Mattheus 22:15-22
Het was niet het minst pijnlijke in het lijden van Christus, dat Hij het tegenspreken van de zondaren tegen zich heeft verdragen, dat Hem strikken gespannen werden door hen, die Hem onder enig voorwendsel uit den weg zochten te ruimen. In deze verzen zien wij Hem aangevallen door de Farizeeën en Herodianen met ene vraag, betreffende het betalen van schatting aan den keizer. Merk hierbij op:
I. Wat het doel was, dat zij zich voorstelden: Zij hielden tezamen raad, hoe zij Hem verstrikken zouden in Zijne rede. Totnutoe had Hij deze vijandelijke ontmoetingen meestal gehad met de overpriesters en de ouderlingen, mannen, die met gezag waren bekleed en meer steunden op hun macht dan op hun beleid, en Hem vroegen naar Zijne opdracht, Hoofdstuk 21:13, maar nu komt de aanval van een anderen kant. De Farizeeën zullen eens beproeven of zij Hem niet kunnen bekampen door hun geleerdheid in de wet en in casuïstische godgeleerdheid, en nu hebben zij een nieuwe proefneming met Hem verzonnen. Het is voor de besten en de verstandigsten der mensen tevergeefs te denken, dat zij door hun verstand, of invloed of naarstigheid, of zelfs door hun onschuld en oprechtheid aan den haat en de kwaadwilligheid van slechte mensen kunnen ontkomen, of zich kunnen beschutten tegen den gesel der tong. Zie hoe onvermoeid de vijanden van Christus en van Zijn koninkrijk zijn in hun tegenstand!
1. Zij hielden tezamen raad. Er was van Hem voorzegd, dat de vorsten tegen Hem tezamen zullen beraadslagen, Psalm 2:2, en aldus hebben zij de profeten vervolgd. Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken, Jeremia 18:18, 20:10. Hoe meer beraadslaging er is over zonde, hoe erger zij is. Er is een bijzonder wee voor hen, die de ongerechtigheid bedenken. Hoe meer goddeloos vernuft er is in het bedenken van ene zonde, hoe meer boosheid van wil er is in de uitvoering er van.
2. Wat zij beoogden was: Hem te verstrikken in Zijne rede. Zij zagen, dat Hij vrijmoedig en open Zijn gevoelen zei, en daarom hoopten zij Hem op het een of ander tere vraagstuk te kunnen vangen. Het was de oude list van Satans handlangers, om iemand in woorden te doen struikelen, een woord, dat verkeerd gezegd of verkeerd begrepen, of verkeerd uitgelegd werd, een woord, dat, hoewel onschuldig bedoeld, door een verkeerde uitlegging een gans anderen zin kreeg. Aldus leggen zij strikken voor hem, die hen bestraft in de poort, Jesaja 29:21, en stellen de grootste leraars als de grootste beroerders van Israël voor. Aldus bedenkt de goddeloze listige aanslagen tegen den rechtvaardige, Psalm 37:12, 13. Er zijn twee middelen, waardoor de vijanden van Christus zich op Hem kunnen wreken en zich van Hem kunnen ontdoen: door de wet of door geweld. Door de wet konden zij het niet, tenzij zij Hem strafbaar kunnen maken bij de burgerlijke overheid, want het was hun niet geoorloofd iemand te doden, Johannes 18:31, en de Romeinse machten waren niet genegen zich te bemoeien in een geschil over een woord, en namen en over de wet, Handelingen 18:15. Door geweld konden zij het ook niet, tenzij zij Hem gehaat konden maken bij het volk, die altijd de handen waren, wie anders ook de hoofden mochten zijn, bij zulke daden van geweld, dat zij het slaan der rebellen noemden. Maar het volk hield Christus voor een profeet, en daarom konden Zijne vijanden het volk niet tegen Hem ophitsen. Nu was het plan (want vanouds was de slang arglistiger dan al het gedierte des velds) Hem in zulk een dilemma te brengen, dat Hij zich of het misnoegen van de Joodse scharen, of dat van de Romeinse overheid op den hals moest halen. Welke zijde Hij ook kiest, Hij zal zich in de uiterste verlegenheid moeten brengen, en zo zullen zij dan hun doel bereiken, en maken dat Zijn eigen woorden Hem in het verderf storten. II. De vraag, die zij Hem met dit doel voorleggen, vers 16, 17. Deze ongerechtigheid in het verborgen bedacht hebbende, gingen zij nu onverwijld tot de uitvoering over. Let op:
1. De personen, die zij gebruiken. Zij gingen niet zelf, opdat er geen vermoeden zou zijn van hetgeen zij bedoelden, en Christus dus te meer op Zijne hoede zou zijn, maar zij zonden hun discipelen, die er minder als verleiders of verzoekers zouden uitzien, en meer als personen, die willen leren. Slechte mensen zullen nooit verlegen zijn om slechte werktuigen, die zij gebruiken om hun boze raadslagen te volvoeren. Farizeeën hebben discipelen ter hunner beschikking, die alle boodschappen voor hen willen doen, en zeggen zullen wat hun door hen wordt voorgezegd. En dit hebben zij op het oog, als zij zo ijverig zijn om proselieten te maken. Met hen zonden zij de Herodianen, ene partij onder de Joden, die een algehele onderwerping aan den Romeinsen keizer voorstonden, en aan Herodes, zijn stedehouder, en er zich op toelegden om het volk met dat bestuur te ver- zoenen, en iedereen aanspoorden hun schatting te betalen. Sommigen denken, dat zij de inzamelaars waren van de grondbelasting, zoals de tollenaren het waren van de in- en uitgaande rechten, en dat zij met de Farizeeën tot Christus gingen onder voorgeven, dat terwijl de Herodianen de schatting eisten, en de Farizeeën haar weigerden, zij nu beiden bereid waren om de zaak voor Christus te brengen, als den geschikten scheidsman om hierin uitspraak te doen, en aldus den twist te beslechten. Herodes, door de handvest zijner soevereiniteit verplicht zijnde om zorg te dragen, dat de schatting betaald werd, hebben deze Herodianen hem hierin bijgestaan, en er toe bijgedragen om hem bij zijn voorname vrienden te Rome gezien en bemind te maken. De Farizeeën daarentegen ijverden voor de vrijheid der Joden, en deden alles wat zij konden, om hen tegen het Romeinse bewind op te zetten. Nam Hij nu de betaling der schatting in bescherming, dan zouden de Farizeeën de woede des volks tegen Hem gaande maken, keurde Hij haar echter af, dan zouden de Herodianen den toorn der regering tegen Hem opwekken. Het is iets gans gewoons, dat zij, die elkaar tegenstaan, tezamen Christus en Zijn koninkrijk tegenstaan. Simsons vossen zagen naar tegenovergestelden kant, maar ontmoetten zich in een brandende fakkel. Zie Psalm 83:4, 6, 8, 9. Indien zij nu eenstemmig zijn in hun tegenstaan van het Evangelie, behoorden wij het dan niet te wezen in de handhaving er van?
2. De schoonschijnende inleiding tot hun vraag. Zij klonk zeer vleiend voor onzen Zaligmaker, vers 16. Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en den weg Gods in der waarheid leert. Het is iets zeer gewoons, dat de hatelijkste plannen en bedoelingen onder de schoonschijnendste voorwendsels bedekt worden. Indien zij met de oprechtste bedoeling tot Christus waren gekomen met ene vraag van het ernstigste aanbelang, zij zouden zich niet beter hebben kunnen uitdrukken. Hier is haat bedekt door bedrog, en een boos hart met schuim van zilver, Prediker 26:23, 26, zoals Judas, die kuste en verried, zoals Joab, die kuste en doodde. Wat zij nu zeiden van Christus, was waar, en hetzij zij dit al of niet wisten, geloofd zij God, wij weten het. Dat Jezus Christus een waarachtig leraar is. Gij zijt waarachtig, en leert den weg Gods in der waarheid. Wat Hem zelven betreft, Hij is waar, de Amen, de getrouwe Getuige, Hij is de waarheid zelf. Wat betreft Zijne leer, het onderwerp van Zijn onderwijs was de weg Gods, de weg, waarin God wil, dat wij zullen wandelen, de weg des plichts, die leidt naar geluk en zaligheid, dat is de weg Gods. De wijze van Zijn onderwijs was in der waarheid, Hij toonde het volk den rechten weg, den weg, waarop zij gaan moeten. Hij was een bekwaam leraar, en kende den weg Gods, en een getrouw leraar, die ons dien weg gewis zal doen kennen, Zie Prediker 8:6-9. Dat is de eigenschap van een goed leraar, de waarheid te prediken, de volle waarheid, en niets dan de waarheid, en generlei waarheid achterwege te houden, te verdraaien of te vervalsen, hetzij uit gunstbejag of uit genegenheid, uit haat of uit liefde, uit ene begeerte om mensen te behagen of uit vreze van hen te mishagen. Dat Hij een vrijmoedig bestraffer was. In Zijne prediking vroeg Hij naar niemand. Hij hechtte geen waarde aan der mensen goedkeuring of afkeuring, Hij vleide noch vreesde de groten der aarde, en evenmin de grote menigte, want Hij zag den persoon des mensen niet aan. In Zijn Evangelisch oordeel heeft Hij niemands aangezicht gekend. Deze Leeuw uit den stam van Juda is voor niemand wedergekeerd, Prediker 30:30, keerde zich geen enkelen stap af van de waarheid of van Zijn werk uit vreze voor de geduchtsten. Hij bestraft met rechtmatigheid, Jesaja 11:4, en nooit met partijdigheid. Hoewel nu hetgeen zij zeiden waar was ten opzichte van de zaak, was er ten opzichte van hun bedoeling niets dan vleierij en verraad in. Zij noemden Hem Meester, terwijl zij bedenken Hem als den ergsten boosdoener te behandelen. Zij wendden eerbied voor Hem voor, terwijl zij kwaad tegen Hem voor hebben, en zij beledigden Zijne wijsheid als mens, en nog veel meer Zijne alwetendheid als God, waarvan Hij hun zo dikwijls de onweerlegbare bewijzen had gegeven, toen zij zich inbeelden Hem te kunnen bedriegen met deze valse voorwendsels, en dat Hij ze niet doorzag. Het is het grofste atheïsme, dat is: de grootste dwaasheid ter wereld, te denken dat men Christus, die het hart doorgrondt. kan bedriegen of misleiden, Openbaring 2:23. Zij, die God bespotten, bedriegen slechts zich zelven, Galaten 6:7.
3. De voorstelling der zaak. Wat dunkt u? Alsof zij gezegd hadden: Velen zijn hieromtrent van een verschillend gevoelen, het is ene zaak van de praktijk, en die dagelijks voorkomt, zeg ons vrij uwe gedachten hierover: Is het geoorloofd den keizer schatting te geven of niet? Hierin nu ligt nog een andere vraag opgesloten, en wel deze: Heeft de keizer het recht haar te eisen? Het volk der Joden was ongeveer honderd jaren tevoren door de Romeinse wapenen overwonnen en ten onder gebracht, en, evenals andere natiën, die aan het Romeinse juk waren onderworpen, waren zij een wingewest van het rijk geworden. Dientengevolge werden tol, schatting en accijns van hen geëist, en soms ook hoofdgeld. Hieruit bleek, dat de scepter van Juda was geweken, Genesis 49:10. Indien zij nu de tekenen der tijden hadden verstaan, dan hadden zij tot de gevolgtrekking moeten komen, dat de Silo was gekomen, en dat of Hij het was, of dat zij naar een anderen hadden uit te zien. De vraag nu was, of het geoorloofd was om deze belastingen vrijwillig op te brengen, of wel: Zouden zij niet moeten aandringen op de aloude vrijheid van hun volk en dus liever dwangmaatregelen op zich laten toepassen? De grond tot hun twijfel was, dat zij Abrahams zaad zijn, en zich dus niet gewillig aan iemand dienstbaar moesten maken, Johannes 8:33. God had hun ene wet gegeven, dat zij geen vreemden man over zich moesten stellen. Lag hierin niet opgesloten, dat zij zich aan geen vorst, staat- of machthebber gewillig behoorden te onderwerpen, als die niet van hun eigen volk en Godsdienst was? Dat was een oude vergissing, voortkomende uit die hovaardigheid en hoogheid des geestes, die voor de verbreking is en voor den val. Jeremia heeft in zijn tijd, hoewel hij sprak in den naam van God, hen niet kunnen afbrengen van dit denkbeeld, en hen er niet toe kunnen bewegen, om zich aan den koning van Babel te onderwerpen, en toen is hun hardnekkigheid en hun verzet hun verderf geweest, Jeremia 27:12, 13. En nu zijn zij over diezelfden steen gestruikeld, en het was volkomen hetzelfde, waardoor enige jaren later de algehele verwoesting door de Romeinen over hen is gekomen. Zij waren ganselijk in dwaling omtrent den zin, zowel van het voorschrift als van het voorrecht, en onder schijn van Gods woord streden zij met Zijne voorzienigheid, toen zij de roede hadden behoren te kussen, en de straf voor hun ongerechtigheid hadden behoren aan te nemen. Maar zij hoopten dan door deze vraag Christus te verstrikken, en op welke wijze Hij ook antwoordde, Hem bloot te stellen of aan de woede der ijverzuchtige Joden, of aan die der ijverzuchtige Romeinen. Zij waren gereed te triomferen, zoals Farao over Israël, toen hij zei dat de woestijn hen heeft besloten, en Zijne leer zou dan verklaard worden of schadelijk te zijn voor de rechten der kerk, of gevaarlijk voor land en koning. III. Het verbreken van dezen strik door de wijsheid van den Heere Jezus.
1. Hij ontdekte hem, vers 18. Hij bekende hun boosheid, want: Zeker, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte, Prediker 1:17. Ene verzoeking, die bespeurd wordt, is reeds half overwonnen, want ons grootste gevaar dreigt van adders onder het gras, en Hij zei: Gij geveinsden, wat verzoekt gij Mij? Welk mom de geveinsde ook voordoet, de Heere Jezus doorziet het. Hij bemerkt al de boosheid, die in het hart der geveinsden is, en kan hen er gemakkelijk van overtuigen, en haar hun ordelijk voorstellen. Hij kan door gene vleierij of valse voorgevens bedrogen worden, zoals wij dit maar al te gemakkelijk kunnen. Hij, die het hart doorgrondt, kan de geveinsden bij hun eigen naam noemen, zoals Ahia de vrouw van Jerobeam: Waarom stelt gij u dus vreemd aan? Gij geveinsden, wat verzoekt gij Mij? Geveinsden verzoeken Jezus Christus, zij beproeven Zijne kennis, of Hij hen door hun vermomming heen kan herkennen, zij beproeven Zijne heiligheid en waarheid, of Hij hen in Zijne kerk zal toelaten, maar indien zij, die vanouds Christus verzocht hebben, toen Hij nog slechts duister geopenbaard was, van de slangen werden vernield, hoeveel te zwaarder straf zullen zij waardig geacht worden, die Hem thans, temidden van het licht en de liefde des Evangelies verzoeken! Zij, die het wagen Christus te verzoeken, zullen gewis bevinden, dat dit te zwaar en moeilijk voor hen is, dat Hij te doordringend van ogen is om niet te zien, en te rein van ogen is om niet te haten de vermomde boosheid der geveinsden.
2. Hij vermeed dien strik. Zijn aan het licht brengen van hun geveinsdheid zou hun wel tot antwoord kunnen dienen, (want zulke listige, boosaardige vragen verdienen bestraffing, maar geen antwoord) maar onze Heere Jezus gaf toch een volledig antwoord op hun vraag, en leidde dat antwoord in met een argument, krachtig genoeg om het te ondersteunen, en aldus ook een regel te stellen voor Zijne kerk in deze zaak. ten einde ergernis te vermijden.
a. Hij noodzaakte hen, eer zij het wisten, des keizers gezag over hen te erkennen, vers 19, 20. Als wij met vittende twistzoekers te doen hebben, dan is het goed om onze redenen te geven voor ons gevoelen en, zo mogelijk, redenen van erkende juistheid, eer wij dat gevoelen zelf uitspreken. Aldus kan het blijkbare der waarheid de tegensprekers als bij verrassing tot zwijgen brengen, terwijl zij slechts op hun hoede waren tegen de waarheid zelf, en niet tegen de reden er van. Toont mij den schattingpenning. Zelf bezat Hij er geen om hen er mede te overtuigen, Hij schijnt geen enkel geldstuk bij zich gehad te hebben, want om onzentwil heeft Hij zich ontledigd en is Hij arm geworden. Hij verachtte den rijkdom dezer wereld, en daarmee heeft Hij ons geleerd hem niet te overschatten. Zilver en goud had Hij niet, waarom zouden wij dan begeren ons te belasten met dit zware klei? De Romeinen eisten hun schatting in hun eigen munt, die toen gangbaar was onder de Joden, en daarom de schattingpenning genoemd wordt. Toont Mij den schattingpenning. Hij zegt niet van welke waardij die penning moet zijn, om aan te tonen dat Hij zich daarom niet bekommerde, zijn hart was op betere dingen gericht, namelijk op het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en daarop moet ook ons hart gericht zijn. Zij brachten Hem nu een Romeinsen zilveren penning ter waarde van ongeveer f 0.37« van ons geld, het muntstuk, dat toen het meest algemeen in gebruik was. Het droeg den beeldenaar en het randschrift des keizers, als teken der echtheid en waardij, welk gebruik door de meeste volken is aangenomen om den omloop van het geld te vergemakkelijken. Het slaan van munt is altijd beschouwd als behorende tot het prerogatief der kroon, een koninklijk voorrecht, behorende tot de soevereine macht, en het toelaten daarvan als de wettige, gangbare munt in een land is een stilzwijgend gevolg van de onderwerping aan die macht, en ene erkenning er van in geldelijke aangelegenheden. Hoe gelukkig is onze staatsregeling, en hoe gelukkig zijn wij, die in een land wonen, waar de munt wel het beeld en opschrift des soevereins draagt, maar toch het eigendom is van den onderdaan, onder de bescherming der wetten, zodat wij hetgeen wij hebben het onze kunnen noemen! Christus vroeg hun: Wiens is dit beeld? Zij erkenden, dat het des keizers was, en hiermede overtuigden zij hen van leugen, die zeiden: Wij hebben nooit iemand gediend, en bevestigden wat zij naderhand hebben gezegd: Wij hebben geen koning dan den keizer. Het is een regel in den Joodsen Talmud, dat Hij de koning is van een land, wiens munt in dat land gangbaar is. Sommigen denken, dat het opschrift op deze munt een gedenkschrift was van de verovering van Judea door de Romeinen, -anno post captam Judoeam - het jaar na de verovering van Judea, en dat zij ook dit erkenden.
b. Daaruit leidde Hij af, dat het geoorloofd was den keizer schatting te geven, vers 21, Geeft dan den keizer terug dat des keizers is. Niet: geeft het hem, zoals zij het hadden uitgedrukt, vers 14, maar Geeft het terug. Indien de keizer de beurzen vult, zo laat den keizer er over gebieden. Het is nu te laat om te twisten over het betalen van schatting aan den keizer, want gij zijt een wingewest van het rijk geworden, en is eens die betrekking of verhouding erkend, dan moeten de plichten er van vervuld worden. Geeft ieder wat hem toekomt, en inzonderheid schatting dien gij de schatting schuldig zijt. Door dit antwoord nu werd gene ergernis gegeven. Het was zeer tot eer van Christus en Zijne leer, dat Hij in zaken van dien aard niet als rechter of scheidsman optrad, maar die liet zoals Hij ze vond, want Zijn koninkrijk is niet van deze wereld, en hierin heeft Hij een voorbeeld gegeven aan Zijne dienstknechten, die met heilige zaken te doen hebben, om zich niet te mengen in zaken van wereldlijk aanbelang, zich niet al te zeer in de geschillen hierover te verdiepen, maar dit over te laten aan hen, wier werk en roeping dit is. Leraren, die op hun eigen zaken acht geven en hun Meester willen behagen, moeten zich niet laten inwikkelen in de zaken dezes levens, zij verbeuren de leiding van Gods Geest, wanneer zij aldus uit hun weg gaan. Christus redeneert niet over de rechten en aanspraken des keizers, maar gebiedt een vreedzame onderwerping aan de gestelde machten. De regering had dus geen reden van misnoegen over Zijne beslissing, maar wel om Hem te danken, want hierdoor zal het gezag des keizers worden versterkt bij het volk, dat Hem voor een profeet hield. Maar zo verregaand was de onbeschaamdheid Zijner vervolgers, dat zij, hoewel Hij hun uitdrukkelijk geboden had den keizer te geven wat des keizers is, Hem van juist het tegenovergestelde beschuldigden, namelijk dat Hij verbood den keizer schatting te geven, Lukas 23:2. Wat het volk betreft, de Farizeeën konden Hem bij hen niet beschuldigen, want zij zelven hadden, eer zij er op verdacht waren, de hoofdstelling toegegeven, en konden dus niet aan de gevolgtrekking ontkomen. Hoewel de waarheid geen bedrieglijke verberging zoekt, heeft zij soms toch voorzichtigheid nodig in de voorstelling er van, ten einde te voorkomen, dat er ergernis uit genomen wordt. Zijne tegenstanders werden bestraft.
Ten eerste. Sommigen van hen zouden gewild hebben, dat Hij het geven van schatting aan den keizer ongeoorloofd had verklaard, ten einde een voorwendsel te hebben om hun geld te sparen. Aldus verontschuldigen velen zich van te doen wat zij moeten doen, door de vraag op te werpen of zij het wel mogen doen.
Ten tweede. Allen onthielden zij aan God wat Hem toekwam, en worden deswege bestraft, terwijl zij ijdellijk twistten over hun burgerlijke vrijheden, hadden zij het leven en de kracht van den Godsdienst verloren, en moesten zij herinnerd worden aan hun plicht jegens God door hun plicht jegens den keizer. c. Zijne discipelen werden onderricht en blijvende regelen werden gegeven voor de kerk.
Ten eerste. Dat de Christelijke Godsdienst niet vijandig is aan het burgerlijk bestuur, maar er integendeel vriendelijk jegens gezind is. Christus' koninkrijk komt niet in botsing en wil zich niet bemoeien met de koninkrijken der aarde ten opzichte van enigerlei zaak, die tot hun rechtsgebied behoort. Door Christus regeren de koningen.
Ten tweede. Het is de plicht van onderdanen, om aan de overheid te geven wat haar volgens de wetten des lands toekomt. De hoge overheid, die voor de openbare welvaart heeft te zorgen, alsmede voor de bescherming van den onderdaan en het bewaren van den vrede, heeft, in overweging daarvan, recht op een naar verhouding billijk aandeel van den algemenen rijkdom en de inkomsten der natie. Daarom betalen wij schattingen, want in diezelve zijn zij gedurig bezig, Romeinen 13:6, en het is ongetwijfeld een grotere zonde het gouvernement te bedriegen dan een particulier. Het is de constitutie, of landswet, die bepaalt wat des keizers is, maar als dat bepaald is, dan gebiedt Christus ons het hem te geven. Mijn rok is mijn rok door de menselijke wet, maar door de Goddelijke wet is hij een dief, die mij mijn rok ontneemt.
Ten derde. Als wij den keizer geven wat des keizers is, dan moeten wij ons daarbij herinneren om Gode te geven, wat Gods is. Is onze beurs des keizers, ons geweten is Gods. Hij heeft gezegd: Mijn Zoon geef Mij uw hart. Daarin moet Hij de eerste en voornaamste plaats hebben. Wij moeten Gode geven wat Gods is van onzen tijd en van onze bezittingen, daarvan moet Hij Zijn deel hebben, even goed als de keizer, en indien des keizers geboden in strijd zijn met Gods geboden, dan behoren wij Gode meer te gehoorzamen dan de mensen. Eindelijk: Merk op hoe zij door dit antwoord in verlegenheid werden gebracht. Zij verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan, vers 22. Zij verwonderden zich over Zijne schranderheid in het ontdekken en vermijden van een strik, dien zij zo listiglijk gelegd dachten te hebben. Christus is, en zal wezen, het wonder, niet slechts van Zijn geliefde vrienden, maar van Zijn in het nauw gebrachte en teleurgestelde vijanden. Men zou zo gedacht hebben, dat zij zich hadden verwonderd en Hem toen waren gevolgd, dat zij zich verwonderden en zich aan Hem onderwierpen, maar neen, zij verwonderden zich en verlieten Hem. Er zijn velen, in wier ogen Christus wonderlijk is, maar aan wie Hij toch niet dierbaar is. Zij bewonderen Zijne wijsheid, maar willen zich er niet door laten leiden, Zijne macht, maar willen er zich niet aan onderwerpen. Zij zijn weggegaan, als lieden, die zich schamen en een schandelijken aftocht moeten blazen. De list mislukt zijnde, ruimen zij het veld. Men wint er niets bij door met Christus te strijden.