Prediker 1:1-3
Hier is:
I. Een bericht nopens de schrijver van dit boek. Het was Salomo, want geen andere zoon van David was koning te Jeruzalem; maar hij verbergt zijn naam Salomo, vreedzaam, omdat hij door zijn zonde benauwdheid en beroering over zich gebracht had, over zich en zijn koninkrijk; hij had de vrede met God verbroken, en ook de vrede met zijn geweten, en daarom was hij die naam niet meer waardig. Noem mij niet Salomo, noem mij Marah, want zie voor vrede had ik grote bitterheid, maar hij noemt zich:
1. De prediker, hetgeen zijn tegenwoordige hoedanigheid aanduidt, "kohelet" dat afgeleid is van een woord, hetwelk vergaderen betekent. Het heeft een vrouwelijke uitgang, waarmee Salomo misschien bedoelde zichzelf te bestraffen om zijn verwijfdheid, die meer dan iets anders heeft bijgedragen tot zijn afval, want het was om zijn vrouwen te believen, dat hij afgoden heeft opgericht, Nehemia 13:26. Ofwel het woord Ziel moet er onder verstaan worden, en dan is koheleth:
A. Een boetvaardige ziel, of één die vergaderd is, die afgedwaald was als een verloren schaap, maar nu van zijn dwaalweg teruggebracht was, wedergekeerd is tot zijn plicht, ten slotte tot zichzelf is gekomen; de geest, die duizend ijdelheden heeft nagejaagd, is nu teruggekomen en heeft zijn middelpunt gevonden in God. Gods genade kan van grote zondaren grote bekeerlingen maken, en zelfs hen vernieuwen tot bekering, die de weg van de gerechtigheid gekend hebben, maar ervan afgeweken zijn, en hun afkeringen genezen, hoewel het een moeilijk geval is. Het is alleen de berouwhebbende, boetvaardige ziel, die door God aangenomen zal worden, het hart, dat verbroken is, niet het hoofd, dat gelijk een bies slechts voor een dag is neergebogen; Davids, niet Achabs berouw. En het is alleen de vergaderde de weergebrachte ziel, die de boetvaardige ziel is, die terugkomt van haar bijpaden, en haar wegen niet langer verstrooit tot de vreemden, Jeremia 3:13, maar verenigd is om Gods naam te vrezen. Uit de overvloed des harten zal de mond spreken, en daarom hebben wij hier de woorden van de boetvaardige, en deze zijn openbaar gemaakt. Indien uitnemende belijders van de godsdienst in grove zonden vallen, dan betaamt het hun om, tot eer van God en om het kwaad te herstellen, dat zij aan het koninkrijk Gods gedaan hebben, openlijk hun berouw uit te spreken, opdat het tegengif even ruim en overvloedig worde toegediend als het vergif toegediend was.
B. Een predikende ziel, of één, die vergadert. Zelf vergaderd of teruggebracht zijnde tot de vergadering van de heiligen, waarvan hij zich door zijn zonde had uitgeworpen, en verzoend zijnde met de kerk, poogde hij er ook anderen toe te vergaderen, die evenals hij afgedwaald waren, en wellicht door zijn voorbeeld op de dwaalweg gekomen zijn. Hij, die iets gedaan heeft om zijn broeder te verleiden, behoort alles te doen wat hij kan, om hem weer te brengen. Misschien heeft Salomo de vergadering zijns volks bijeengeroepen, zoals hij gedaan had bij de inwijding van de tempel, 1 Koningen 8:2, en nu voor de hernieuwde toewijding van zichzelf aan God. In die vergadering ging hij voor als de mond van het volk in het gebed tot God, vers 12, in deze als Gods mond tot hen in zijn prediking. God heeft hem door Zijn Geest tot een prediker gemaakt, ten teken dat Hij met hem verzoend was; in een opdracht van God ligt Zijn vergeving opgesloten. Christus heeft Zijn vergeven van Petrus genoegzaam aangetoond door hem het hoeden van Zijn schapen en lammeren op te dragen. Merk op: boetelingen behoren predikers te wezen, zij, die zelf de vermaning hebben opgevolgd om zich te bekeren en te leven, moeten anderen vermanen om niet voort te gaan op de weg van de zonde en te sterven. Als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders. Predikers moeten predikende zielen zijn, want alleen datgene zal doordringen tot het hart, hetwelk uit het hart komt. Paulus diende God in zijn geest in het Evangelie van Zijn Zoon, Romeinen 1:9.
2. De zoon van David. Dat hij deze titel aanneemt, geeft te kennen,
a. dat hij het als een grote eer beschouwde, om de zoon te zijn van zo godvruchtig een man, en er zich zeer op liet voorstaan.
b. Dat hij het ook beschouwde als een grote verzwaring van zijn zonde, dat hij zulk een vader gehad heeft, die hem een goede opvoeding heeft gegeven, en vele kostelijke gebeden voor hem heeft opgezonden. Het is hem een diepe smart te denken, dat hij een schandvlek zou werpen op de naam en het geslacht van een man, als David geweest is. Het verzwaarde de zonde van Jojakim, dat hij de zoon was van Josia, Jeremia 22:15-17.
c. Dat het hem aanmoedigde tot bekering en om te hopen op genade, dat hij de zoon van David was, want David was in zonde gevallen, waardoor hij gewaarschuwd had moeten worden tegen de zonde, maar hij heeft er zich niet door laten waarschuwen. Maar David had berouw, en daarin heeft hij een voorbeeld aan hem genomen, en zo heeft hij, evenals David, genade gevonden. Maar dit was niet alles: hij was die zoon van David, van wie God gezegd had, dat Hij hem voor zijn overtreding wel met de roede bezoeken zal, maar Zijn verbond met hem niet zal verbreken. Zie Psalm 89:33-35. Christus, de grote Prediker, was de Zoon van David.
3. Koning te Jeruzalem. Dit vermeldt hij:
a. Als een zeer grote verzwaring van zijn zonde: hij was een koning. God had veel voor hem gedaan door hem te verhogen op de troon en dit had hij Hem zeer slecht vergolden. Zijn waardigheid maakte het slechte voorbeeld dat hij gaf en de invloed van zijn zonde nog zoveel te meer gevaarlijk; velen zullen hem volgen op zijn verderfelijke wegen, inzonderheid omdat hij koning was te Jeruzalem, de heilige stad, waar Gods tempel was, die hij nog wel zelf had gebouwd, waar de priesters des Heeren dienden, en waar Zijn profeten waren, die hem betere dingen geleerd hadden.
b. Als hetgeen enig voordeel kon geven aan hetgeen hij schreef, want waar het woord van een koning is, daar is heerschappij. Hij achtte het geen verkleining voor hem als koning om een prediker te zijn, maar het volk zal te meer acht op hem slaan als prediker omdat hij een koning is. Als mannen van eer en aanzien zich te koste wilden geven om goed te doen, hoe ontzaglijk veel goed zouden zij kunnen doen! Salomo had een even groot aanzien op de kansel, predikende de ijdelheid de wereld, als op zijn ivoren troon, recht sprekende.
De Chaldeeuwse paraphrast, (die in dit boek vele bijvoegselen geeft tot de tekst, of er verklaringen van geeft) deelt ons het volgende mee over Salomo's schrijven van dit boek: Dat hij door de geest van de profetie de afval voorzien heeft van de tien stammen van zijn zoon, en in verloop van tijd de verwoesting van Jeruzalem en van het huis des heiligdoms en de gevangenschap des volks. In het vooruitzicht daarvan riep hij: ijdelheid van de ijdelheden, het is al ijdelheid, en daarop past hij vele passages toe van dit boek. II. Het algemene doel en de strekking van dat boek. Wat is het, dat de koninklijke prediker heeft te zeggen? Wat hij op het oog heeft is ons waarlijk godsdienstig te maken onze waardering en verwachting van de dingen van deze wereld te verminderen. Te dien einde toont hij aan:
1. Dat zij allen ijdelheid zijn, vers 2. Dit is de stelling, die hij op zich neemt te bewijzen: IJdelheid van de ijdelheden, het is al ijdelheid. Het was geen nieuwe tekst; zijn vader had meer dan eens in dezelfde zin gesproken. De waarheid, die hier uitgesproken wordt is: dat alles ijdelheid is, alles behalve, of buiten, God, en beschouwd als afgezonderd van Hem, het al van deze wereld, alle wereldlijke bezigheden en genietingen, het al, dat in de wereld is, 1 Johannes 2:16, alles wat aangenaam is aan onze zinnen en onze verbeelding streelt in deze tegenwoordige staat, genoegen verschaft aan onszelf of ons roem bezorgt bij anderen. Het is al ijdelheid, niet alleen in het misbruik ervan wanneer het door de zonde des mensen wordt verdorven, maar ook in het gebruik ervan. De mens, beschouwd in betrekking tot deze dingen, is ijdelheid, Psalm 39:6, 7, en als er na dit leven geen ander leven was, hij zou tevergeefs geschapen zijn, Psalm 89:48, en die dingen, beschouwd in betrekking tot de mens zijn wat zij in zichzelf ook mogen wezen ijdelheid. Zij passen niet voor de ziel, zijn er vreemd aan, voegen er niets aan toe, zij beantwoorden niet aan het doel, geven geen ware voldoening; zij zijn onzeker in hun duur, verwelken, vergaan, gaan voorbij, en zullen gewis hen misleiden en teleurstellen, die er op vertrouwen. Zo laat ons dan de ijdelheid niet beminnen, Psalm 4:3, noch onze ziel tot ijdelheid opheffen, Psalm 24:4, want wij zouden ons slechts tevergeefs vermoeien, Habakuk 2:13.
Het wordt hier met grote nadruk uitgesproken niet alleen, dat alles ijdel is, maar in het afgetrokkene, alles is ijdelheid, alsof ijdelheid de "proprium quarto modo" de eigenschap in de vierde wijze was, van de dingen van deze wereld, hetgeen tot de natuur ervan ingaat. Zij zijn niet slechts ijdelheid, maar ijdelheid van de ijdelheden, de ijdelste ijdelheid, ijdelheid in de hoogste mate, niets dan ijdelheid, een ijdelheid, die de oorzaak is van zeer veel ijdelheid. En dit wordt verdubbeld, omdat de zaak zeker is en buiten allen twijfel, het is ijdelheid van de ijdelheden. Dit geeft te kennen dat het hart van de wijzen man volkomen overtuigd was van de waarheid, en er diep door was getroffen, maar dat hij bevond, dat de mensen over het algemeen er zeer afkerig van waren, om het te geloven en ter harte te nemen, Job 33:14. Het geeft ook te kennen dat wij de ijdelheid van deze wereld noch begrijpen, noch onder woorden kunnen brengen. Maar wie is het, die aldus minachtend spreekt van de wereld? Is het iemand, die blijven zal bij hetgeen hij zegt? Ja, hij onderschrijft het met zijn naam: zegt de prediker. Is het iemand, die bevoegd is om er over te oordelen? Ja, even bevoegd als ooit iemand geweest is. Velen spreken met minachting van de wereld, omdat zij kluizenaars zijn en de wereld niet kennen, of bedelaars en er niets van bezitten; maar Salomo kende haar, hij was doorgedrongen tot de diepten van de natuur 1 Koningen 4:33, en hij bezat er meer van misschien dan ooit iemand er van bezeten heeft, zijn hoofd was vol van haar denkbeelden) en zijn buik was vervuld met haar verborgen schatten, Psalm 17:14, en hij spreekt dit oordeel er over uit. Maar spreekt hij als gezaghebbende? Ja, hij spreekt niet slechts als koning, maar als profeet als prediker. Hij sprak in de naam van God en werd gedreven door Gods Geest om het te spreken. Maar heeft hij het niet gezegd in zijn haasten, of in drift, bij gelegenheid van een bijzondere teleurstelling? Neen, hij zei het na rijp beraad, zei het, en bewees het, stelde het vast als een grondbeginsel, waarop hij de noodzakelijkheid grondde om godsdienstig te zijn. En sommigen denken dat het zijn voornaamste doel was aan te tonen, dat de eeuwige troon en het eeuwige koninkrijk, dat God door Nathan aan David had beloofd, van een andere wereld moeten zijn, want alle dingen in deze wereld zijn van de ijdelheid onderworpen, en daarom zijn zij ongenoegzaam om ten volle aan deze belofte te beantwoorden. Indien Salomo bevindt dat alles ijdelheid is, dan moet het koninkrijk komen van de Messias, waarin wij het wezen zullen beërven.
2. Dat zij ongenoegzaam zijn, om ons gelukkig te maken. En hiervoor beroept hij zich op van de mensen geweten. Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid? vers 3.
Merk hier op
A. Hoe de bezigheid van deze wereld beschreven wordt: Het is arbeid; het woord heeft de betekenis beide van zorg en van zwoegen, het is werk, dat de mensen vermoeit, er is een bestendige vermoeienis in wereldlijke bezigheid; het is arbeid onder de zon. Dit is een uitdrukking, die bijzonder aan dit boek eigen is, waarin zij acht en twintig maal voorkomt. Er is een wereld boven de zijn, een wereld, die de zijn niet nodig heeft, want de heerlijkheid Gods is haar licht, en daar is werk zonder vermoeienis zonder arbeid, en dat veel voordeel oplevert, het is het werk van de engelen. Maar hij spreekt van het werk onder de zon, waarvan de moeite groot en het voordeel, het gewin klein is. Het is onder de zon, onder de invloed van de zon, bij haar licht en in haar hitte; gelijk wij het voordeel hebben van het licht des daags, zo hebben wij ook de last en de hitte des daags, Mattheus 20:12, en daarom eten wij ons brood in het zweet van ons aanschijn; in het donkere koude graf zijn de vermoeiden ter ruste.
B. Dat naar het voordeel van die bezigheid gevraagd wordt. Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid? Salomo zegt: In allen arbeid is overschot, Spreuken 14:23, en toch ontkent hij hier dat er enig voordeel van is. Ten opzichte van onze tegenwoordige toestand in de wereld, is het waar dat wij door arbeid datgene verkrijgen, hetwelk wij voordeel of gewin noemen, wij eten de arbeid van onze handen, maar gelijk de rijkdom van de wereld gewoonlijk goed genoemd wordt, en toch is hetgeen niets is, Spreuken 23:5, zo wordt het ook voordeel genoemd, maar de vraag is of het dit werkelijk is, of niet? En hier beslist hij dat het zulks niet is, dat het geen wezenlijk, geen blijvend voordeel is. Kortom: de rijkdom en het genot van deze wereld zijn, al hadden wij er ook nog zoveel van, niet voldoende om ons gelukkig te maken, ook zullen zij geen erfdeel voor ons zijn.
a. Ten opzichte van het lichaam en het tegenwoordige leven: Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid? Het is niet in de overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen Lukas 12:15. Als het goed vermenigvuldigt, dan vermenigvuldigt ook de zorg er voor, en dan vermenigvuldigen ook die het eten, en iets zeer gerings kan al het genot ervan verbitteren en wat voordeel heeft de mens dan van al zijn arbeid? Ten opzichte van de ziel en het toekomende leven kunnen wij met nog veel meer recht zeggen: Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid? Met alles wat hij er bij wint kan hij de behoeften van zijn ziel niet bevredigen noch aan haar begeerten voldoen het zal de zonde van de ziel niet verzoenen, noch haar krankheden genezen, noch opwegen tegen het verlies ervan, van welk nut zal het wezen voor de ziel in de dood, in het oordeel, in de eeuwigen staat? De vrucht van onze arbeid in hemelse dingen is spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, maar de vrucht van onze arbeid voor de wereld is slechts spijs, die vergaat.