefs, en wat is er de reden van? Het is omdat zij niet willen horen. Niemand is zo doof als zij, die niet willen horen, wij hebben voor de mensen op de fluit gespeeld en zij hebben niet gedanst, hoe konden zij ook, als zij hun oren verstopt hebben?