Bijbelstudie
Boeken
Prediker 3
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
1
ALLES
1
heeft een bestemden tijd, en alle
2
voornemen onder den hemel heeft zijn tijd.
2
Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven; een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te roeien;
3
Een tijd
3
om te doden en een tijd om
4
te genezen; een tijd om
5
af te breken en een tijd om te bouwen;
4
Een tijd om te wenen en een tijd
6
om te lachen; een tijd
7
om te kermen en een tijd
8
om op te springen;
5
Een tijd
9
om stenen weg te werpen en een
10
tijd om stenen te vergaderen; een tijd
a
om te omhelzen en een tijd om verre te zijn van omhelzen;
6
Een tijd
11
om te zoeken en een tijd om
12
te laten verloren gaan; een tijd om te bewaren en een tijd om
13
weg te werpen;
7
Een tijd
14
om te scheuren en een tijd om toe te naaien; een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken;
8
Een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten; een tijd van oorlog en een tijd van vrede.
9
15
Wat
b
voordeel heeft hij die werkt, van hetgeen dat hij bearbeidt?
16
10
Ik heb gezien de bezigheid die God den kinderen der mensen gegeven heeft om zichzelven daarmede te bekommeren.
11
17
Hij heeft ieder ding
18
schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij
19
de eeuw
20
in hun hart gelegd, zonder dat een mens het werk dat God gemaakt heeft,
21
kan uitvinden,
22
van het begin tot het einde toe.
12
Ik heb gemerkt dat er niets beters
23
voor henlieden is dan zich te verblijden en
24
goed te doen in zijn leven;
13
Ja ook, dat ieder mens
25
ete en drinke, en het goede
26
geniete van al zijn arbeid.
Dit
is een gave Gods.
14
Ik weet dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid
27
zijn; er is niet toe te doen, noch is er af te doen; en God doet
dat
, opdat men vreze voor Zijn aangezicht.
15
Hetgeen dat geweest is, dat is nu, en wat wezen zal, dat is alrede geweest; en
28
God zoekt het weggedrevene.
16
Verder
29
heb ik ook gezien onder de zon,
30
ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid; en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid.
17
Ik zeide in mijn hart: God zal
31
den rechtvaardige en den goddeloze oordelen,
32
want
33
aldaar is de tijd voor alle voornemen en over alle werk.
18
Ik zeide in mijn hart
34
van de gelegenheid der mensenkinderen, dat God hen
35
zal verklaren, en dat zij zullen zien dat zij
als
de beesten zijn aan zichzelven.
19
Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten, en
36
enerlei wedervaart hun
beiden
; gelijk
37
die sterft, alzo sterft
38
deze, en
39
zij allen hebben
40
enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten
41
is geen; want
42
allen zijn zij ijdelheid.
20
Zij gaan allen
43
naar één plaats, zij
44
c
zijn allen uit het stof en zij keren allen weder tot het stof.
21
Wie merkt dat
45
de adem van de kinderen der mensen
46
opvaart naar boven, en de adem der beesten
47
nederwaarts vaart in de aarde?
22
Dies ik gezien heb dat er niets beters is dan dat de mens zich verblijde
48
van zijn werken, want
49
dat is zijn deel; want
50
wie zal hem daarheen brengen, dat hij ziet hetgeen dat na hem geschieden zal?