Filippenzen 2:14-18
De apostel vermaant hen in deze verzen om hun Christelijke belijdenis te versieren met een daaraan beantwoordend gedrag, in verschillende opzichten.
1. Door een gewillige gehoorzaamheid aan al de geboden Gods, vers 14. Doet alle dingen, al uw plichten, in elk geval, zonder murmureren. Doet ze en vindt ze niet onaangenaam, stelt uw hart op uw werk en twist er niet mede. Gods geboden zijn gegeven om gehoorzaamd te worden, niet om er over te redetwisten. Dat versiert onze belijdenis grotelijks en toont dat wij een goeden Meester dienen, wiens dienst vrijwillig is en wiens werk zijn eigen beloning is.
2. Door vredelievendheid en liefde jegens elkaar. Doet alle dingen zonder tegenspreken, niet kibbelend en redetwistend met elkaar, zodat het licht der waarheid en het leven der godsvrucht zich dikwijls verliezen in de hitte en den nevel van de twisten.
3. Door een onberispelijk gedrag jegens alle mensen, vers 15. Opdat gij moogt onberispelijk en oprecht zijn, kinderen Gods, onstraffelijk. Dat is: weest jegens niemand onrechtvaardig in woord of daad, en geeft geen aanleiding tot ergernis. Wij moeten trachten niet alleen schuldeloos, maar onberispelijk te zijn, niet alleen geen kwaad te doen, maar ook niet onder de gewettigde verdenking daarvan te komen. Onberispelijk voor de mensen, oprecht voor God. Als kinderen Gods. Dat betaamt hen, die in zulke betrekking staan en met zulk een gunst bevoorrecht zijn, dat zij onberispelijk en oprecht wandelen. De kinderen Gods moeten verschillen van de kinderen der mensen.
Onstraffelijk, amoomêta. Momus was een godheid der Grieken, vermeld door Hesiodus en Lucianus, die zelf nooit iets anders deed dan vitten en bedillen, hij vond aan elk lichaam en elk ding gebreken. Naar hem werden bedillers en ruwe beoordelaars van andere mensen en hun werk momi genoemd. De zin van de uitdrukking is: Wandelt zo voorzichtig, dat Momus zelf geen gelegenheid zou hebben om op u te vitten, dat de gestrengste beoordelaar geen fout in u vinden kan. Wij moeten er naar trachten niet alleen naar den hemel te gaan, maar er heen te gaan zonder smet, en gelijk Demetrius een goede getuigenis te hebben van allen en van de waarheid zelf, 3 Johannes 12.
In het midden van een krom en verdraaid geslacht, dat is, onder de heidenen en degenen die buiten zijn. Waar geen ware godsvrucht is, kan men niet veel anders verwachten dan kromheid en verdraaidheid, en hoe krommer en verdraaider zij zijn, onder welken wij leven, en hoe meer die geneigd zijn om te vitten, des te meer moeten wij zorg dragen onberispelijk en oprecht te zijn. Abraham en Lot moesten niet twisten, omdat de Kanaänieten en Ferezieten in dat land woonden, Genesis 13:7. Onder welken gij schijnt als lichten in de wereld. Christus is het licht der wereld, en de Christenen zijn lichten in de wereld. Indien God in enige plaats een godvrezende verwekt, dan stelt Hij in die plaats een licht. Ook kan dit woord in gebiedenden zin gelezen worden. Schijnt onder hen als lichten in de wereld, vergelijkt Mattheus 5:16 :Laat uw licht schijnen voor de mensen. Christenen moeten trachten niet alleen zich aangenaam te maken voor God, maar zich ook bij de mensen aan te bevelen, opdat zij daardoor God verheerlijken kunnen. Zij moeten schijnen zowel als oprecht zijn. Voorhoudende het woord des levens, vers 16. Het Evangelie wordt het woord des levens genoemd, omdat het ons verwekt en bestemt ten eeuwigen leven door Jezus Christus. Hij heeft het leven en de onverderflijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie, 2 Timotheus 1:10. Het is onze plicht het woord des levens niet alleen vast te houden en voor te houden, niet alleen tot ons eigen welzijn het te houden, maar het ook voor te houden ten zegen voor anderen, het voor te houden gelijk de kandelaar de kaars voorhoudt en maakt dat ze allen rondom beschijnt, of gelijk de lichten des hemels, die hun stralen wijd en zijd uitschieten. Dat, zegt Paulus, zal hem tot vreugde verstrekken: Mij tot een roem tegen den dag van Christus, niet alleen roem over uw standvastigheid, maar ook over uw nuttigheid. Hij wil dat zijn moeite aan hen wel besteed zal zijn, opdat hij niet tevergeefs hebbe gelopen, of tevergeefs gearbeid. Merk op: het werk der bediening vereist den gehelen mens, al wat in ons is kan niet genoeg zijn om besteed te worden in lopen en arbeiden. Lopen geeft te kennen volhouden, voortzetten, voortdurend vooruitgaan, arbeiden duidt op standvastigheid en ijverige toewijding. Het is een grote vreugde voor dienaren, wanneer zij zien mogen, dat ze niet tevergeefs gelopen en gearbeid hebben, en het zal hun roem zijn in den dag van Christus, wanneer hun bekeerlingen hun kroon zijn zullen. Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon des roems? Zijt gij die ook niet voor onzen Heere Jezus Christus in Zijne toekomst? Want gij zijt onze heerlijkheid en blijdschap, 1 Thessalonicenzen 2:19, 20. De apostel liep en arbeidde voor hen niet alleen met voldoening, maar hij toont dat hij ook gewillig was voor hun welzijn te lijden, vers 17. Ja, indien ik ook tot een drankoffer geofferd worde over de offerande en bediening uws geloofs, zo verblijd ik mij en verblijd mij met u allen. Hij achtte zich gelukkig indien hij kon bijdragen tot de eer van Christus, de opbouwing der gemeente en het welzijn van de zielen der mensen, ofschoon hij daarvoor zijn leven niet alleen moest wagen, maar misschien zelfs verliezen. Hij was gewillig om een offer op het altaar te zijn, en daardoor het geloof in God te dienen. Kon Paulus het de moeite waard achten om zijn bloed in dienst der gemeente te storten, en zullen wij het dan te zwaar noemen om voor haar een weinig moeite te hebben? Is datgene, wat hij zijn leven waard achtte, onzen arbeid niet waardig? Indien ik ook geofferd worde, of als wijn uitgestort worde tot een drankoffer, spendomai, 2 Timotheus 4:6. Ik ben nu bereid om geofferd te worden. Hij kon er zich in verheugen om zijn leer met zijn bloed te bezegelen, vers 18 :En om datzelfde verblijdt gij u ook, en verblijdt ook ulieden met mij. Het is de wil van God, dat ware Christenen zich veel verblijden zullen, en zij, die het geluk hebben van goede dienaren te bezitten, hebben veel reden van blijdschap. Indien de dienaar de gemeente liefheeft en gewillig is voor haar welzijn besteed te worden, heeft de gemeente reden om den dienaar lief te hebben en zich met hem te verblijden.