21. En de overigen van de antichristische legerschaar, de koningen en de krijgslieden, werden gedood met het zwaard van Degene, die op het paard zat, dat uit Zijn mond ging (
Vers 15 Jeremia 25:30,
Jesaja 34:1,
Ezechiel 39:8), zodat hun zielen aan de hel of aan de hades werden overgeleverd (
Hoofdstuk 6:8); en al de vogels werden, zoals reeds in
Vers 17 v. werd gezegd, verzadigd door hun vlees (hier wordt
Psalm 76 gelezen).
"Evenals Christus voor de Zijnen de eerste is, die ingaat in hun erfenis, in de hemel, zo zal de antichrist voor de zijnen eveneens de eerste zijn, die in hun erfenis, het eeuwige vuur ingaat. " Met hem wordt echter gelijktijdig en eveneens levend de valse profeet erin geworpen, die, zoals wij niet anders kunnen geloven, ontsproten is aan die orde, die de zaligmakende naam van Jezus op even gruwelijke wijze in het tegendeel heeft omgekeerd, als de antichrist de Christus van God (Lukas 9:20) tot een Christus van de duivel heeft omgekeerd.
Het beest werd gegrepen. In de eerste plaats wordt zo de antichrist, de man, die sinds 1290 dagen de god en koning van de mensheid is en ieder, die hem of zijn beeldzuil niet aanbad en hem niet als koning erkende, het leven liet benemen, gegrepen. Een gelijk lot overkomt de valse profeet, die tekenen voor hem verrichtte; die juist de duivelswonderen, de werkelijke wonderen, waardoor de ongelovigen zich lieten verleiden en met spoed voor het oordeel rijp werden, voor de antichrist te voorschijn bracht, evenals de tovenaars van Egypte tot op zekere graad, de wonderen van Mozes door bovennatuurlijke, duivelse krachten nabootsen konden. De valsen profeet hebben wij in het beest uit de aarde teruggevonden (13:11-18), dat de lieden een merkteken gaf en allen die het beest of zijn beeld, namelijk de antichrist en zijn beeldzuil, waarin een geest woonde, niet aanbaden, liet doden. Wat daar van het beest uit de aarde, wiens krachtigste wonder het is, dat hij aan het beeld van het beest een geest geeft (13:15) gezegd is, stemt met datgene, wat hier van de valse profeet wordt getuigd, nauwkeurig overeen. Het beest uit de aarde wordt evenwel daar niet de valse profeet genoemd; pas ten tijde van het beest uit de afgrond treedt het onder deze naam, met de draak en de antichrist, als een drieheid op (16:13). Wij hebben gezien, dat het hele pausdom tot het ongeloof van de volksheerschappij overgaat; wij hebben ons hierover niet te verwonderen, omdat ongeloof en bijgeloof zeer nauw aan elkaar verwant zijn. In het allerminste is het bevreemdend, wanneer weer de verkeerdsten onder de verkeerden bij de Rooms-Katholieken, waarvan de kern het genootschap van Jezus was, zich bij het antichristendom voegen. Bovendien zal het valse profetenschap in dienst van de antichrist, bij wie zij weer geheel en al dezelfde rol als bij het pausdom spelen, hun meerdere eer en hoger stelling verschaffen. Bij het dan door de duivel gestichte valse profetendom zullen zich ook vele anderen aansluiten, zodat het in eigenlijke zin niet meer streng aan het genootschap van Jezus gebonden is, dat dan ook in deze vorm, sinds de daarstelling van de toekomst-religie zal hebben opgehouden te bestaan. De bijzondere werkzaamheid van het beest uit de aarde bij de antichrist en zijn aanvangen van dit dienstwerk wordt op het nauwkeurigst in Hoofdstuk 13:13-18 voorspeld en de verklaring van deze plaats behoort men zich hier tot juist verstand van Vers 20 te herinneren. De pseudo-profeet (16:13), die naast de persoonlijken draak en de persoonlijke antichrist optreedt en ook een kikvorsgeest uitademt, is evenwel ook een enkel persoon, de meest op de voorgrond tredende onder de valse profeten, zoals de Antichrist het meest op de voorgrond treedt onder de koningen van de aarde.
Christus verschijnt aan het hoofd van Zijn hemelse legermacht als Koning en Rechter om het waarachtige Woord van de profetie te vervullen. Na deze verschijning, die van geweldige natuurverschijnselen vergezeld zal gaan, waarvan wij in Openbaring :12, 11:19. Mattheus 24:29 Jesaja 13:6 Joël 3:3 Haggai 2:7 Zacharia 14:5 de beschrijving hebben, wordt ons nu in Vers 17-21 de vernietiging van de anti-christelijke macht van het beest en van de valse profeet geschilderd. De hoogste spanning van de strijdigheden, die de gemeente van de Heere tot haar verheerlijking toebereiden, heeft daarentegen de anti-christelijke wereld in de laatste tijden voor haar ondergang en verderf rijp gemaakt. Bij de gemeente van de Heere wordt de doding van het vlees de weg tot verheerlijking van de Geest, terwijl bij de anti- christelijke partij, de voleindiging van het vlees haar bloesem en vrucht en haar bezoldiging de dood is. "Het beest gaat ten verderve" (Openbaring 7:8, 11 Galaten 6:8). Het God-tegenstrevende wezen is juist op het toppunt van zijn materiële en geestelijke ontwikkeling slechts een opgesmukt lijk, een dood aas, waarom zich de arenden zullen verzamelen en tot welks vertering nu vóór alle dingen de vogels van de hemel plechtig worden uitgenodigd (Openbaring 9:17 Ezechiel 39:4; 17-20 Mattheus 24:28). Oud- en Nieuw Testament stemmen hierin volledig overeen. Hoogst opmerkelijk is de vermetele verblinding van de antichrist en zijn koningen, die in hun ijdele waan menen, dat hun aardse strijdkrachten iets vermogen tegenover de hemelse legermacht (Vers 19). Dit is dan het toppunt van de babylonische dwaasheid, die wereld en vlees tot het hoogste in staat menen te zijn; maar zij allen vergaan in hun dolle vermetelheid door vuur, dat God van de hemel zendt om hen te verteren. Christus verschijnt met de Zijnen; maar van een gevecht tussen die beide legermachten is nergens sprake, slechts de verschijning van de Heere der heerlijkheid is voldoende om de antichrist te overwinnen en hem te vernietigen, "door de verschijning van Zijn toekomst" (2 Thessalonicenzen 2:8). Evenals eenmaal in de lijdensnacht van Gethsémané het enkel woord van de Heere: "Ik ben het" Zijn vijanden verschrikt deed ter aarde storten (Johannes 18:6), zullen nu het beest en de valse profeet (Oettinger zegt: "de antichrist met zijn filosofen aan het hoofd van hun legermacht, door dodelijke schrik verlamd zonder tegenspraak, gegrepen worden en levend geworpen worden in de poel van vuur, die van sulfer brandt (Vers 20). Maar hun aanhang daarentegen, koningen, hoofdlieden en geweldigen, met allen, die hun onderdanig waren, worden gedood door het scherpe zwaard, dat uit Christus' mond gaat; dat is: door de adem van Zijn mond en Zijn rechters woord (vers 21-25. 2 Thessalonicenzen 2:8 Hebreeën 4:12). Er wordt dus onderscheid gemaakt tussen verleiders en verleiden! En hoe zwaar ook de straf van deze laatsten is (vergel. 14:9-11), zo worden toch de eersten op een buitengewoon voorbeeldeloze wijze gestraft, zoals wij ook elders trappen en graden vinden aangewezen in de vergelding of veroordeling (zie Mattheus 11:22, 24 Lukas 12:47, 48 Johannes 19:11). Geheel in overeenstemming met het bovenstaande, beschrijft ons Paulus in 2 Thessalonicenzen 2:8 het oordeel over de antichrist. Hiermee is nu het wezen van het beest voor altoos vernietigd en van de aarde gedaan. De wereldrijken, in hun tot hiertoe bestaan hebbenden vorm, zijn vernietigd. Het wezen van de wereld neemt een geheel verschillend karakter aan. In plaats van de heerschappij van het beest vestigt zich het Koninkrijk van God, het rijk van de Mensenzoon en Zijn heiligen. Het leger van de antichrist zou geheel verslagen worden, niet door kracht en geweld van het leger van de Kerk, maar door de kracht van de Heere Jezus, die hen misschien met hagelstenen zou verpletteren en aan Zijn volk bevel zou geven, om hen allen te doden en hun lichamen onbegraven te laten liggen, opdat de vogels zich met de gedoden verzadigen zouden. Dat is het einde van het pausdom en van de mens der zonde, de zoon des verderfs.
Het laatste uur genaakt. Alle tekenen getuigen het. De hemel roept: morgen onweer! want hij is bloedig rood. De Mozessen en Elia's, die dan leven, verkondigen het met luider stem en vermanen de ongelovigen en onbekeerden om de nu toekomende toorn van het Lam te ontvluchten. Ook de uitwendige natuur wordt hevig bewogen en geschud en geeft, evenals de dierlijke schepping vóór het uitbarsten van een zwaar onweer, door in- en uitwendige trillingen en schokken haar angst voor het naderend ontzaglijk tijdsgewricht te kennen. Zij zucht nu meer dan ooit met opgestoken hoofd! Intussen bereiden ook de beide rijken, die de aarde onder zich verdelen, zich tot de strijd. Aan de ene zijde staat het rijk van God. Het is nu vergroot met onderdanen uit alle volken en natiën, van alle talen en tongen. Want aan alle volken zonder onderscheid is het Evangelie gepredikt, hun tot een getuigenis. Aan heidenen zowel als aan Joden is gelegenheid gegeven om zich onder de banier van het heil te schaar. Velen daaronder, velen uit Israël, hebben dan ook aan die roeping voldaan. Wel hebben zich ook reeds vroeger sommigen uit de schoot van het Jodendom losgerukt om genezing en heil aan de voeten van hun Messias te zoeken; maar tot dusverre was de bekering slechts persoonlijk; niet algemeen, niet nationaal. Nu echter, nadat de volheid van de heidenen is ingegaan, wordt ook Israël zalig; Israël bekeert zich als natie tot de Heere. Zo ontwikkelt zich het Godsrijk op een voorbeeldeloos voorspoedige wijze en staat het daar in de lentebloei van de bruid, die haar bruidegom verwacht! Aan de andere zijde staat het rijk van de duisternis. Ook daar grijpt een steeds toenemende ontwikkeling plaats. Het voorname middel daartoe is de verschijning van een nieuw optredende macht, die zich als het hoofdwerktuig van de koning van het rijk van de duisternis, van de satan doet kennen en door zijn valse profeten ondersteund en door het vleselijk en onbekeerlijk Jodendom erkend, gediend en geholpen, zich tegen de Messias en God met ongehoorde vermetelheid ten strijde gordt. Hij vormt een algemeen aantrekkingspunt voor alle beginselen en krachten, die God en Zijn Gezalfde weerstaan. Wel bestonden die beginselen en krachten reeds vroeger en zweefden zij als verspreide donderwolkjes aan een hete en benauwde zomerlucht aan de hemel van de mensheid om; maar nu verenigen zich al die onheilspellende voortekens tot een gesloten geheel en vormen nu een zwarte donderwolk, die de hele hemel overdekt en van uit haar onheilzwangere schoot het rijk van de Christen bedreigt. De profetische voorlopers van de valse Christus, de Simons en Bar-cochba's van vroeger dagen, worden nu door de eigenlijke antichrist vervangen. Rondom hem schaart zich alles wat zich tegen God en de heerschappij van Zijn Zoon verheft. Het hoofd van de opstand telt zijn benden, ordent zijn aanval en brengt zijn legerschaar te veld. Het strijdperk is de omtrek van Jeruzalem. De strijd vangt aan met de vernietiging van Babel, het vleselijk en afvallig Jodendom. Het lied wordt gehoord: zij is gevallen, het grote Babylon. Nu deze eerste overwinning, die te gering scheen voor de persoonlijke tussenkomst van de Messias zelf uit de hemel om de begonnen strijd voort te zetten en te voleindigen. Hij verschijnt, die genoemd wordt Getrouw en Waarachtig en die oordeelt en strijd voert in gerechtigheid. Hij verschijnt op Zijn wit strijdsros gezeten, met het in het bloed geverfde kleed van de uit de strijd komende overwinnaars, met een gordel omgord, waarop geschreven staat: Koning der koningen en Heere der heren, met de koninklijke tulband op zijn hoofd en met het scherp zwaard uitgaande uit Zijn mond, waarmee Hij Zijn vijanden slaan zal: Zijn enig wapen is de adem van de mond! Hem volgt Zijn leger, deels engelen, deels eerstelingen uit de mensen, ook op witte paarden gezeten, maar in plaats van met het bloedrood gewaad met witte kleren bekleed. In hun hand, in hun mond is geen wapen, ook wordt van hen geen eigenlijke strijd gevergd: Christus is Zichzelf genoeg: zij komen alleen om getuigen van Zijn strijd te zijn en door hun tegenwoordigheid de luister van Zijn zegepraal te verhogen! De strijd gaat aan. Reeds eer nog die strijd begonnen is, worden de arenden uitgenodigd om het aas van de verslagenen te eten: een teken van de zekerheid van de overwinning. Eén slag en de strijd is beslist. De antichrist, zowel als Zijn dienaar, het valse profetendom wordt verslagen en ten verderve overgegeven. Het zwaard van de overwinnaars weidt in het bloed van de overwonnenen. Het vratig en nooit verzadigd roofgedierte wordt verzadigd met hun vlees. Nu blijft nog slechts één tegenstander van de Christus over: de grootste, de machtigste, de satan, de draak, die de hele wereld verleidt. Het uur evenwel van zijn oordeel is nog niet. Hij wordt slechts gegrepen, gebonden en in een afzonderlijke kerker voor een nader oordeel bewaard. Intussen is de Messias-heerschappij op aarde begonnen. Op deze aarde staat de troon van de Messias, omgeven door de tronen van hen, die, met Hem overwonnen hebbend, nu als koningen met Hem heersen. Ten dele zijn het heiligen uit de hoogte, die vroeger reeds bij Zijn komst in Zijn gevolg werden gezien, ten dele zijn het de pas gezaligde martelaars, die door Hem vooraf uit de doden zijn opgewekt. Immers de verschijning van de Messias op aarde gaat met een opstanding gepaard; het is nog wel de algemene opstanding niet, die later volgen zal, maar het is van de opstanding nochtans het voorteken. Het is de opstanding van de uitverkorenen: de vroegrijpe eerstelingen van de hemelse oogst. Men heeft het tijdperk, dat van de komst van de Messias op aarde tot aan Zijn volkomen zegepraal en de verschijning van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, terecht met het tussentijdperk vergeleken, dat tussen de eigen opstanding en de hemelvaart van de Heere verliep. Hier toch evenals daar is alles overgang, voorbereiding, toerusting: iets heerlijks in zichzelf en in vergelijking met hetgeen geweest is en toch iets, dat gevolgd staat te worden door die nog eindeloos heerlijker zullen zijn. Maar zo ontbreekt dan ook aan deze vergelijking het wonder van de opstanding niet, waarmee het veertigdaagse tussentijdperk in het leven van de Heere aanving. Eerst hief het Hoofd Zich op uit het graf, nu volgen reeds de meer verheven leden en voorspellen het ogenblik, waarop het hele lichaam volgen zal! Van dat tussentijdperk wordt ons niets of bijna niets gemeld. Het zijn duizend jaren van rust; duizend jaren evenwel, die de gelukkigen koningen en priesters als een enkele dag wezen zal. Een hemelse sabbatdag van verademing en vrede tussen de strijd, die geweest is en de strijd, die komt. De vóór sabbat van de eeuwige rust! In die gelukkige tijd openbaart zich de heerlijkheid van het Christendom aanvankelijk ook in zichtbare gestalte. De hele aarde wordt één Thabor, waarop de Gemeente van Christus als voorbode van haar toekomstige heerlijkheid bij aanvang verheerlijkt wordt. Met die verheerlijking van haar bewoners gaat de aanvankelijke verheerlijking van de aarde gepaard. Het zuchtend schepsel, dat Zijn koning in Zijn val heeft moeten volgen en de gevolgen daarvan delen, begint zich met zijn Koning vanuit die val op te richten en proeft ook een voorspraak van de algemene verlossing. De storende en schadelijke krachten van de natuur worden in haar werking gefnuikt (Hosea 2:17 Jesaja 65:25). De sluimerende kiemen van een bekende of nog onbekende schoonheid en vruchtbaarheid van de aarde worden opgewekt (Hosea 2:20, 21; 14:6-8 Jesaja 55:12, 13). Vooral ook Palestina handhaaft in dit opzicht haar roem. Het idealisch tafereel van de goddelijke dichters verkrijgt waarheid en leven, houdt op een ideaal te zijn.
De Herder zal verbaasd in dorre wildernissen De lelie bloeien zien uit klip en waterlissen en horen onverwacht in het schraal en dorstend zand Een springbron ruisen, die de groei voert op het land. De rotskloof, het gruwbre nest van de schuifelende draken Zal gras en rietscheut voên en het koelend windjen smaken; Dan maakt de distel plaats voor myrth en eedlen pijn en palm en cederboom dekt heide- en zandwoestijn. De beuk en fiere de zal hei en doornestruiken Vervangen en de olijf uit scheerling zaad ontluiken. Het lam zal met de wolf verkeren als gespeel; De luipaard naast het kalf zich vleien in het gareel; De leeuw zal zich op het stro aan `s runders kreb vergasten; Geen beer, geen tijger taalt om het geitjen aan te tasten. Het pas gespeende rund drijft panters naar de vloed; En de ander lekt in het gras van de moede wandlaars voet. De zoogling strijkt de huid van de schubbige aspisslangen, En durft de basilisk in het kindervuistje prangen; Steekt lachende de hand in leeuw- en drakenmuil en kruipt bij het wriemlend broed in d' open addren kuil.