Johannes 13:1-17
Over het algemeen hebben de Schriftuitleggers aangenomen, dat het wassen der voeten van de discipelen door Christus plaats heeft gehad in dezelfden nacht, toen Hij werd verraden, bij gelegenheid van de viering van het pascha, toen Hij ook het Avondmaal heeft ingesteld, en waarna Hij de hier volgende redenen heeft uitgesproken, maar of het was voordat de plechtigheid begon.of nadat zij voorbij was, of tussen het eten van het pascha en de instelling van des Heeren Avondmaal, hierover zijn zij het niet eens. De evangelist, die er zich op toelegt de bijzonderheden bijeen te brengen, die door de anderen niet meegedeeld werden, vermijdt zorgvuldig datgene wat door de anderen wèl werd meegedeeld, hetgeen enige moeilijkheid veroorzaakt voor de samenvoeging. Wij onderstellen dat het was toen Judas uitging, vers 30, om zijne lieden in gereedheid te brengen, die den Heere Jezus in den hof gevangen moesten nemen. Maar Dr. Lightfoot blijkt van mening te zijn, dat dit en al wat meegedeeld wordt tot aan het einde van Hoofdstuk 14, niet aan den paasmaaltijd gezegd en gedaan werd, want hier wordt gezegd, vers 1, dat het was voor het feest van het pascha, maar aan den maaltijd in Bethanië, twee dagen voor het pascha, waarvan wij lezen in Mattheus 26:2-6, toen Maria voor de tweede maal Christus' hoofd heeft gezalfd met hetgeen van de albasten fles met zalf nog overig was. Of het kan ook wezen aan een ander avondmaal voor het pascha, niet gelijk dat van Simon den melaatse, maar in Zijn eigen tijdelijke woning, waar Hij niemand bij zich had dan Zijne discipelen, en vrijer met het kon zijn. In deze verzen hebben wij het verhaal van het wassen der voeten van de discipelen door Christus. Het was een daad van zeer bijzonderen aard, geen wonder, tenzij wij het een wonder van nederigheid noemen. Maria had zo-even Zijn hoofd gezalfd, opdat het nu n iet den schijn zou hebben, dat Hij een koninklijken staat aannam, stelt Hij er terstond deze daad van zelfvernedering tegenover. Maar waarom heeft Christus dit willen doen? Indien de voeten der discipelen gewassen moesten worden, dan konden zij dit zelf doen, een verstandig man zal niets doen, dat vreemd of zonderling schijnt, of hij moet er goede en gewichtige redenen voor hebben. Wij zijn er zeker van, dat dit hier niet uit scherts of kortswijl geschiedde, neen, de handeling was hoogst plechtig en ernstig, en er worden hier vier redenen aangeduid, waarom Christus het gedaan heeft:
1. Om een blijk te geven van Zijne liefde voor Zijne discipelen, vers 1, 2.
2. Om een voorbeeld te geven van Zijn vrijwillige nederigheid, vers 3-5.
3. Om hen te wijzen op de geestelijke wassing, zoals blijkt uit Zijn gesprek met Petrus, vers 6-11.
4. Om hun een voorbeeld te geven, vers 12-17. Het blootleggen dezer vier redenen sluit de verklaring van geheel dit verhaal in.
I. Christus heeft de voeten Zijner discipelen gewassen ten einde hun een blijk te geven van de grote liefde, waarmee Hij hen heeft liefgehad tot het einde, vers 1, 2.
1. Het wordt hier voorgesteld als een ontwijfelbare waarheid, dat onze Heere Jezus de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad heeft tot het einde, vers 1.
a. Dat is waar van de discipelen, die Zijn onmiddellijke volgelingen waren, inzonderheid de twaalven. Dezen waren de Zijnen in de wereld, Zijn gezin, Zijne school, Zijne boezemvrienden. Hij had gene kinderen, die Hij de Zijnen noemde, maar Hij had hen als zodanig aangenomen. Hij had de zodanige in de andere wereld, maar Hij had hen voor een wijle verlaten, om voor de Zijnen in deze wereld te gaan zorgen. Dezen had Hij lief, Hij heeft hen geroepen tot gemeenschap met Hem, Hij heeft gemeenzaam met hen gesproken, heeft hun steeds tederheid betoond, voor hun welzijn en voor hun eer gezorgd. Hij heeft hun vergund zeer vrij en vrijmoedig met Hem te zijn, en Hij had geduld met hun zwakheden. Hij heeft hen liefgehad tot het einde, bleef hen liefhebben zolang als Hij leefde en na Zijne opstanding, nooit heeft Hij hun Zijne liefde en goedertierenheid onthouden. Hoewel er sommige personen van rang en aanzien waren, die Zijne zaak hadden omhelsd, heeft Hij daarom Zijn oude vrienden niet ter zijde gesteld om plaats te maken voor de nieuwe, neen, Hij bleef zich houden aan Zijn arme vissers. Zij waren zwak en gebrekkig in kennis en genade, traag van begrip en vergeetachtig, en, hoewel Hij hen dikwijls bestrafte, heeft Hij toch nooit opgehouden hen lief te hebben en voor hen te zorgen.
b. Dat is ook waar van alle gelovigen, want deze patriarchen waren de vertegenwoordigers van alle de stammen van Gods geestelijk Israël. Onze Heere Jezus heeft een volk in de wereld, die de Zijnen zijn, Zijn eigendom zijn, want zij zijn Hem gegeven door den Vader, Hij heeft hen gekocht, duur gekocht. en Hij heeft hen zich afgezonderd-de Zijnen, want zij hebben zich Hem gewijd als een bijzonder volk. De Zijnen, waar van de Zijnen gesproken wordt, die Hem niet hebben aangenomen, is het ta idia -het zijne. Zijn eigen dingen, zoals iemands vee het zijne is, maar waarvan hij den eigendom, zo het hem lust, verwisselen kan. Maar hier is het tous idious -Zijn eigen personen, zoals iemands vrouw en kinderen de zijnen zijn, tot wie hij in voortdurende betrekking staat. Christus koestert een hartelijke liefde voor de Zijnen, die in de wereld zijn. Hij heeft hen liefgehad met ene liefde van gunst en welwillendheid, toen Hij zich ter hunner verlossing heeft overgegeven. Hij heeft hen lief met ene liefde des welbehagens, als Hij hen toelaat tot Zijne gemeenschap. Hoewel zij in deze wereld zijn, ene wereld van duisternis en verwijdering, van zonde en bederf, heeft Hij hen nochtans lief. Thans zal Hij heengaan naar de Zijnen in den hemel, de geesten der volmaakte rechtvaardigen, die zich dáár bevinden, maar Hij scheen zich het meest te bekommeren om de Zijnen op aarde, omdat zij Zijne zorg nodig hadden, aan het zieke of ziekelijke kind worden de meeste zorgen gewijd. Hen, die Christus liefheeft, heeft Hij lief tot het einde. Hij is standvastig in Zijne liefde voor Zijn volk. Hij "rust in Zijne liefde" . Hij heeft lief met een eeuwige liefde, Jeremia 31:3, van eeuwigheid in de raadsbesluiten er van, tot in eeuwigheid in de gevolgen er van. Niets kan den gelovige scheiden van de liefde van Christus, Hij heeft de Zijnen lief tot het einde, want Hij zal het voor hen voleinden, en zal hen brengen in ene wereld, waar de liefde eindeloos en volmaakt is.
2. Christus heeft hun Zijne liefde getoond door hun voeten te wassen, zoals de Godvruchtige vrouw Hem hare liefde betoond heeft door Zijne voeten te wassen en af te drogen, Lukas 7:38. Aldus heeft Hij willen tonen, dat, gelijk Zijne liefde voor hen standvastig was, zij ook nederig en neerbuigend was, -dat Hij ter bereiking van het doel er van bereid was zich te vernederen, -en dat de heerlijkheid van Zijn verhoogden staat, dien Hij nu stond in te treden, de gunst niet in den weg stond, welke Hij den Zijnen toedroeg. En aldus wilde Hij de belofte bevestigen, die Hij aan al de heiligen gedaan heeft, dat Hij hen "zal doen aanzitten, en dat Hij, bijkomende hen zal dienen", Lukas 12:37, dat Hij hun ene eer zal aandoen even groot en verbazingwekkend, als wanneer een heer zijne knechten dient. De discipelen hadden even tevoren de zwakheid hunner liefde voor Hem verraden door Hem de zalf te misgunnen, die op Zijn hoofd was uitgestort, Mattheus 26:8, en toch geeft Hij hun nu terstond een blijk van Zijne liefde. Onze zwakheden doen de liefde en goedheid van Christus des te sterker uitkomen. 3. Hij heeft dien tijd, een weinig voor Zijn laatste pascha, hiertoe gekozen, om twee redenen: -
a. Omdat Hij wist, dat nu Zijne ure was gekomen, die Hij lang had verwacht, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader. Merk hier op: a. De verandering, die er met den Heere Jezus zou plaatshebben, Hij zal overgaan. Dat begon bij Zijn dood, maar werd voleindigd bij Zijne hemelvaart. Gelijk Christus zelf, zo zullen alle gelovigen, krachtens hun eenheid met Hem, als zij heengaan uit de wereld- uitwonen uit het lichaam-overgaan tot den Vader, en inwonen bij den Heere. Het is een heengaan uit de wereld, deze onvriendelijke, schadelijke, trouweloze, verraderlijke wereld-deze wereld van arbeid, moeite en verzoeking, dit tranendal, en het is een heengaan tot den Vader, tot het gezicht, het visioen, van den Vader der geesten, en de genieting van Hem als den onze.
b. Den tijd van deze verandering: Zijne ure was gekomen. Soms wordt het de ure Zijner vijanden genoemd, Lukas 22:53, de ure van hun zegepraal, soms Zijne ure, de ure van Zijn zegepraal, de ure, die Hij steeds op het oog heeft gehad. De tijd van Zijn lijden was tot op ene ure vastgesteld, en de duur er van tot slechts een uur bepaald.
c. Zijne voorkennis er van, Hij "wist dat Zijne ure was gekomen", Hij heeft van den beginne geweten, dat zij komen zou, en wanneer, maar nu wist Hij, dat zij gekomen was. Wij weten niet wanneer onze ure komen zal, daarom moet hetgeen wij te doen hebben in gestadige voorbereiding er van nooit ongedaan blijven, maar als wij door de voorboden er van weten, dat onze ure gekomen is, dan moeten wij, evenals onze Meester, er ons ijverig en krachtig op toebereiden, 2 Petrus 3:14. Nu was het in het onmiddellijk vooruitzicht van Zijn heengaan, dat Hij de voeten Zijner discipelen heeft gewassen, opdat, gelijk Zijn hoofd nu gezalfd was tegen den dag Zijner begrafenis, hun voeten zouden gewassen zijn tegen den dag hunner heiliging bij de nederdaling des Geestes vijftig dagen later, zoals ook de priesters met water gewassen werden, Leviticus 8:6. Als wij onzen dag zien naderen, dan behoren wij zoveel goed te doen als wij kunnen voor hen, die achterblijven.
b. Omdat de duivel nu in het hart van Judas gegeven had, dat hij Hem verraden zou, vers 2. Deze woorden in een tussenzin kunnen beschouwd worden: a. als aanwijzende den oorsprong van Judas' verraad, het was ene zonde, die duidelijk des duivels beeld en opschrift droeg. Op wat wijze de duivel toegang verkrijgt tot het hart der mensen, en hoe hij zijne pijlen en inblazingen tot hen doet doordringen en ze onopgemerkt vermengt met de gedachten, die in het hart opkomen, weten wij niet. Maar er zijn zonden. die in haren aard zo zondig zijn, en waarvoor zo weinig verzoeking komt van de wereld en het vlees, dat het duidelijk is, dat Satan er het ei van legt in het hart, dat geschikt is om het uit te broeden. Dat Judas zulk een Meester heeft verraden, Hem zo goedkoop en zonder enigerlei aanleiding of prikkeling heeft verraden, was zulk een bepaalde vijandschap tegen God, dat het niet anders dan door Satan zelven uitgedacht en bewerkt kon wezen, daar hij dacht hierdoor des Verlossers koninkrijk te verderven, terwijl hij er feitelijk zijn eigen rijk door verdierf. b. Als de reden aanduidende, waarom Christus thans de voeten Zijner discipelen wies.
Ten eerste. Daar Judas nu besloten was Hem te verraden, kon de tijd van Zijn heengaan niet meer ver zijn, indien deze zaak besloten is, dan is het gemakkelijk om met Paulus tot de gevolgtrekking te komen: Ik word nu tot een drankoffer geofferd. Hoe boosaardiger wij onze vijanden tegen ons gestemd zien, hoe meer wij ons moeten benaarstigen om op het ergste voorbereid te zijn. Ten tweede. Judas nu in den strik gevallen zijnde, en de duivel zijn aanval ook op Petrus en de overigen richtende, Lukas 22:31, wilde Christus de Zijnen tegen hem versterken. Als de wolf een schaap van de kudde heeft geroofd, dan is het tijd voor den herder om over de overigen te waken. Als de besmetting begonnen is te werken, moet tegengif toegediend worden. Dr. Lightfoot merkt op, dat de discipelen van Judas hadden geleerd om te morren tegen de zalving van Christus, hoofdstuk 12:4 en Mattheus 26:8. Opdat nu zij, die dit van hem geleerd hadden, niet nog ergers van hem zouden leren, versterkt Hij hen door ene les van nederigheid tegen zijn gevaarlijkste aanvallen. Ten derde. Judas, die nu het plan had beraamd om Hem te verraden, was een der twaalven. Nu wilde Christus hiermede tonen, dat Hij niet bedoelde allen te verwerpen om de schuld van dien enen. Hoewel een lid van hun gezelschap een duivel had en een verrader was, zal het er hun niet te slechter om gaan. Christus heeft Zijne kerk lief, al zijn er ook geveinsden in, en Hij was liefderijk en genadig voor Zijne discipelen, ofschoon er een Judas onder hen was en Hij het wist.
II. Christus heeft de voeten Zijner discipelen gewassen om een voorbeeld te geven van Zijn eigen wonderbare nederigheid, om te tonen hoe voorkomend vriendelijk Hij was, en de gehele wereld te doen weten hoe diep Hij zich in liefde tot de Zijnen kon neerbuigen. Dat wordt aangeduid in vers 3-5. Jezus wetende, en nu denkende aan, en wellicht sprekende van, Zijne eer als Middelaar, en tot Zijne vrienden zeggende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had.
stond op van het avondmaal en, tot grote verrassing en verwondering van het gezelschap, begon Hij de voeten der discipelen te wassen.
1. Hier is de rechte bevordering en verhoging van den Heere Jezus. Heerlijke dingen worden hier van Christus als Middelaar gezegd.
a. De Vader had Hem alle dingen in de handen gegeven, had Hem eigendomsrecht in alles gegeven, en macht over alles, als bezitter van hemel en aarde ingevolge het grote doel van Zijne onderneming, zie Mattheus 11:27. De vereffening van, en het oordeel omtrent, alle zaken in geschil tussen God en den mens waren in Zijne handen gegeven als scheidsman, en het bestuur over het koninkrijk Gods onder de mensen in alle afdelingen er van was Hem opgedragen, zodat alle beschikkingen van bestuur en van oordeel door Zijne handen moesten gaan, Hij is de erfgenaam van alle dingen.
b. Hij was van God uitgegaan. Dat geeft te kennen, dat Hij van den beginne bij God was, een wezen en heerlijkheid had, niet slechts eer Hij in deze wereld geboren was, maar eer de wereld zelf was geboren, en dat Hij, toen Hij in de wereld kwam, als Gods gezant is gekomen met ene boodschap, ene opdracht van Hem. Hij kwam van God als de Zone Gods, en als de Gezondene Gods. De Oud-Testamentische profeten zijn door God verwekt en gebruikt, maar Christus is onmiddellijk van Hem gekomen.
c. Hij ging heen tot God, om bij Hem verheerlijkt te worden met de heerlijkheid, die Hij van eeuwigheid bij God gehad heeft. Hetgeen van God komt. zal tot God gaan, diegenen zijn van boven geboren, wier leven zich naar boven strekt. Gelijk Christus van God is gekomen om Gods zaak voor te staan bij de mensen op aarde, zo is Hij heengegaan tot God om onze zaken voor te staan in den hemel, en het is ons ene vertroosting en lieflijkheid te denken, hoe welkom Hij daar geweest is: Hij is gekomen tot den Oude van dagen, Daniël 7:13. En tot Hem werd gezegd: Zit aan Mijne rechterhand, Psalm 110:1. d. Dit alles wist Hij: Hij was niet als een prins in de wieg, die niets weet van de eer en heerlijkheid waartoe hij is geboren, of gelijk Mozes, die niet wist, dat het vel zijns aangezichts glinsterde, neen, Hij had een vol gezicht op al de heerlijkheid van Zijn verhoogden staat, en toch heeft Hij zich zo diep willen neerbuigen. Maar waarom wordt dit nu hier juist te pas gebracht? a. Het was om Hem, als het ware aan te sporen om nu snellijk aan Zijne discipelen de lessen en onderrichtingen te geven, die Hij nog voor hen had, daar Zij ne ure nu gekomen was, waarin Hij afscheid van hen moest nemen, en verhoogd zou worden boven den gemeenzamen omgang, dien Hij nu met hen had, vers 1. b. Het kan ook wezen, dat dit Hem heeft ondersteund in Zijn lijden, en Hem goedsmoeds door dien zwaren strijd heen heeft geholpen. Judas was er nu op uit Hem te verraden, en Hij wist het, Hij wist wat er het gevolg van zou zijn, maar ook wetende, dat Hij van God was uitgegaan en tot God ging, is Hij niet teruggedeinsd, maar blijmoedig voortgegaan.
c. Het schijnt ook als tegenstelling te zijn aangebracht met Zijne neerbuigendheid, om haar nog des te bewonderenswaardiger voor te stellen. De redenen voor Gods genade zijn in de Schrift soms voorgesteld als vreemd en verrassend, zoals in Jesaja 57:17, 18, Hosea 2:13, 14. Zo wordt ook hier datgene aangeduid als ene reden voor Christus om zich neer te buigen, dat veeleer ene reden zou schijnen tot het aannemen van statigheid, want Gods gedachten zijn niet als onze gedachten. Vergelijk hiermede die Schriftuurplaatsen, welke de treffendste voorbeelden inleiden van neerbuigende genade met de tentoonspreiding van Goddelijke heerlijkheid, zoals Psalm 5:6, Jesaja 57:15, 66:1, 2.
2. Hier is, in weerwil hiervan, de vrijwillige vernedering van onzen Heere Jezus. Jezus wetende, Zijn eigen heerlijkheid als God kennende, en Zijn eigen macht en gezag als Middelaar, zou-naar men zou denken- nu moeten volgen: "staat op van het avondmaal, legt Zijn gewone kledij af, laat een staatsiegewaad aanbrengen, gebiedt hun op een afstand te blijven en Hem hulde te doen". Maar neen, gans het tegenovergestelde heeft plaats, dit overwegende, gaf Hij het grootste voorbeeld van nederigheid. Een wel gegronde verzekerdheid van den hemel en van gelukzaligheid zal, in plaats van den mens op te blazen door hoogmoed, hem nederig maken en nederig houden. Zij, die gelijkvormig willen bevonden worden met Christus, en deelgenoten van Zijn Geest, moeten zich beijveren om temidden van de hoogste bevordering nederig van hart te blijven. Datgene nu, waartoe Christus zich vernederde, was de voeten Zijner discipelen te wassen.
a. Het werk zelf was van zulk een aard, dat men er dienstknechten van den laagsten rang voor gebruikte. Uwe dienstmaagd, zei Abigaïl, zij tot ene dienares om de voeten der knechten mijns heren te wassen -laat mij voor het laagste werk gebruikt worden, 1 Samuël 25:41. Indien Hij hun de handen of het aangezicht had gewassen, dan zou dit reeds ene daad van grote neerbuigendheid zijn geweest-Elisa groot water op de handen van Elia, 2 Koningen 3:11- maar dat Christus zich tot zulk een slavenwerk neerboog, dat voorwaar is wel geschikt om onze bewondering op te wekken. Aldus wilde Hij ons leren niets beneden ons te achten, dat wij doen kunnen voor de ere Gods en tot welzijn onzer broederen.
b. Die neerbuigendheid was des te groter wijl Hij haar bewees aan Zijn eigen discipelen, die zelven van zeer geringen staat waren, niet zeer kieskeurig op hun lichaam, hun voeten zullen waarschijnlijk slechts zelden gewassen zijn, en dus waren zij zeer vuil. In betrekking tot Hem waren zij Zijne leerlingen, Zijne dienaren, die Zijne voeten behoorden te wassen, daar zij geheel van Hem afhankelijk waren. Velen, die anders zeer hooghartig zijn, zullen iets laags of gerings doen, om de gunst hunner meerderen te verwerven, zij verheffen zich door te bukken, en klimmen door te kruipen, maar dat Christus dit voor Zijne discipelen gedaan heeft kon niet voortkomen uit staatkundige berekening of uit vleierij, het was zuivere nederigheid. c. Om dit te doen stond Hij op van het avondmaal. Hoewel wij in vers 2 vertalen: "als het avondmaal gedaan was", zou dit beter gelezen kunnen worden: een avondmaal bereid zijnde, of, daar Hij aan een avondmaal was, want Hij ging wederom aanzitten, vers 12, en wij bevinden, dat Hij de bete indoopte, vers 26, zodat Hij het in het midden van den maaltijd gedaan heeft, en hiermede heeft Hij ons geleerd: a. het als gene stoornis te achten, of als een rechtmatige oorzaak van onrust, als wij van onzen maaltijd worden afgeroepen om Gode of onzen naaste een werkelijken dienst te bewijzen, het volbrengen van een plicht verkiezende boven het ons noodzakelijke voedsel, Hoofdstuk 4:34. Christus heeft Zijne prediking niet willen onderbreken, zelfs niet om Zijn naaste betrekkingen genoegen te doen, Markus 3:33, maar wel heeft Hij Zijn avondmaal willen onderbreken om aan Zijne discipelen Zijne liefde te betonen. b. Niet al te kieskeurig te zijn omtrent onze spijze. Het zou sommige overdreven zindelijke lieden hebben doen walgen om temidden van een maaltijd vuile voeten te gaan wassen, maar Christus heeft het gedaan, niet om ons te leren ruw van zeden en manieren te wezen, of onzindelijk te zijn (zindelijkheid en Godzaligheid gaan zeer goed samen) maar om ons te leren niet al te angstvallig te zijn omtrent spijs en drank, de overgevoeligheid hieromtrent eerder te onderdrukken dan aan te moedigen, aan goede manieren een betamelijke plaats gevende, maar ook niet meer.
d. Om dit te doen, nam Hij het gewaad aan van een dienstknecht. Hij legde Zijne klederen af -het losse bovenkleed-teneinde dien dienst met des te meer geschiktheid en vaardigheid te volbrengen. Wij moeten ons tot onzen plicht begeven, niet als mensen, die statigheid aannemen, maar die zich moeite geven, wij moeten ons ontdoen van alles, dat onzen hoogmoed kan strelen of ons zou kunnen hinderen en in den weg zijn voor hetgeen wij te doen hebben, wij moeten de lenden opschorten van ons verstand, als degenen, die zich met ernst en ijver op hun werk toeleggen.
e. Hij deed het met alle plechtigheid der nederigheid, alle onderdelen van dien dienst nauwkeurig volbrengende, niets overslaande, Hij deed het, alsof Hij gewoon was dat werk te doen, Hij deed het alleen, en had niemand om er Hem behulpzaam bij te zijn. Een linnen doek nemende, omgordde Hij zich, zoals dienaren, die een servet over den arm dragen, of een voorschoot aandoen. Hij goot water in het bekken, uit de watervaten, die gesteld waren, Hoofdstuk 2:6, en begon hun voeten te wassen, en, om den dienst te voltooien, heeft Hij ze "afgedroogd". Sommigen denken, dat Hij niet van allen, doch slechts van vier of vijf hunner de voeten heeft gewassen, daar dit voldoende werd geacht voor het doel, maar ik zie niets, dat deze gissing ondersteunt, want in andere plaatsen, waar Hij wèl onderscheid heeft gemaakt, wordt er nota van genomen. En Zijn wassen van de voeten van allen, zonder uitzondering, leert ons algemene uitgebreide liefde voor al de discipelen van Christus, zelfs voor de minsten en geringsten.
f. Ongetwijfeld heeft Christus dan ook de voeten van Judas gewassen, er is tenminste niets waaruit het tegendeel blijkt, want hij was er bij tegenwoordig, vers 26. Het is ene der kenmerken van ene vrouw, die waarlijk weduwe is, dat zij de voeten der heiligen heeft gewassen, 1 Timotheus 5:10, en hierin is enige vertroosting gelegen, maar de gezegende Jezus heeft hier de voeten gewassen van een zondaar, den ergsten der zondaren, den ergsten tegenover Hem, van een, die toen omging met het voornemen om Hem te verraden. Vele Schriftverklaarders beschouwen het wassen van de voeten der discipelen door Christus als ene voorstelling van geheel Zijne onderneming. Hij wist, dat Hij Gode gelijk was, en toch stond Hij in de heerlijkheid op van tafel, heeft Hij Zijne klederen des lichts afgelegd, zich omgord met onze natuur, de gestalte eens dienstknechts aangenomen, is Hij gekomen niet om gediend te worden, maar om te dienen, heeft Hij Zijn bloed vergoten, Zijne ziel uitgestort in den dood, en hiermede een wasvat bereid om ons te wassen van onze zonden, Openbaring 1:5.
III. Christus heeft de voeten Zijner discipelen gewassen om hen te wijzen op de geestelijke wassing, de reiniging der ziel van de bezoedeling der zonde. Dit blijkt duidelijk uit Zijn gesprek met Petrus hierover, vers 6-11, waarin wij hebben te letten:
1. Op de verbazing van Petrus, toen hij zag welken geringen dienst de Meester ging verrichten, vers 6, Hij dan kwam tot Simon Petrus met den linnen doek en het bekken, en zegt hem zijne voeten uit te strekken om ze te laten wassen. Chrysostomus oppert de gissing, dat Hij het eerst de voeten van Judas heeft gewassen, die zich deze eer gaarne liet welgevallen, en er behagen in schiep zijn Meester zich aldus te zien verlagen. Het. is meer waarschijnlijk, dat Hij, toen Hij dezen dienst ging verrichten (hetgeen de betekenis is van de woorden in vers 5:"Hij begon te wassen") met Petrus is begonnen en dat de overigen het niet zouden toegelaten hebben, indien zij er de verklaring niet van hadden gehoord in hetgeen er tussen Christus en Petrus voorviel. Of Christus nu al of niet het eerst tot Petrus kwam- toen Hij tot hem kwam, schrikte Petrus over dit voorstel: Heere! (zei hij) zult Gij mij de voeten wassen? Hier moet nadruk gelegd worden op de persoonlijke voornaamwoorden: Gij en mij, wast Gij mijne voeten! Gij de mijne! Gij, onze Heere en Meester, dien wij kennen als, en geloven te zijn de Zoon van God, de Zaligmaker en Bestuurder der wereld. Gij zult dit doen voor mij, een nietigen aardworm, een zondig mens, o Heere! Zullen deze handen, wier aanraking melaatsen gereinigd, aan blinden het gezicht, aan doden het leven hebben gegeven, mijne voeten wassen? Aldus hebben Theophylactus en Dr. Taylor zich hierover uitgelaten. Zeer bereidwillig zou Petrus het bekken en den linnen doek hebben genomen om zijns Meesters voeten te wassen, en trots zijn geweest op de eer, Lukas 17:7, 8. "Dat zou natuurlijk en in orde geweest zijn, maar dat mijn Meester mijne voeten zou wassen, is zo iets ongehoords, dat ik het mij niet kan begrijpen. Is dit naar de wijze der mensen? Christus' neerbuigende goedheid, inzonderheid Zijne verwaardiging jegens ons, waarin wij ons zien opgemerkt door Zijne genade, biedt ons rechtmatige stof tot bewondering, Hoofdstuk 14:22. Wie ben ik, Heere? En wat is mijns vaders huis?
2. Op het onmiddellijk bevredigend antwoord, dat Christus op die vraag der verwondering heeft gegeven. Zij volstond tenminste om zijne tegenwerpingen tot zwijgen te brengen, vers 7. Wat Ik doe weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan. Hier zijn twee redenen, waarom Petrus zich moest onderwerpen aan hetgeen Christus ging doen:
a. Omdat hij voor het ogenblik hieromtrent in duisternis en onwetendheid verkeerde, en dus niet moest tegenstaan hetgeen hij niet kende, maar berusten moest in den wil en de wijsheid van Enen, die een goede reden kon geven voor alles wat Hij zei en deed. Christus wilde aan Petrus een onbepaalde gehoorzaamheid leren: "Wat Ik doe, weet gij nu niet, en daarom zijt gij niet bevoegd om er over te oordelen, maar moet gij geloven dat het recht gedaan is, omdat Ik het doe." De bewustheid van de duisternis, waarin wij ons bevinden, en van onze onbekwaamheid om te oordelen over hetgeen God doet, moet ons spaarzaam en bescheiden maken in onze aanmerkingen op Zijne handelwijze. Zie Hebreeën 11:8.
b. Omdat er iets gewichtigs in was, waarvan hij later de betekenis zou verstaan. "Na dezen zult gij verstaan hoe nodig gij het hebt gewassen te worden, als gij u schuldig zult hebben gemaakt aan de afschuwelijke zonde van Mij te verloochenen." Aldus wordt dit door sommigen opgevat. "Gij zult het weten en verstaan, als gij in de uitoefening van het apostelambt gebruikt zult worden om van hen, die onder uw opzicht en zorg zijn, de zonden en verontreinigingen van hun aardse genegenheden af te wassen." Aldus wordt het door Dr. Hammond verklaard. Onze Heere Jezus doet vele dingen, waarvan zelfs Zijn eígen discipelen thans de betekenis niet begrijpen, maar zij zullen ze na dezen verstaan. Wat Hij deed, toen Hij om onzentwil mens is geworden, en wat Hij deed, toen Hij om onzentwil een worm en geen man is geworden, wat Hij deed, toen Hij ons leven heeft geleefd, en wat Hij deed, toen Hij Zijn leven heeft afgelegd, kon niet dan later begrepen worden, en toen bleek het, dat het Hem betaamde, Hebreeën 2:17 1). Latere leidingen van Gods voorzienigheid verklaren de vorige, en later zien wij wat de barmhartige strekking was van gebeurtenissen, die ons het droevigst toeschenen, en de weg, dien wij een omweg dachten te zijn, bleek de rechte weg te wezen. Er lag in die voetwassing, door Christus aan Zijne discipelen verricht, ene betekenis, die zij niet dan later hebben begrepen, toen Christus haar verklaarde als een voorbeeld van het bad der wedergeboorte, en de Geest van boven over hen was uitgestort.
3. Petrus' stellige weigering in weerwil hiervan, om zich door Christus de voeten te laten wassen, vers 8. Gij zult mijne voeten niet wassen in der eeuwigheid. Dat is de taal van een vast besluit. Nu was hier:
a. Een vertoon van nederigheid en bescheidenheid. Petrus scheen hierin een diepen eerbied te hebben voor zijn Meester, en heeft dien ongetwijfeld ook werkelijk gehad, zoals hij dien ook had in Lukas 5:8. Zo zal aan velen door een eigenwillige nederigheid hun loon ontgaan, Colossenzen 21:18, 23. Het is ene zelfverloochening, die Christus noch eist noch aanneemt, want, onder dien schijn van nederigheid was een werkelijk tegenstreven van den wil van den Heere Jezus verborgen. "Ik zal uwe voeten wassen", zegt Christus, "dat zult Gij niet", zegt Petrus, "dit betaamt U niet, " zich aldus voordoende als wijzer te zijn dan Christus. Het is geen nederigheid, maar ongeloof, om de aanbiedingen des Evangelies af te wijzen, alsof zij te kostelijk zijn om ons gedaan te kunnen worden, of te heerlijk om waar te kunnen wezen.
4. Christus' aandringen in Zijne aanbieding, en een goede reden, die Hij aan Petrus geeft, waarom hij haar moet aannemen. Indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij. Dit kan genomen worden:
a. Als een strenge waarschuwing tegen ongehoorzaamheid. Indien Ik u niet was, indien gij blijft weerstreven, en u niet wilt onderwerpen aan den wil uws Meesters in zo klein ene zaak, dan zult gij niet als een van Mijne discipelen erkend worden, maar terecht uitgebannen worden en ontzet uit uw ambt, omdat gij Mijne bevelen niet opvolgt." Aldus is het door verscheidene kerkvaders opgevat, indien Petrus wijzer wil zijn dan zijn Meester, de bevelen gaat betwisten, die hij behoort te gehoorzamen, dan zegt hij Hem hiermede zijne trouw en gehoorzaamheid op, en zegt, zoals Israël vanouds gezegd heeft: Wat deel hebben wij aan David?" "Wat deel heb ik aan den Zone David's?, En zo zal dan ook zijn oordeel wezen, hij zal geen deel met Hem hebben. Laat hem niet beleefder of nederiger zijn dan goed voor hem is, want gehoorzamen is beter dan offerande, 1 Samuël 15:22. Of:
b. Als ene verklaring van de noodzakelijkheid der geestelijke wassing, en aldus geloof ik, dat het verstaan moet worden: "Indien Ik uwe ziel niet was van de verontreiniging der zonde, gij hebt geen deel met Mij, gene gemeenschap met Mij, gene nuttigheid of voordeel van Mij." Allen, die geestelijk door Christus gewassen zijn-maar dezen alleen-hebben deel met Christus. Deel te hebben aan Christus, of met Christus, daarin is al de zaligheid van den Christen gelegen, het is Christus deelachtig te zijn, Hebreeën 3:14, het is te delen in die onwaardeerbare voorrechten, welke voortvloeien uit ene vereniging met Hem en betrekking tot Hem. Het is het goede deel te hebben, hetwelk het ene nodige is. Om deel te hebben met Christus, is het noodzakelijk dat Hij ons wast. Allen, die Christus erkent en behoudt, rechtvaardigt en heiligt Hij, en die beide zaken zijn opgesloten in Zijn wassen van hen. Wij kunnen niet delen in Zijne heerlijkheid, indien wij niet delen in Zijne verdienste en gerechtigheid, niet delen in Zijn Geest en genade.
5. De meer dan onderwerping, het ernstig verzoek van Petrus, om door Christus gewassen te worden, vers 9. Indien dit de betekenis er van is, Heere! zo was niet alleen mijne voeten, maar ook de handen en het hoofd". Hoe spoedig is Petrus van denkwijze veranderd! Toen de dwaling van zijn verstand opgehelderd was, was ook het verdorven besluit van zijn wil spoedig veranderd. Laat ons dus niet zo beslist en bepaald zijn in enigerlei besluit (behalve in ons besluit om Christus te volgen), want wij kunnen spoedig oorzaak zien om het te herroepen, maar voorzichtig zijn in het opvatten van een voornemen, waar wij bij willen blijven. Merk op:
a. Hoe bereid Petrus is om terug te komen van hetgeen hij gezegd had. "Heere! welk een dwaas ben ik geweest om zulk een haastig woord te spreken!" Nu zijne wassing hem blijkt ene daad van Christus' macht en genade te zijn, laat hij haar toe, slechts als ene daad van vernedering heeft zij hem mishaagd. Als Godvruchtige mensen hun dwaling inzien, dan zijn zij er niet afkerig van haar te herroepen. Vroeg of laat zal Christus allen Zijn gevoelen doen omhelzen.
b. Hoe dringend hij de reinigende genade van den Heere Jezus begeert, en den algemenen invloed er van, zelfs op zijne handen en zijn hoofd. Ene scheiding van Christus, en er van uitgesloten te zijn om deel met Hem te hebben, is het ontzettendste kwaad in de ogen van allen, die verlicht zijn, uit vrees daarvoor kunnen zij tot alles worden bewogen. En uit vrees daarvoor behoren wij vurig te zijn in ons gebed tot God, dat Hij ons wasse, ons rechtvaardige en heilige. "Heere, maak mij voor U geschikt door het bad der wedergeboorte, opdat ik van U niet worde afgesneden! Heere, was niet slechts mijne voeten van de grove onreinheid, die er aan kleeft, maar ook mijne handen en mijn hoofd, van de vlekken, die er op gekomen zijn, en het onbemerkte vuil, dat van binnen uit het lichaam zelf voortkomt". Zij, die waarlijk begeren geheiligd te worden, begeren gans en al geheiligd te worden, dat de gehele mens met al zijne delen en vermogens gereinigd worde. 1 Thessalonicenzen 5:23.
6. Christus' nadere verklaring van dat teken, zoals het de geestelijke wassing voorstelt.
a. In betrekking tot Zijne discipelen, die Hem getrouw waren, vers 10:Die gewassen is over het gehele lichaam in het bad (zoals dikwijls in die landen geschiedde) heeft -als hij naar zijn huis terugkeert-niet van node dan de voeten te wassen, daar zijne handen en zijn hoofd gewassen zijn, en hij onderweg slechts zijne voeten weer bezoedeld heeft. Petrus was van het ene uiterste overgegaan tot het andere. In het eerst wilde hij Christus zijne voeten niet laten wassen, en nu ziet hij voorbij wat Christus voor hem gedaan heeft in den doop, en wat hierdoor werd aangeduid, en hij roept, dat hij ook zijne handen en zijn hoofd gewassen wil hebben. Nu leidt Christus hem in tot de betekenis, zijne voeten moeten gewassen worden, niet zijne handen en zijn hoofd. Zie hier de vertroosting en het voorrecht van hen, die gerechtvaardigd zijn, zij zijn gewassen door Christus, zij zijn geheel rein, dat is: zij zijn genadiglijk door God aangenomen, alsof zij dit waren, en hoewel zij zondigen, behoeven zij, op hun berouw en bekering, niet opnieuw gerechtvaardigd te worden, want dan zouden zij dikwijls gedoopt worden, Het blij k of bewijs van den gerechtvaardigden staat kan omfloerst wezen, en de vertroostingen er van voor een tijd hebben opgehouden, terwijl toch de handvest of waarborg er van niet vernietigd is. Hoewel wij reden hebben tot dagelijkse bekering en verootmoediging, zijn toch Gods genadegiften en roeping onberouwelijk. Het hart kan met bezemen gekeerd en versierd zijn en toch des duivels paleis blijven, maar, als het gewassen is, dan behoort het Christus toe, en Hij zal het niet verliezen. Zie wat de dagelijkse zorg behoort te wezen van hen, die door genade in den gerechtvaardigden staat zijn, namelijk hun voeten te wassen, zich te reinigen van de schuld, die zij dagelijks aangaan uit zwakheid en onbedachtzaamheid, door de verníeuwing hunner bekering met een gelovige toepassing van de kracht van Christus' bloed. Wij moeten ook onze voeten wassen door een voortdurende waakzaamheid tegen al hetgeen verontreinigt, en wij moeten ons pad zuiver houden en onze voeten reinigen door acht te geven op Zijn woord, Psalm 119:9. Als de priesters geheiligd werden, werden zij met water gewassen, en hoewel zij dan later niet weer zulk een algehele wassing behoefden, moesten zij toch, op straffe des doods, telkenmale als zij ingingen om te dienen, zich aan het koperen wasvat de handen en de voeten wassen, Exodus 30:19, 20. De voorziening, die gemaakt is voor onze reiniging, moet ons niet vermetel of overmoedig maken, maar ons met des te meer omzichtigheid doen wandelen. Ik heb mijne voeten gewassen, hoe zal ik ze dan nu verontreinigen? Uit de vergiffenis, die wij gisteren hebben erlangd, behoren wij een argument af te leiden tegen de verzoeking van heden.
b. In betrekking tot Judas. Gijlieden zijt rein, doch niet allen, vers 10, 11. Hij verklaart Zijne discipelen rein, rein om het woord, dat Hij tot hen gesproken heeft, Hoofdstuk 15:3. Hij zelf heeft hen gewassen, en zei toen: Gij zijt rein, maar Hij zondert Judas hiervan uit, niet allen. Zij waren allen gedoopt, zelfs Judas, maar niet allen rein, velen hebben het teken, maar niet de zaak, die er door betekend wordt. Zelfs onder hen, die discipelen van Christus genoemd worden en die belijden tot Hem in betrekking te staan, zijn er sommigen, die niet rein zijn, Spreuken 30:12. De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, en die het niet zijn, 2 Timotheus 2:19. Het oog van Christus kan het kostelijke van het snode onderscheiden, het reine van het onreine. Als zij, die zich discipelen hebben genoemd, later verraders blijken te zijn, dan is hun afval het bewijs, dat zij van den beginne af geveinsden zijn geweest. Christus acht het nodig om Zijne discipelen te doen weten, dat zij niet allen rein zijn, opdat wij allen nauwlettend op ons zelven toezien. (Ben ik het, Heere? Ben ik onder de reinen, zonder rein te zijn?) en opdat, als de geveinsden ontdekt worden, dit gene verrassing of struikelblok voor ons zijn zal.
IV. Christus heeft de voeten Zijner discipelen gewassen om ons een voorbeeld te geven. Deze uitlegging er van heeft Hij gegeven, toen Hij het gedaan had, vers 12-17. Merk op:
1. Hoe plechtig Hij de betekenis aanduidde van hetgeen Hij gedaan had, vers 12. Als Hij dan hun voeten gewassen had.. zei Hij tot hen: Verstaat gij wat Ik ulieden gedaan heb?
a. Hij wachtte met de verklaring er van te geven, totdat Hij de handeling volbracht had. Om hun onderworpenheid en onbepaalde gehoorzaamheid op de proef stellen. Wat Hij deed moesten zij niet dan later weten, opdat zij zouden leren te berusten in Zijn wil, als zij er zich de redenen niet van konden verklaren. Omdat het voegzaam was het raadsel te eindigen voordat Hij het gin g ontraadselen. Evenzo heeft Hij, toen geheel Zijne onderneming volbracht was, toen Zijn lijden geëindigd was, en Hij de klederen van Zijn verhoogden staat had genomen, en gereed was wederom aan te zitten, het verstand Zijner discipelen geopend, en Zijn Geest over hen uitgestort, Lukas 24:45, 46. b. Eer Hij het hun verklaarde, vroeg Hij of zij het verstonden: Verstaat gij wat Ik ulieden gedaan heb? Hij doet hun deze vraag, niet alleen om hun hun onwetendheid te doen beseffen en hun behoefte aan onderricht (zoals in Zacheria 4:5, 13. Weet gij niet wat deze dingen zijn? En ik zei: Neen, mijn Heere! maar ook om de begeerte naar onderricht bij hen op te wekken en hen dit te doen verwachten: "Ik wil dat gij dit weet, en indien gij wilt opletten, zal Ik het u zeggen." Het is de wil van Christus, dat de tekenen der sacramenten verklaard zullen worden, en dat Zijn volk met de betekenis er van bekend gemaakt zal worden, want anders zullen zij, hoe gewichtig ook en vol van betekenis, voor hen die de zaak, welke er door aangeduid wordt, niet kennen, zonder betekenis zijn. Daarom wordt hun voorgeschreven te vragen: Wat hebt gij daar voor een dienst? Exodus 12:26.
2. Waar Hij hetgeen Hij te zeggen had op grondde, vers 13. Gij heet Mij Meester en Heere, gij geeft Mij deze titels in het spreken van Mij en tot Mij, en gij zegt wèl, want Ik ben het." Gij staat tot Mij in de betrekking van scholieren, en Ik doe den dienst van leermeester bij u." Jezus Christus is onze Meester en Heere, Hij, die onze Verlosser en Zaligmaker is, is daarom ook onze Heere en Meester. Hij is onze Meester, didaskados -onze Onderwijzer en Leermeester in alle nodige waarheden en regelen, als een profeet ons den wil Gods openbarende. Hij is onze Heere, kurios onze Bestuurder en Eigenaar, die macht over, en bezit van, ons heeft. Het voegt den discipelen van Christus Hem Meester en Heere te noemen, niet als een ijdele plichtpleging, maar in ernst en wezenlijkheid, niet uit dwang, maar uit zielsvermaak.
c. Als wij Christus Meester en Heere noemen, dan legt ons dit de verplichting op om Zijn onderricht te ontvangen en aan te nemen. Christus wilde aldus reeds vooraf hun gehoorzaamheid eisen aan een gebod, dat aan vlees en bloed mishaagt. Indien Christus onze Meester en Heere is, dit is door ons eigen goedvinden, met onze eigen instemming- en wij hebben Hem dikwijls aldus genoemd-dan zijn wij eershalve en eerlijkheidshalve gehouden acht op Hem te slaan, Hem te gehoorzamen.
3. De les, die Hij hiermede heeft geleerd: Zo zijt gij ook schuldig elkanders voeten te wassen.
a. Sommigen hebben dit in letterlijken zin opgenomen, en hebben gedacht, dat er een blijvende inzetting in de kerk mede bedoeld was, dat de Christenen dus op een plechtige, Godsdienstige wijze elkanders voeten moesten wassen ten teken van hun neerbuigende liefde voor elkaar. Ambrosius heeft dit alzo opgevat en te Milaan beoefend. Augustinus zegt, dat de Christenen, die het niet deden met hun handen, het (naar hij hoopte) deden met hun hart, in nederigheid, "maar," zegt hij, "het is veel beter om het ook met de handen te doen, als de gelegenheid er zich toe aanbiedt, zoals 1 Timotheus 5:10. Wat Christus gedaan heeft, moet geen Christen versmaden te doen. Calvijn zegt, dat de paus bij de jaarlijkse verrichting dezer plechtigheid op Witten Donderdag meer Christus' aap, dan Christus' volgeling is, want de opgelegde plicht door Christus is wederkerig. "Gij zijt schuldig elkanders voeten te wassen." En Jansenius zegt: Het wordt frigide et dissimiliter gedaan-koel en niet naar het oorspronkelijke voorbeeld.
b. Maar het moet ongetwijfeld in overdrachtelijken zin opgevat worden, het is een leerrijk teken, maar niet sacramenteel zoals het heilig Avondmaal. Het was ene gelijkenis voor het oog, en onze Meester heeft bedoeld er ons drie dingen in te leren: Een nederige inschikkelijkheid of gedienstigheid. Wij moeten van onzen Meester leren nederig van hart te zijn, Mattheus 11:29, en in ootmoed te wandelen. Wij moeten gering denken over ons zelven, en met achting en eerbied denken van onze broederen, niets beneden ons achten dan de zonde. Van hetgeen gering schijnt te zijn, maar strekken kan tot verheerlijking van God en tot welzijn van onze broederen, moeten wij met David zeggen: "indien dit gering is, dan zal ik mij nog geringer houden dan alzo," 2 Samuël 6:22. Christus heeft Zijnen discipelen dikwijls nederigheid geleerd, en zij hadden de les vergeten, maar nu leert Hij het hun op zulk ene wijze, dat zij het gewis nooit meer kunnen vergeten. Dienstvaardigheid. Elkanders voeten te wassen is zich neer te buigen tot den geringsten, laagsten dienst der liefde, tot wezenlijk welzijn van elkaar, zoals Paulus, die, hoewel vrij van allen, zich tot aller dienstknecht maakte, en zoals Jezus, die niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Wij moeten het niet te veel vinden zorg en moeite te hebben, tijd te besteden, ons zelven te verkleinen tot welzijn van hen, aan wie wij geen bijzondere verplichting hebben, zelfs voor onze minderen, en dezulken, die niet instaat of bij machte zijn ons wedervergelding te doen. De voeten te wassen na een reize strekt zowel voor de voegzaamheid van den persoon, als tot zijne behaaglijkheid en genoegen, zodat elkanders voeten te wassen is een te rade gaan met elkanders eer en welzijn, te doen wat wij kunnen om elkanders eer op te houden en elkanders gezondheid te bevorderen. Zie
1 Corinthiërs 10:24, Hebreeën 6:10. De plicht is wederzijds, wij moeten hulp van onze broederen aannemen, en hun hulpe bieden. Ene dienstvaardigheid tot elkanders heiliging: Gij zijt schuldig elkanders voeten te wassen van de verontreiniging der zonde. Augustinus en vele anderen nemen het in dien zin. Wij kunnen voor elkanders zonden niet voldoen, dit kan alleen Christus, maar wij kunnen helpen om elkaar van zonde te reinigen. Wij moeten in de eerste plaats ons zelven wassen, dezen liefdedienst moeten wij bij ons zelven beginnen, Mattheus 7:5, maar hij moet daar niet eindigen, wij moeten treuren om de tekortkomingen en dwaasheden onzer broederen, en nog veel meer om hun ergerlijke verontreinigingen, 1 Corinthiërs 5:2, wij moeten de verontreinigde voeten onzer broederen wassen in onze tranen. Wij moeten hen getrouwelijk bestraffen, en doen wat wij kunnen om hen tot bekering te brengen, Galaten 6:1, en wij moeten hen vermanen en waarschuwen om te voorkomen, dat zij in modderig slijk vallen, dat is hun voeten te wassen.
4. Wij hebben hier de bekrachtiging van dit gebod in het voorbeeld van hetgeen Christus nu gedaan heeft: "Indien Ik, uw Heere en Meester, dit aan ulieden gedaan heb, dan behoort gij het elkaar te doen". Hij toont het klemmende van dit argument in twee dingen: -
a. Ik ben uw Meester, en gij zijt Mijne discipelen, en dus behoort gij van Mij te leren, vers 15, want hierin, evenals in andere dingen, heb Ik u een voorbeeld gegeven, opdat gij doet aan anderen wat Ik u gedaan heb. Merk op: Welk een goed leermeester Christus is. Hij onderwijst door voorbeeld zowel als door leerstelling en Hij is in de wereld gekomen en heeft onder ons gewoond, om ons een voorbeeld te geven van al de genadegaven en plichten, die Zijn heilige godsdienst leert, en het is een volmaakt voorbeeld, er is geen enkele vlek of gebrek in. Hierdoor heeft Hij Zijn eigen wetten begrijpelijker voor ons gemaakt. Christus is een bevelhebber als Gideon, die tot zijne krijgslieden zei: Ziet naar mij, en doet alzo, Richteren 7:17, als Abimelech, die zei: Wat gij mij hebt zien doen, haast u, doet als ik, Richteren 9:48, en gelijk Caesar, die zijne krijgslieden niet milites - krijgsknechten, noemde, maar commilitones - mede-krijgsknechten, en wiens gewone woord niet was Ite illuc, maar Venite huc, niet: Gaat, maar: Komt. Welke goede leerlingen wij behoren te zijn. Wij moeten doen wat Hij gedaan heeft, want daarom heeft Hij ons een voorbeeld gegeven, om het na te schrijven, opdat wij in de wereld zijn, zoals Hij in deze wereld geweest is, 1 Johannes 4:17, en wandelen, zoals Hij gewandeld heeft, 1 Johannes 2:6. Christus' voorbeeld hierin moet inzonderheid gevolgd worden door Evangeliedienaren, in wie de genade van nederigheid en heilige liefde zeer bijzonder moet uitblinken, en door de beoefening daarvan kunnen zij de belangen huns Meesters en het doel hunner eigen bediening krachtdadiglijk bevorderen. Toen Christus Zijne apostelen uitzond, was het met dezen last: dat zij geen hogen staat zouden voeren, zich niet trotselijk zouden aanstellen, maar allen alles zouden worden, 1 Corinthiërs 9:22. Wat Ik aan uw vuile voeten gedaan heb, doet gijlieden het aan de verontreinigde zielen der mensen, wast ze. Sommigen, die denken, dat dit aan het avondmaal op het pascha geschied is, menen, dat hiermede als regel wordt voorgeschreven om toe te zien dat zij, die tot het heilig Avondmaal worden toegelaten, gewassen en gereinigd zijn door ene verbetering van leven en een onberispelijken wandel, en hen dan rondom Gods altaar te laten gaan. Maar tevens wordt hier aan alle Christenen geleerd om zich in liefde tot elkaar neer te buigen, en het te doen zoals Christus het gedaan heeft, ongevraagd, zonder betaling, wij moeten niet inhalig zijn in den dienst der liefde, en hem ook niet met weerzin doen.
b. Ik ben uw Meester, en daarom kunt gij het niet beneden u achten datgene te doen, hoe gering het u ook toeschijne, wat gij Mij hebt zien doen, want, vers 16, een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant al wordt hij ook met al de pracht en praal van een gezant uitgezonden- meerder dan die hem gezonden heeft. - Christus heeft dit aangevoerd als een reden, Mattheus 24:25, waarom zij het niet vreemd moesten achten, als zij zouden lijden zoals Hij leed, hier voert Hij het aan als een reden, waarom zij het niet als iets bijzonders moesten aanzien, als zij zich vernederden, zoals Hij zich vernederd heeft. Wat Hij gene verkleining vond voor zich zelven, moeten zij gene verkleining achten voor zich. Misschien heeft dit gebod van elkanders voeten te wassen de discipelen innerlijk gehinderd, als onbestaanbaar met de waardigheid, waartoe zij eerlang dachten bevorderd te worden. Om zulke gedachten te voorkomen, herinnert Christus hen aan hun plaats als Zijne dienstknechten, zij waren niet groter of aanzienlijker dan hun Meester, en wat bestaanbaar was met Zijne waardigheid, was nog veel meer bestaanbaar met de hun. Indien Hij nederig en gedienstig was, dan betaamde het hun niet om hoogmoedig en aanmatigend te zijn. Wij moeten wèl acht geven op ons zelven opdat Christus' neerbuigendheid tot ons en bevordering van ons, door de verdorvenheid onzer natuur ons er niet toe brenge hoge gedachten te koesteren van ons zelven, of lage gedachten van Hem. Wij hebben het nodig er aan herinnerd te worden, dat wij niet meerder zijn dan onze Heere. Tot al hetgeen, waartoe onze Meester zich wel heeft willen neerbuigen ten gunste van ons, moeten wij nog zoveel te meer bereid zijn ons neer te buigen in gelijkvormigheid met Hem. Christus heeft door zich te vernederen de nederigheid verwaardigd en geëerd, en Zijnen volgelingen de verplichting opgelegd om niets beneden zich te achten dan de zonde. Als wij onzen Meester zien dienen, dan moeten wij wel zien, hoe weinig het ons betaamt te willen heersen.
5. Onze Heiland besluit dit deel Zijner rede met een wenk omtrent de noodzakelijkheid hunner gehoorzaamheid aan deze instructies.
Indien gij deze dingen weet, of daar gij nu deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij dezelve doet. De meeste mensen denken: zalig zijn zij, die zich verheffen en heersen. Elkanders voeten te wassen zal ons nooit bezittingen of bevordering aanbrengen, maar desniettemin zegt Christus: Zalig zij, die zich neerbuigen en gehoorzamen. Indien gij deze dingen weet. Dat kan verstaan worden als een twijfel aanduidende, of zij ze al of niet wisten. Zo sterk was hun waan omtrent een wereldlijk koninkrijk, dat het de vraag was of zij een denkbeeld konden opvatten van een plicht, die daar zozeer in strijd mede was. Of wel: men neemt aan, dat zij deze dingen wisten, en daar hun dan zo uitnemende voorschriften gegeven waren, aanbevolen door zo voortreffelijk een voorbeeld, zal het ter volmaking van hun zaligheid nodig zijn, dat zij ze in beoefening brengen. a. Dat is van toepassing op al de geboden van Christus in het algemeen. Hoewel het zeer nuttig is onzen plicht te kennen, zullen wij toch in zaligheid tekortkomen, als wij onzen plicht niet doen. Het weten is voor ons het doen, die kennis dus, welke niet in praktijk wordt gebracht, is ijdel en onvruchtbaar, ja, zij zal de zonde en het verderf verzwaren, Lukas 12:47, 48, Jakobus 4:17. Het is weten en doen, dat ons zal doen kennen als van Christus' koninkrijk te zijn, en als wijze bouwlieden te zijn, Psalm 103:17, 18.
b. Het is inzonderheid van toepassing op dit gebod van nederigheid en dienstvaardigheid. Niets wordt meer geweten, niets wordt meer geredelijk erkend, dan dat wij nederig moeten wezen, en daarom is het, dat wel velen erkennen zullen driftig en onmatig te zijn, maar weinigen erkennen zullen trots en hovaardig te wezen, want het is een onverschoonbare zonde, even hatelijk als elke andere. En toch! hoe weinig ware nederigheid wordt er gezien, hoe weinig van die wederkerige onderwerping en dienstvaardigheid, waar de wet van Christus zozeer op aandringt. De meesten weten die dingen zo wel, dat zij verwachten, dat anderen in overeenstemming er mede zullen handelen, zich aan hen zullen onderwerpen en hen zullen dienen, maar zij weten ze niet zo goed om ze zelven in beoefening te brengen.