Psalm 55:1-9
In deze verzen hebben wij:
I. David biddende. Het gebed is een zalf voor iedere wond, en een verlichting voor het gemoed onder iedere last, o God, neem mijn gebed ter ore, vers 2, 4. Hij heeft de beden niet opgeschreven, die hij in zijn benauwdheid tot God heeft opgezonden, maar vraagt dat God de gebeden zal verhoren, die zijn hart in elk tijdperk tot God heeft gericht, er een antwoord des vredes op zal geven. Merk op mij en verhoor mij. Saul wilde zijn beden niet horen, zijn andere vijanden merkten niet op zijn pleiten, maar: Heere, het behage U naar mij te horen, verberg U niet voor mijn smeking, hetzij als iemand wie het niet aangaat, die er geen belang in stelt, en er dus geen acht op slaat, of als iemand, die misnoegd is, toornig op mij is, en dus ook op mijn gebed. Als wij in onze gebeden in oprechtheid onszelf, onze zaak, ons hart, voor God blootleggen, dan hebben wij reden om te hopen dat Hij zichzelf, Zijn gunsten, Zijn vertroostingen niet zal verbergen.
II. David wenende, want daarin was hij een type van Christus, dat hij een man van smarten was, en dikwijls heeft geweend, vers 3 "ik bedrijf misbaar in mijne klacht", (of in mijn overdenking, mijn treurig peinzen) "en ik maak getier, ik kan dat zuchten en kermen en andere uitdrukkingen van smart niet onderdrukken, niet verhinderen, zodat zij, die mij omringen ze horen. Grote smart is dikwijls luidruchtig, en zo wordt zij enigermate gelenigd, terwijl de smart, die onderdrukt en gesmoord wordt, toeneemt, daar er geen lucht aan wordt gegeven. Maar wat was de zaak? Het is om de roep van de vijand vers 4, de dreigementen en beledigingen van Absaloms aanhangers, die toenamen, dreigden en het volk ophitsten om tegen David te roepen hem weg te schreeuwen uit zijn paleis en zijn hoofdstad, zoals later de overpriesters het gepeupel hebben opgehitst om tegen de Zone Davids te roepen: Weg met hem, kruis hem! Maar het was niet alleen de roep des vijands, die tranen uit Davids ogen deden vloeien, maar ook hun verdrukking, hun beangstiging, en de ontberingen waartoe hij hierdoor gebracht werd. Zij schuiven ongerechtigheid op mij. Zij konden David niet rechtvaardig van slecht beheer beschuldigen in zijn regering, konden niet bewijzen dat hij zich aan verdrukking of onrechtvaardigheid had schuldig gemaakt, maar zij overlaadden hem met laster. Hoewel zij geen ongerechtigheid in hem vonden met betrekking tot zijn ambt als koning, schoven zij toch allerlei ongerechtigheid op hem, stelden zij hem aan het volk voor als een tiran, waardig om verstouten en verdreven te worden. De onschuld zelf is geen beschutting tegen liegende tongen. Zij zelf haatten hem, ja in toorn haatten zij hem, er was in hun vijandschap beide het vuur en de heftigheid van toorn, of plotseling opkomende drift, en het onverzoenlijke van haat en ingewortelde boosaardigheid en daarom legden zij het er op toe om hem hatelijk te maken, opdat ook anderen hem zouden haten. Dit heeft hem doen treuren, te meer omdat hij zich de tijd kon herinneren, toen hij de lieveling zijns volks was, beantwoord heeft aan zijn naam: David, een beminde.
III. David bevende en in grote ontsteltenis. Wel kunnen we veronderstellen dat hij dit geweest is bij het uitbreken van Absaloms samenzwering en de algemenen afval des volks, zelfs van hen, van wie hij weinig reden had dit te vermoeden.
1. Zie door welke vrees hij bevangen werd. David was een man van grote kloekmoedigheid, en in sommige zeer bijzondere gevallen had hij treffende blijken gegeven van moed en onversaagdheid, en toch, toen het gevaar zo plotseling kwam en zo nabij was, ontzonk hem de moed. Laat dan de kloekmoedige niet roemen op zijn dapperheid, evenmin als de sterke op zijn kracht. Nu Davids half wegkrimpt in zijn binnenste, zijn verschrikkingen des doods op hem gevallen, vers 5. Vreesachtigheid van gemoed en beving des lichaams kwamen op hem aan, en gruwen overdekte hem, vers 6, toen van buiten strijd was, was het geen wonder dat er van binnen vrees was, en, zo het bij gelegenheid was van Absaloms rebellie, dan kunnen wij wel veronderstellen dat de herinnering aan zijn zonde in de zaak van Uria, waarvoor God nu met hem afrekende, zijn verschrikking nog deed toenemen. Soms heeft Davids geloof hem in zekere zin onbeschroomd gemaakt, en kon hij, als hij omringd was door vijanden stoutmoedig zeggen: ik zal niet vrezen, wat zal een mens mij doen? Maar op andere tijden hebben vrees en angst de overhand en tiranniseren hem, want ook de beste mensen zijn niet altijd even krachtig in het geloof.
2. Zie, hoe hij onder deze vrees en verschrikking wenste zich terug te trekken in een woestijn, ergens heen, waar het ook zij zo het slechts ver genoeg is om de roep des vijands niet te kunnen horen en zijn verdrukkingen niet te kunnen zien. In vers 7 zei hij het tot God in zijn gebed en tot zichzelf in overpeinzing, en tot zijn vrienden in klacht: och dat mij iemand vleugelen als van een duif gave? Hoezeer hij vroeger Jeruzalem ook bemind had, nu het een oproerige stad alras geworden, verlangde hij er van weg te komen, en, evenals de profeet, wenste hij "in de woestijn een herberg van de wandelaars te hebben, ten einde zijn volk te verlaten en van hen te trekken, omdat zij een trouweloze hoop zijn", Jeremia 9:2. Dit komt zeer goed overeen met Davids besluit bij het uitbreken van die opstand: "Staat op laten wij vluchten want anders zullen wij niet ontkomen" 2 Samuël 15:14.
Merk op:
A. Hoe hij zou willen ontkomen, hij was zo omringd door vijanden, dat hij niet zag hoe hij zou kunnen ontkomen, anders dan op vleugelen, en daarom wenst hij: och dat ik vleugels hadde, niet als van een valk, die een krachtige vlucht heeft, maar als van een duif, die een snelle vlucht heeft, hij wenst vleugelen te hebben, niet om op een dag uit te vliegen want zodanigen waren zijn vijanden. De vleugelen van een duif kwamen het best overeen met hem, die een duivenaard had, en daarom zouden arendsvleugelen hem niet passen. De duif vliegt, laag en gaat zo spoedig zij kan in beschutting, en aldus wilde David vliegen.
B. Waaraan hij wenst te ontkomen: aan de wind, de storm, het rumoer en de gisting, die thans in de stad heersten, en aan het gevaar, waaraan hij was blootgesteld. Hierin was hij als een duif, die geen geraas kan verdragen.
C. Wat hij op het oog had in zijn ontkoming: geen zegepraal maar rust, "ik zou wegvliegen en een woonplaats zoeken, waar ik blijven mocht," waar ik rust had, vers 7. Ik zou heenvlieden naar welke plaats het ook zij, al was het naar een dorre, akelige woestijn, hoe ver ook weg, zo ik er slechts rust kon hebben. Rust en vrede, in stilte en eenzaamheid, zijn hetgeen de wijste en de beste mensen het vurigst hebben begeerd, en het meest wel als zij gekweld en vermoeid werden door het geraas en getier om hen heen. Godvruchtige zielen wensen zich terug te trekken van het gejaag en gewoel van deze wereld, ten einde op lieflijke wijze God en zichzelf te genieten, en als er ware vrede is aan deze zijde van de hemel, dan zijn zij het, die er in de afzondering van genieten. Dit maakt voor een kind van God de dood begerenswaardig, dat hij er voor goed door ontkomt aan al de stormen en orkanen van deze wereld, om nu voor eeuwig een volkomen rust te genieten.