1 Corinthiërs 4:7-13
Hier gebruikt de apostel den tevoren gegeven wenk als een middel tegen hoogmoed en zelfverheffing en stelt de verzoekingen in het licht, die de Corinthiërs hadden om hem te verachten, door het verschil van hun omstandigheden.
I. Hij waarschuwt hen tegen hoogmoed en zelfverheffing door de overweging, dat alle onderscheid tussen hen door God bewerkt was.
Want wie onderscheidt u? en wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? vers 7. Hier richt Paulus zich tot de dienaren, die zich zelven aan het hoofd der partijen plaatsten en slechts al te veel deden om de leden der gemeente in deze onenigheden aan te vuren. Waarop hadden zij zich te beroemen, indien al hun bijzondere gaven van God waren? Zij hadden ze ontvangen, en konden er zich niet op beroemen zonder God te verongelijken. Terwijl zij er op zagen om hun eigen ijdelheid te voeden, hadden ze moeten bedenken, dat die gaven even zoveel schulden en verplichtingen aan de goddelijke goedheid en genade waren. Het kan als vaste regel aangenomen worden: Wij hebben generlei reden om trots te zijn op onze bevoorrechtingen. gaven en werkzaamheden, al het goede, dat wij hebben, of zijn, of doen, hebben we te danken aan de vrije en rijke genade Gods. Pochen is voor altijd buitengesloten. Niets van hetgeen we hebben, kan werkelijk ons eigen genoemd worden, alles is van God ontvangen. Het is daarom dwaasheid in ons, en beledigend voor Hem, indien wij er op pochen, hij die alles ontvangen heeft, behoort op niets trots te zijn, Psalm 115:
1. Bedelaars en afhangelingen mogen roemen op den verleenden onderstand, maar zichzelf daarvoor te verheerlijken is trots zijn op geringheid, onmacht en behoefte. Diepe indruk van onze verplichtingen aan de goddelijke genade zal ons van aanmatiging en zelfverheffing genezen.
II. Hij scherpt hun de verplichting tot nederigheid in door zeer pijnlijke spotternij, ten minste hij bestraft hen ernstig over hun hoogmoed en zelfverheffing: Alrede zijt gij verzadigd, alrede zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerst. Gij hebt niet alleen voldoende maar een overvloed van geestelijke gaven, ja, gij kunt ze zelfs maken tot een oorzaak van eigen heerlijkheid, zonder ons: dat is in mijn afwezen en zonder dat ge aan mij behoefte gevoelt. Daar was een zeer geleidelijke opklimming van genoegzaam tot weelderig, en vandaar tot overvloedig, om aan te tonen hoezeer de Corinthiërs opgeblazen waren door den overvloed van hun wijsheid en geestelijke gaven, welke opgeblazenheid onder hen heerste terwijl de apostel afwezig was en veroorzaakte dat zij vergaten hoeveel belang hij in hen allen stelde. Merk op hoe hoogmoed geneigd is om de weldaden te hoog te schatten en den weldoener te vergeten, zich te verheffen op bezittingen en hem over het hoofd te zien van wie zij komen, ja hoogmoed is instaat zich door de weldaden ten hoogste te verheerlijken. Gij hebt geheerst, dat is naar uw eigen mening, maar och, of gij heerste, opdat ook wij met u heersen mochten. Ik wenste dat ge zoveel van de ware heerlijkheid des Christens had als ge u verbeeldt te hebben! Dan zou ik tot u komen en in uwe eer delen. Ik zou heersen met u, ik zou niet door u over `t hoofd gezien worden zoals nu het geval is, maar gewaardeerd en behandeld als een getrouw dienaar van Christus en een zeer nuttig werktuig onder u. Merk op: Gewoonlijk kennen zij zich zelven niet het best, die het best van zich- zelven denken. De Corinthiërs zouden geregeerd hebben, en de apostel met hen, indien ze niet zulk een ingebeelde koninklijkheid bezeten hadden. Hoogmoed is een grote hinderpaal voor onze verbetering. Hij kan niet wijzer of beter worden, die zichzelf voor aanzienlijk, niet alleen vol maar rijk, ja voor een koning houdt. III. Hij gaat er nu toe over om zijn eigen omstandigheden en die der andere apostelen te tekenen en met de hun te vergelijken.
1. Het lot der apostelen: Want ik acht dat God ons, die de laatste apostelen zijn, tentoon heeft gesteld als tot den dood verwezen. Want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en den engelen en den mensen. Paulus en zijn medeapostelen waren aan grote ontberingen blootgesteld. Nooit werd enig mens zo verjaagd en tegengestaan als zij. Zij droegen hun leven in hun hand: God heeft ons, die de laatste apostelen zijn, tentoongesteld als tot den dood verwezen, vers 9. Hier wordt gezinspeeld op enige van de bloedige voorstellingen in de Romeinse amfitheaters, waar mensen werden tentoongesteld om tegen wilde beesten te vechten, of door elkaar in stukken gesneden te worden, tot vermaak van de bevolking, waarbij de overwinnaar het leven niet afbracht, ofschoon hij zijn bestrijder overmocht had, want hij werd slechts bewaard voor een nieuwen strijd en moest eindelijk ook verscheurd of in stukken gesneden worden, zodat zulke ellendige misdadigers (want gewoonlijk waren het veroordeelden, die aldus tentoongesteld werden) naar waarheid konden genoemd worden personen tot den dood verwezen. Zij worden gezegd de laatsten te zijn, omdat de zwaardvechters, die elkaar in den namiddag te bestrijden hadden, het meest blootgesteld waren, want ze waren verplicht naakt te vechten, zodat Seneca zegt, Hoofdstuk 7, dat het een ware slachting was, en dat zij die des morgens aan de wilde beesten blootgesteld waren, betrekkelijk zeer genadig behandeld waren. De bedoeling is dat de apostelen voortdurend aan gevaren en dood blootgesteld waren, en dat wel op de vreeslijkste wijze. God had hen tentoongesteld, in het gezicht gebracht, zoals de Romeinse keizers hun zwaardvechters in de arena, den schouwburg, brachten, maar niet met hetzelfde doel. Zij deden het om de bevolking te behagen, hun eigen ijdelheid te strelen, en soms uit nog slechter beweegredenen. De apostelen werden tentoongesteld om de macht der goddelijke genade te openbaren, de waarachtigheid van hun zending en leer te bevestigen, en den godsdienst in de wereld te verbreiden. Dat was een Gode waardig doel, een edele beweegreden, geschikt om hen tot den strijd aan te vuren. Maar zij hadden gelijke moeilijkheden het hoofd te bieden en waren op dezelfde wijze blootgesteld als die ellendige Romeinse veroordeelden. De bediening van een apostel was, hoewel eervol, hard en gevaarlijk. Wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den mensen, vers 9. Een schouwspel. Wij zijn in den schouwburg gebracht, in het gezicht van de gehele wereld. Engelen en mensen zijn getuigen van onze vervolgingen, lijden, geduld en grootmoedigheid. Zij allen zien dat wij lijden om onze getrouwheid aan Christus, en hoe wij lijden, hoe groot en geweldig onze gevaren zijn, hoe moedig wij die tegengaan, hoe scherp ons lijden is, hoe geduldig wij dat doorstaan, door de kracht van de goddelijke genade en onze Christelijke beginselen. Ons werk is hard maar eervol, gevaarlijk maar roemrijk. God zal eer door ons ontvangen, de godsdienst zal door ons achting afdwingen. De wereld kan zich slechts verwonderen wanneer ze onze onwrikbare beslistheid en ons onwankelbaar geduld ziet. En hoe grimmig werden ze blootgesteld, beide aan lijden en aan verachting, voor de eer huns Meesters! De getrouwe dienaren en discipelen van Christus behoren voor Zijn zaak en eer standvastig alles te ondergaan.
2. Hij vergelijkt zijn eigen lot met dat der Corinthiërs: Wij zijn dwazen om Christus wil, maar gij zijt wijzen in Christus, wij zijn zwakken, maar gij sterken, gij zijt heerlijken, maar wij verachten, vers 10. Wij zijn dwazen om Christus wil, naar de gewone beoordeling, en wij zijn er mee tevreden zo beoordeeld te worden. Wij kunnen in de wereld voor dwazen doorgaan en als de zodanige veracht worden, indien slechts de wijsheid Gods en de heerlijkheid des Evangelies daardoor verzekerd en ontvouwd worde. Getrouwe dienaren kunnen het verdragen veracht te worden, indien de wijsheid Gods en de macht zijner genade daardoor openbaar wordt. Maar gij zijt wijzen in Christus. Gij hebt den naam van wijze en geleerde Christenen te zijn, en ge verhovaardigt u daar niet weinig op. Wij zijn in ongenade omdat wij de volle waarheid des Evangelies zo eenvoudig mogelijk verkondigen, gij zijt beroemd om uw welsprekendheid en menselijke wijsheid, welke menigeen onder u doet aanzien voor een wijze in Christus. Wij zijn zwakken, maar gij sterken. Wij lijden voor de zaak des Heeren, dat betekent het woord: zwakken: 2 Corinthiërs 12:10, terwijl gij het gemakkelijk hebt en in goede omstandigheden verkeert. Merk op: Niet alle Christenen zijn op gelijke wijze tentoongesteld. Sommigen lijden zwaarder beproevingen dan anderen, ofschoon ze in dezelfden strijd betrokken zijn. De standaarddragers in een leger ontvangen de meeste slagen. Zo zijn in tijden van vervolging de dienaren gewoonlijk de eerste en voornaamste lijders. Of anders: Wij gaan in de wereld door voor mensen van geringe vermogens, louter stumperds in het Christendom, maar gij ziet op uzelven en wordt door anderen aangezien als mannen van veel groter groei en vaste sterkte. Zij zijn niet altijd de grootste ontwikkelden in het Christendom, die dat van zich zelven denken of er door anderen voor gehouden worden. Het is voor de zelfzucht maar al te gemakkelijk en te gewoon om deze vergissing te begaan. De Corinthiërs dachten waarschijnlijk van zich zelven en werden er door anderen voor aangezien, dat zij wijzer en sterker in Christus waren dan de apostelen. Maar o! hoe groot was die vergissing!
IV. Hier noemt hij enige bijzonderheden van hun lijden op. Tot op deze tegenwoordige ure, dat is: na al de diensten, die wij u en andere gemeenten bewezen hebben, lijden wij honger en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats, en arbeiden, werkende met onze eigen handen, vers 11, 12. Ja, zij waren geworden als uitvaagsel der wereld, en aller afschraapsel tot nu toe, vers 13. Zij waren gedwongen voor hun onderhoud met eigen handen te arbeiden, en hadden zo veel meer en belangrijker werk te behartigen, dat ze zich daaraan niet genoeg wijden konden om een draaglijk bestaan te genieten, maar waren blootgesteld aan honger, dorst en naaktheid, menigmaal ontbrak hun voedsel, drinken en kleding. Zij werden de wereld doorgedreven zonder vaste woonplaats en eigen tehuis te hebben. Inderdaad ellendige omstandigheden voor de eerste dienaren in het koninkrijk des Zaligmakers: geen tehuis, geen onderkomen te hebben, en gebrek te hebben aan voedsel en kleding! Maar toch niet erger dan Hij het had, die geen plaats had om het hoofd neer te leggen, Lukas 9:58. Maar o, goddelijke genade en bijstand, die hen door al deze bezwaren heen hielp! Hoe vurig dankten zij God, hoe innig dorstten zij naar de zaligheid der zielen! Hun armoede was vrijwillig, zij was hun dierbaar. Zij hadden rijke vergoeding voor al de uitwendige dingen, welke ze moesten ontberen, indien ze slechts Christus mochten dienen en zielen redden. Ja, ofschoon zij uitvaagsel der wereld en aller afschraapsel waren! Zij werden behandeld als mensen, die niet waard waren te leven. Sommige geleerden zien hier een zinspeling op de gewoonte van vele heidense volken, om in tijden van pestilentie en dergelijke zware rampen, mensenoffers te brengen. Daarvoor werden gewoonlijk de geringsten, mensen van lagen rang of slecht karakter, gekozen. Zo werden in de eerste eeuwen de Christenen beschouwd als de oorzaak van alle algemene rampen, en derhalve opgeofferd aan de woede des volks, indien niet om de vertoornde godheden te bevredigen. En de apostelen konden geen beter lot verwachten. Zij leden in hun personen en hun goeden naam als de gemeenste en slechtste mensen, die het best geschikt waren om voor offers te dienen, of anders: als het uitvaagsel der wereld, dat behoorde weggevaagd te worden, ja als aller afschraapsel, als het vuil en de onreinheid, welke ieder wegwerpt. Zij waren de vergaarbakken, waarin al wat de wereld uitwierp verzameld werd. Het afschraapsel van enig ding te zijn is hard, maar wat moet het zijn aller afschraapsel te wezen! Hoezeer geleken de apostelen op hun Meester, zij vervulden in hun vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus voor Zijn lichaam, dat is de gemeente, Colossenzen 1:24. Zij leden voor Hem en volgens Zijn voorbeeld.. Zo arm en veracht was Hij tijdens Zijn leven en bediening. En ieder, die in Christus Jezus getrouw zijn wil, moet er zich op voorbereiden dezelfde armoede en verachting te ondergaan. Zij kunnen Gode zeer dierbaar zijn en hoog in Zijne achting staan, die de mensen het leven niet waard achten en die zij als het uitvaagsel der wereld en aller afschraapsel beschouwen en behandelen. Want de Heere ziet niet gelijk de mens ziet, 1 Samuël 16:7.
V. Wij vinden hier des apostels gedrag jegens hen, en de slechte behandeling die zij hem vergolden. Wij worden gescholden en wij zegenen, wij worden vervolgd, en wij verdragen, wij worden gelasterd, en wij bidden, vers 12, 13. Zij gaven zegeningen voor scheldwoorden, vriendelijke behandeling en gebeden voor lasteringen, en waren geduldig onder de scherpste vervolgingen. De discipelen van Christus, vooral de dienaren, moeten hun oprechtheid bewaren, een goed geweten behouden, welken tegenstand of mishandeling ze ook van de wereld ondergaan. Wat ze ook van de mensen lijden, zij moeten het voorbeeld van hun Heere volgen, Zijn wil volbrengen, Zijn voorschrift naleven. Het moet hun goed zijn, met en voor Hem veracht en miskend te worden.