11. Bovendien bewoners van de eilanden en schiereilanden, Kretenzen ver in het westen en Arabieren diep in het zuiden, wij horen hen in onze talen over de grote werken van God spreken.
In de plaats van beroering kwam spoedig verwondering en ontzetting; maar terwijl de beroering woorden vindt, hoewel slechts verwarde, heeft de ontzetting geen woord, zij is sprakeloos. Pas als de ontzetting overgaat in een zich verwonderen, spreken de mensen onder elkaar en wisselen zij van gedachten. Hun verwondering heeft natuurlijk eerst betrekking op de vorm van de woorden die zij horen. Zij kunnen niet begrijpen hoe deze mannen uit Galilea in het bezit zijn gekomen van zo verschillende vreemde tongen. Toch blijven zij niet hangen aan het wonderbaar glinsterende uitwendige, zij hebben ook gevoel voor hetgeen dat deze Galileërs zo doet juichen; zij horen de inhoud van hun reden met even grote verwondering; zij herkennen dat zij "de grote daden van God" horen prediken in hun talen. Zoiets als hier hebben zij nog nooit uit mensenmond vernomen, iets dergelijks is nog nooit in hun gedachten gekomen. Deze mannen verkondigen hun geen gewone daden van God, maar daden van God geheel enig in hun soort, groots en wonderbaar, die niet alleen naast Gods grote daden uit de tijden van de Vaderen kunnen worden gesteld, maar die ver, ver overtreffen.
"Galileërs": de naam van Jezus, waarin alle lof van de met de Geest vervulde gemeente gezamenlijk klonk, maakte hen aan de menigte als Galileërs bekend. De zegen van Jakob over de stam, die in Galilea woont (Genesis 42:21) "Nafthali geeft schone reden" is in zeer heerlijke zin waar geworden. De hoorders van een zo wonderbare rede uit de mond van deze Galileërs vertrouwden hun oren niet; de een zei tot de ander: "Ik hoor Parthisch spreken, mijn taal; en u, waar bent u geboren? "In Medië en waarlijk ik hoor Medisch! " - "En ik Elamietisch" riep een derde; en zo ging het in de rondte onder de zeer verwonderde menigte. Lukas neemt de uitroepen van verwondering van ieder afzonderlijk bij elkaar en tekent een soort van volkenlijst, van het oosten naar het westen voortgaande en in het midden de volken van noord en zuid plaatsende.
De rede, die uit de mond van de mensen is opgetekend, geeft een aanwijzing van al die landen en volken, van wie de spraak door een heilige spreker was gesproken. Die optelling houdt een bepaalde gang in en hij die zich de moeite wilde geven na te gaan welke talen in deze genoemde landen en onder deze volken in die tijd gesproken zijn, zou de grootste menigvuldigheid en verscheidenheid vinden. Het zou wel mogelijk zijn dat juist in deze krans van landen en volken en talen, die worden aangevoerd, een bijzondere bedoeling van God lag en dat zo aan land en land, aan taal en taal een bijzondere betekenis verbonden was.
De optelling van vijftien landen, waaruit mensen tegenwoordig waren, is naar een zeker plan gerangschikt; het is echter niet in alles met schoolmeesterachtige strengheid en vastheid doorgezet. De vier eerste namen omvatten het oosten, landen aan gene zijde van de Eufraat, waarin het volk Israël door de Assyrische en Babylonische ballingschap was verspreid. Nu wordt eensklaps Judea genoemd, dat men hier het minst verwacht, omdat het staat bij de overgang tot de landstreken van Klein-Azië. Het kon ook wel in spraakkunstig opzicht mede worden vermeld, omdat het Joodse dialect zich eveneens onderscheidde van het Galilese van de discipelen (Mattheus 26:73), maar toch ligt er iets duisters over, als men er geen vrede mede heeft dat hier de gedachte is uitgedrukt: het trotse Judea (Johannes 7:52) moet eveneens zich neerleggen aan de voeten van Jezus de Nazarener, het heeft geen andere Heiland dan deze Ene (hoofdstuk 4:11v.). De volgende vijf namen bevatten enige streken van Klein-Azië, en wel eerst van het oosten naar het westen voortgaande (Cappadócië, Pontus en Azië), vervolgens zich naar het oosten wendende (Frygië) en een zuidelijke provincie aan de kust noemende Hierop is een overgang naar het verre zuiden, vanwaar dan uit Afrika, Egypte en Libië Cyrenaica wordt gemeld. Uiteindelijk worden uit het afgelegen westen Romeinen genoemd, d. i. Joden, die te Rome zelf en in het Romeinse westen woonden en nu te Jeruzalem aanwezig waren. Later worden er bijgevoegd Kretenzen en Arabieren. Tussen de vermelding van de Romeinen en die van deze beide volken maakt Lukas omtrent alle genoemde landstreken het onderscheid tussen geboren Joden en Jodengenoten, d. i. tot het Jodendom overgegane heidenen.
De kaart moet zeker te kennen geven dat geen volk op aarde zonder het evangelie zal blijven; nu konden hier zeker geen leden van alle volken op aarde in letterlijke zin samen zijn, maar het was toch zo gerangschikt dat ieder volk op aarde door plaatsbekleders op enige wijze was vertegenwoordigd. De Kretenzen dienen om alle eilanden voor te stellen, waaraan ook in het bijzonder de kennis van de zaligheid is beloofd (Zefanja 2:11. Jesaja 51:5) en de Arabieren vertegenwoordigen de zonen van Israël; opmerkelijk is, dat zij het laatst staan.
Zijn er 17 namen die hier voorkomen, wij kunnen zeggen: nu zijn het wel 170 talen, waarin het evangelie aan de hele wereld wordt verkondigd; de Hottentot zowel als de Groenlander, de Hindoe en de Chinees zo goed als wij, een ieder kan zeggen: wij horen ze in onze talen de grote werken van God spreken.
Wij horen een ieder zijn taal, waarin wij geboren zijn; ook dat herhaalt zich nog op gelijke wijze, maar stiller. Als de Geest van God spreekt door de mond van enige getuigen van Zijn waarheid, moet ieder mens rondom tenminste een duister gevoel ervan hebben, dat dit zijn eigenlijke, verloren taal, zijn moedertaal uit het paradijs is. Zijn geest is geschapen om ze te verstaan, zijn tong is gevormd om ze te spreken en alleen daarom is zij hem onbekend en vreemd, omdat hij, in den vreemde geboren, de taal van de zonde en het verderf heeft geleerd. Bedenkt u slechts, als de Geest van de Heere u bestraft over uw zonden en overtredingen, is dat niet dezelfde taal, die u reeds duisterder gehoord hebt in uw geweten? Als dezelfde Geest u uitnodigt tot de vrede van de verzoening met God door Jezus Christus, is dat niet een verstaanbaar antwoord op de stem van de geheimste zucht in uw borst? Als u wordt opgeroepen tot een nieuw leven, tot wandelen in de geest, tot zaligheid, heeft niet uw verlangen, die oude vraag en klacht in uw ziel dezelfde weg, hetzelfde doel, dezelfde goederen gezocht? O, als wij ons oor maar niet geheel hebben gesloten en ons hart niet naar het verderf hebben gekeerd, dan moet het ons bij het getuigenis van de Heilige Geest zijn, als hadden wij deze stem reeds gehoord; wij moeten uitroepen bij de verkondiging van het Evangelie: Ja, dat is de stem van de trouwe Herder, die Zijn leven voor mij heeft gegeven; dat is de stem van mijn Vader, die mij tot Zich roept, want ik was een verloren zoon; dat is de klok uit mijn eeuwige vaderstad, de orgeltoon uit de hemelse tempel van God, waarvan ik was afgevallen en overgegaan tot de grote gemeente van de ongelovigen mij ten vloek. Gezegend zijn wij als wij de apostelen horen spreken in onze taal en het woord wel ter harte nemen. (P. LANGE). 13. En anderen dan die godvruchtige mannen (Vers 5) die daar waren en zich lichtzinnig over het gebeurde heen zetten, zochten spottend een natuurlijke verklaring voor de verheven geestdrift van de discipelen (1 Corinthiërs 14:23), zoals hun eigen verkeerdheid hun die aan de hand gaf. Zij zeiden: zij zijn vol van zoete wijn. Zo spraken zij zonder er zich aan te storen dat dit in domheid was gesproken, want een dronken mens kan zijn tong niet meer regeren, laat staan dan dat hij in vreemde talen zou kunnen spreken.
Het voorgevallene was te buitengewoon, dan dat niet bij alle aanwezigen beweging had moeten ontstaan; de indruk van het pinksterwonder is echter verschillend naar de onderscheiden gezindheid van de personen. Een gedeelte, dat van de godvruchtigen, staat eerbiedig tegenover het wondervolle feit; de mannen die tot deze behoren, denken na en vragen wat wel de eigenlijke aard van de gebeurtenis was, wat die moest betekenen en welke de gevolgen hiervan konden zijn. Andere lichtvaardige, koude gemoederen, ook zij inbegrepen die Jezus vijandig gezind waren (Johannes 7:12, 20, 27, 35vv. ; 8:22 Joh 7. 12, 20, 27, 35), verharden zich tegen de indruk van de heilige daad van God; ja, zij verlagen die overeenkomstig hun eigen lage gezindheid, daar zij die spottend tegen treden en hen die de uitstorting van de Geest ontvingen van dronkenschap beschuldigen; de wereld heeft er toch een behagen in wat schittert zwart te maken en het verhevenste te verguizen.
Hier openbaart zich de eerste spleet tot de grote splitsing tussen het rijk van het licht en dat van het duisternis in de tijden van het Nieuwe Testament. "Wat wil toch dit zijn? " dat is een goede uitroep. Deze getuigt van verwondering, van diepe ontroering van deze zielen. Zij zijn reeds door de werkingen van de Geest aangegrepen; zij vermoeden dat er iets nieuws, iets groots te Jeruzalem zal ontstaan, in Judea en in de wereld, dat het hemelrijk begint en in hun harten zelf zich iets nieuws verheft, dat uit hen zelf iets zal worden tot lof van God voor de zalige eeuwigheid. "Zij zijn vol van zoete wijn, " zo spotten anderen; zij hebben dierlijke gedachten in hun zondenlust, zij zien met verduisterde ogen als van misdadigers, zij horen met verstompte, verdwaasde oren, zij oordelen met een bitter hart dat door de laagheid van de zonde verwoest is. Daarom is het heiligste voor hen een voorwerp van spot; daarom noemen zij de ruimste, verhevenste zieleblijdschap een woest drinkgelag. Hoe moet deze lage aanval van die spotters op de openbaring van de Heilige Geest alle lichtzinnige tongen onder ons waarschuwen en afschrikken, die het wagen het heiligdom van de Heere, Zijn woord, Zijn belijdenis aan te tasten. Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten, ongelukkige mensen, die met bittere smaadreden u aan de heiligdommen van Christus' kerk kunt verzondigen.
Nieuwe en vreemde talen! Wat een moeite heeft zich een ongelovige of halfgelovige en jegens het ongeloof steeds toegefelijke wetenschap gegeven, om het wonder van het feest van de eerstelingen ter vervulling van de heerlijke belofte van de heengegane Verlosser weg te redeneren, of door zogenaamde natuurlijke verklaringen te ontzenuwen.
Er is dikwijls achter het spotten een ware wanhoop verborgen! Bij zo'n mens is dikwijls de helderste overtuiging van de waarheid in het binnenste geschreven. Hij is reeds overtuigd van de goddelijkheid van het Evangelie, maar hij wil het niet laten voortwerken, hij wil niet tot het licht komen, want hij heeft de duisternis liever dan het licht; daarom probeert hij zijn betere overtuiging weg te lachen en weg te spotten.
Zo laat zich dan ook de duivel in zijn eigen taal horen, waar de Geest naar het hart van de heilbegerigen te spreken geeft. Zo bespot hij en hier en aan alle plaatsen Gods werk, Gods werktuigen en hen die zich aan de werkingen van God met een ontroerd gemoed overgeven. Gods werk kan hij niet weerstaan, maar Gods werktuigen kan hij afschrikken, en het ontroerde gemoed plotseling in een andere stemming overbrengen, waarin het zich van Gods werkingen afkeert, tenzij God het verhoede. Mijne lezers! onderkent dat wapen van de spotternij, waar u het ontmoet, in al zijn verachtelijkheid, al zijne grofheid; het komt uit het tuighuis van de satan. Het is het eerste stuk in de wapenrusting van de Boze. Maar kent het ook in zijn gevaarlijkheid. Het is ras bij de hand, gemakkelijk te hanteren, maakt diepe wonden en door de vele en langdurige diensten die het gedaan heeft, geeft het hem die het gebruikt, een grote dapperheid in de aanval, een ontzettend vertrouwen op zijn kracht. Waarlijk, het heeft zijn tienduizenden verslagen en zijn honderdduizenden vooralsnog buiten gevecht gesteld. Voor even zo velen was het genoeg, het te zien glinsteren om terug te treden, waar zij reeds bijna bewogen waren met diepe belangstelling van de grote werken van God te vragen: Wat wil toch dit zijn? Vreest echter ook dit wapen niet te zeer! Bij God is een schild, waarmee gij al de vurige pijlen van de bozen kunt uitblussen! Met de kerk van Christus, met de waarachtige discipelen van de Heere, met de grote werken van God, met de werkingen van de Heilige Geest in het bijzonder is achttien eeuwen lang door spotters gespot. Zij, die van Petrus en de elven gezegd hebben: "zij zijn vol van zoete wijn, " en van Paulus: "de grote geleerdheid brengt u tot razernij, " herlevende tot op deze dag in hen die christenen heten of niet, pinksterfeest vieren of niet, van alle wezenlijke werking van de Geest, waar zij zich krachtig voordoet, verklaren: het is dronkenschap, het is razernij, het is een lichaamskwaal, het zijn ontstelde hersenen, men is niet wijzer. Evenwel, het vaste fundament van God staat. Tot op deze dag is de Heilige Geest van de gemeente niet geweken; tot op deze dag schenkt Hij licht en kracht aan alle oprechte belijders van de Heere; tot op deze dag wordt Hij uitgestort op alle vlees; tot op deze dag is Hij het die twijfelende en oprechte zielen vragen doet: wat mag dit zijn? en ook wederhorige harten aan de Heer weet te onderwerpen. Eenmaal dus juicht de gemeente, eenmaal is ons pascha voor ons geslacht, maar het blijft pinksteren totdat de dag komt, waarop de hele tarweoogst van de Heere rijp zal zijn om vergaderd te worden in Zijn schuren. De laatste pinksterdag zal de dag van de wederkomst van de Heere zijn. Poorten van de hel, verzamelt al uw kracht, al uwe wijsheid! Ongoddelijke wereld, verzamel uw spotternijen; beraadslaag een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreek een woord, doch het zal niet bestaan. De dochter van Zion lacht u uit, want God is met ons.