Handelingen 23:6-11
Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen, maar uit alle die redt hem de Heere. Paulus erkende, dat hij de waarheid hiervan ervaren heeft in de vervolgingen, die hij onder de Heidenen had te verduren, 2 Timotheus 3:11, de Heere heeft mij uit alle verlost. En nu bevindt hij, dat Hij, die verlost heeft, nog verlost en zal verlossen. Hij, die hem in het vorige hoofdstuk verlost heeft uit het geweld des volks, verlost hem nu uit het geweld der ouderlingen.
I. Zijne eigene schranderheid en gevatheid kwam hem wel enigszins te stade, en heeft veel bijgedragen tot zijne ontkoming. Paulus' grootste ere, waaraan hij de meeste waarde hechtte, was, dat hij een Christen was, en een apostel van Christus, en alle andere ere heeft hij geminacht, als niets geacht, in vergelijking daarmee, hij achtte die drek te zijn, opdat hij Christus mocht gewinnen, en toch heeft hij het soms nodig gehad om ook van andere ere, die hij bezat, gebruik te maken, en dan heeft hem dit goeden dienst bewezen. Zijn Romeins burgerrecht heeft hem in het vorige hoofdstuk er voor behoed om door den overste als een landloper gegeseld te worden, en hier redt hem zijn farizeërschap om door het sanhedrin veroordeeld te worden als een afvallige van het geloof en de aanbidding van den God Israël's. Het is volstrekt niet in strijd met onze bereidwilligheid om voor Christus te lijden, om alle wettige middelen, ja zelfs kunstgrepen in het werk te stellen, beide om lijden te voorkomen, en om er ons uit te bevrijden. Het verstandig en eerlijk beleid, door Paulus hier aangewend ter zijner behoudenis, bestond in verdeling te brengen onder zijne rechters, hen tweedrachtig te maken, en, door de ene partij nog meer tegen hem te vertoornen, de tegenovergestelde partij voor zich te winnen.
1. De grote raad bestond uit Sadduceeën en Farizeeën, en Paulus bemerkte dit. Hij kende het karakter van veler hunner van den tijd af, dat hij onder hen geleefd heeft, en hij zag mannen onder hen, die hij kende als Sadduceeën, en anderen, van wie hij wist, dat zij Farizeeën waren, vers 6. Het ene deel was van de Sadduceeën, en het andere van de Farizeeën, en de beide partijen waren misschien van gelijke sterkte. Nu was er wel een zeer groot verschil onder hen, maar over het algemeen kwamen zij toch genoeg met elkaar overeen om te zamen de zaken van den raad af te doen. De Farizeeën waren blinde ijveraars voor de ceremoniën, niet alleen voor die, welke door God waren ingesteld, maar ook voor die, welke tot de inzettingen der ouden behoorden. Zij waren zeer gezet op het gezag der kerk, eisten gehoorzaamheid aan hare bevelen, hetgeen aanleiding gaf tot menige twist tussen hen en onzen Heere Jezus, maar tevens waren zij zeer rechtzinnig in het geloof der Joodse kerk betreffende de wereld der geesten, de opstanding der doden, en het leven in de toekomende wereld. De Sadduceeën waren Deïsten, gene vrienden der Schrift of der Goddelijke openbaring. Zij erkenden, dat in de boeken van Mozes ene goede geschiedenis en ene goede wet waren vervat, maar met de andere boeken des Ouden Testaments hadden zij zeer weinig op, Mattheus 22:23. Het bericht, dat hier omtrent de Sadduceeën gegeven wordt, is:
a. Dat zij de opstanding loochenden, niet slechts de herleving des lichaams, maar ook een toekomenden staat van beloning en straf. Zij hadden gene hoop op eeuwige gelukzaligheid, noch vrees voor eeuwige rampzaligheid, gene verwachting van iets aan gene zijde des doods, en het was naar die beginselen, dat zij zeiden: Het is te vergeefs God te dienen, en dat zij de hoogmoedigen gelukzalig achtten, Maleachi 3:14, 15. b. Dat zij het bestaan ontkenden van engelen en geesten, en geen ander bestaan erkenden, dan dat van de stof. Zij dachten zich God zelf als lichamelijk, dat Hij, evenals wij, een lichaam heeft met ledematen en geledingen. Als zij in het Oude Testament van engelen lazen, dan hielden zij die voor boden, door God gezonden om, naar het nodig was, Zijne boodschappen te volbrengen, of dat het indrukken waren, gewerkt op de verbeelding van hen, tot wie zij gezonden waren, maar gene werkelijk bestaande wezens, dat zij dit waren, of dat, alles veeleer dan wat zij waren. En wat betreft de zielen der mensen, zij beschouwden ze als niets anders dan het temperament, de gemoedsgesteldheid van het lichaam, of de levensgeesten, maar zij ontkenden het afzonderlijk bestaan der ziel in een staat van afscheiding van het lichaam, of dat er verschil is tussen de ziel van den mens en die van een dier. Dezen hebben er ongetwijfeld aanspraak op gemaakt vrijdenkers te zijn, maar in werkelijkheid was hun denken zo laag, ongerijmd en slaafs mogelijk. Het is vreemd, dat mannen van zo verdorvene, goddeloze beginselen in het ambt werden gesteld, lid konden wezen van het groot sanhedrin, maar velen van hen waren aanzienlijke en vermogende lieden, die zich voegden naar de openbare instellingen, en zo kwamen zij aan hun plaats en behielden haar. Maar over het algemeen werden zij als ketters gebrandmerkt, op gelijke lijn gesteld met de Epicuriërs, werd tegen hen gebeden, werden zij als uitgesloten beschouwd van het eeuwige leven. Witsius denkt, dat het gebed, door de hedendaagse Joden tegen de Christenen gebruikt, door Gamaliël, die het had opgesteld, bedoeld was tegen de Sadduceeën, en dat zij in hun gewone verwensing: Dat de naam der goddelozen verrotte, hen op het oog hadden. Maar hoe ontaard was de hoedanigheid, en hoe ellendig de toestand der Joodse kerk, als. zulke profane mannen onder hun regeerders geteld werden!
2. Ten opzichte nu van het verschil tussen de Farizeeën en de Sadduceeën verklaarde Paulus. zich openlijk voor de Farizeeën en tegen de Sadduceeën, vers 6. Hij riep, zodat hij door allen gehoord kon worden: "Ik ben een Farizeeër, werd als Farizeeër opgevoed, ja ik ben een geboren Farizeeër, want ik ben de zoon eens Farizeeërs, mijn vader is dit voor mij geweest, en in zo verre ben ik nog een Farizeeër, dat ik hoop op de opstanding der doden, en ik kan in waarheid zeggen, dat, indien de zaak recht begrepen werd, het zou blijken, dat het hierom is, dat ik word geoordeeld." Toen Christus op aarde was hebben de Farizeeën zich het meest tegen Hem gekant, omdat Hij getuigde tegen hun inzettingen en hun verdorvene uitlegging van de wet, maar na Zijne hemelvaart waren het de Sadduceeën, die zich het vijandigst hebben betoond jegens Zijne apostelen, omdat zij in Jezus de opstanding der doden verkondigden, Hoofdstuk 4:1, 2. En in Hoofdstuk 5:17 wordt gezegd, dat die van de sekte der Sadduceeën vervuld werden met nijdigheid tegen hen, omdat zij het leven en de onsterfelijkheid predikten, welke aan het licht gebracht zijn door het Evangelie. Hier nu belijdt Paulus een Farizeeër te zijn, in zo ver de Farizeeërs gelijk hadden. Hoewel hij, in zover het Farizeïsme vijandig was aan het Christendom, er zich tegen gesteld heeft, en tegen alle inzettingen, die in mededinging met de wet Gods ingevoerd werden, of in tegenspraak met de wet van Christus, heeft hij er zich voor verklaard, in zover het zich tegenover het Sadduceïsme stelde. Wij moeten van gene waarheid Gods slechte gedachten koesteren, noch schromen om haar te belijden, omdat zij voorgestaan wordt door mensen, die in andere opzichten verdorven zijn. Als de Farizeeën hopen op de opstanding der doden, dan gaat Paulus hierin met hen mede, is hij, of zij het willen of niet, een hunner. Hij kon in waarheid zeggen, dat hij, vervolgd zijnde als Christen, om die zaak, nl. de hoop en opstanding der doden, geoordeeld wordt. Hij wist misschien, dat de Sadduceeën, ofschoon zij op het gemene volk niet zoveel invloed hadden als de Farizeeën, toch heimelijk het grauw tegen hem hadden opgezet onder voorwendsel van zijn prediken onder de Heidenen, maar in werkelijkheid, omdat hij de hoop en de opstanding der doden had gepredikt, zoals hij zegt in Hoofdstuk 24:15, en Hoofdstuk 26:6, 7. Hoewel Paulus tegen de inzettingen der ouden predikte (zoals zijn Meester ook gedaan heeft) en hierin de Farizeeën tegenstond, heeft hij toch meer gewicht gehecht aan zijne prediking van de opstanding der doden en een toekomenden staat, waarin hij met de Farizeeën samen stemde.
3. Dit bracht verdeeldheid in den raad. Het is waarschijnlijk dat de hogepriester het met de Sadduceeën hield (zoals hij het ook vroeger met hen gehouden had, Hoofdstuk 5:17, en zoals hij dit ook getoond heeft in zijne woede tegen Paulus, vers 2) hetgeen de Farizeeën nog te meer deed ontstellen. Maar zo was het, er ontstond tweedracht tussen de Farizeeën en de Saduceën, vers 7. Want dit woord van Paulus maakte de Sadduceeën nog ijveriger in hun vervolging van hem, terwijl de ijver der Farizeeën er door afnam, zodat de menigte verdeeld werd -eschisthê -er was ene scheuring, een twist onder hen, en hun ijver begon van Paulus af en tegen elkaar gekeerd te worden. Zij konden nu ook niet voortgaan in hun handelen tegen hem, als zij tot gene overeenstemming onder elkaar konden komen. Zij konden hem niet vervolgen wegens het verbreken der eenheid van de kerk, als er zo weinig eenheid des geestes onder elkaar was. Al het geroep was tegen Paulus geweest, maar nu ontstond er een groot geroep tegen elkaar, vers 9, zo zeer had in dien tijd een geest van woede en geweld de overhand onder alle klassen der Joden, dat alles met gedruis en geraas geschiedde, en op zo onstuimige wijze legden zij hun ijver voor de grote beginselen van hun Godsdienst aan den dag, waarmee zij echter slechts zeer weinig gedaan kregen, want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet. Tegensprekers kunnen wèl door onpartijdig redeneren, maar nooit door een groot geroep, of geschreeuw overtuigd worden.
4. Hierop hebben de Farizeeën (Zou men het geloven?) Paulus' partij gekozen, vers 9. Zij streden - diemachonto -zij streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in dezen mens. Hij had zich betamelijk en eerbiedig gedragen in den tempel, had de diensten der kerk bijgewoond, en hoewel dit slechts nu en dan was, toonde het toch, dat hij er niet zulk een vijand van was als men hem had voorgesteld, hij had goed ter zijner verdediging gesproken, goede rekenschap van zich gegeven, en nu verklaarde hij zich rechtzinnig ten opzichte van de grote beginselen van den Godsdienst, zowel als nauwgezet in zijn wandel, daarom kunnen zij niet inzien, dat hij iets gedaan heeft des doods of der banden waardig. Ja, zij gaan nog verder.
"Indien een geest tot hem gesproken heeft of een engel betreffende Jezus, en hem geboden heeft te prediken wat hij predikt, behoren wij, ook al zijn wij niet zo overtuigd, dat wij hem geloven, toch gewaarschuwd te zijn om hem niet tegen te staan, opdat wij niet bevonden worden tegen God te strijden, zoals ook Gamaliël, die zelf een Farizeeër was, gezegd heeft, Hoofdstuk 5:39. Nu kunnen wij hier ter ere van het Evangelie opmerken, dat zelfs de tegenstanders er voor getuigd hebben, en soms werd door de kracht der waarheid de erkenning ontwrongen, niet slechts van het onschadelijke er van, maar ook van deszelfs voortreffelijkheid, zelfs aan hen, die het vervolgden. Pilatus vond gene schuld in Christus, hoewel hij Hem ter dood bracht, en Festus vond gene schuld in Paulus, hoewel hij hem gevangen liet blijven, en de Farizeeën hier achten het mogelijk, dat aan Paulus van den hemel ene opdracht is gezonden door een engel, om te doen wat hij deed, en toch schijnen zij, als ouderlingen, zich daarna met den hogepriester verenigd te hebben om hem te vervolgen, Hoofdstuk 24:1. Zij zondigden tegen de kennis, die zij niet slechts hadden, maar soms ook erkenden, gelijk Christus van hen gezegd heeft: Zij hebben ze (nl. de werken van Christus) gezien, en beiden Mij en Mijn Vader gehaat, Johannes 15:24. Maar toch willen wij hopen, dat sommigen van hen ten minste, voortaan ene betere mening van Paulus gehad hebben, dan zij tot nu toe gehad hebben, gunstiger jegens hem gezind waren, daar zij zulk een bevredigend bericht hadden ontvangen, zowel van zijn nauwgezetten levenswandel, als van zijn geloof betreffende ene toekomende wereld, en dan moet het ter hunner ere gezegd worden, dat hun ijver voor de inzettingen der ouden, waarvan Paulus was afgeweken, in zoverre verslonden was in ijver voor de grote, fundamentele leerstellingen van den Godsdienst, die Paulus was blijven aankleven, en zo hij zich van harte met hen wil verenigen tegen de Sadduceeën, en wil blijven vasthouden aan de hoop en de opstanding der doden, dan zullen zij zijn verlaten van de ceremoniële wet geen kwaad in hem vinden, maar in liefde hopen, dat hij wandelt naar het licht, dat God hem door een engel of een geest gegeven heeft, en wel verre van hem te willen vervolgen, zullen zij hem steunen en beschermen. De vervolgzieke Farizeeën in de Roomse kerk zijn niet van dien geest, want laat iemand nog zo oprecht en ijverig de artikelen des Christelijken geloofs zijn toegedaan, zo hij niet tevens het hoofd buigt voor het gezag der kerk, vinden zij genoeg kwaad in hem om hem ten dode toe te vervolgen.
II. Des oversten zorg en bemoeienis kwamen hem nog meer te stade, want toen hij dien twistappel onder de Farizeeën had geworpen (waardoor onderlinge strijd onder hen ontstaan was en een goed getuigenis van de Farizeeën voor hem was verkregen,) was hij toch nog geen stap verder gekomen, maar wèl in gevaar om door hen verscheurd te worden, de Farizeeën trokken hem naar de ene zijde om hem in vrijheid te stellen, en de Sadduceeën trokken hem naar de andere zijde om hem ter dood te brengen, of om hem voor het volk te werpen, zoals Daniël in den kuil der leeuwen, zodat de overste genoodzaakt was om met zijne soldaten aan te rukken en hem te bevrijden, zoals hij ook vroeger gedaan heeft, Hoofdstuk 21:32, en Hoofdstuk 22:24.
1. Zie hier het gevaar, waarin Paulus zich bevond: tussen zijne vrienden en zijne vijanden zou hij waarschijnlijk verscheurd zijn ge- worden. Aan zodanige geweldenarijen zijn diegenen onderhevig, die boven anderen uitmunten, merkwaardig geworden zijn, zoals Paulus, die door sommigen zo geliefd was, en door anderen zo mishandeld werd!
2. Zijne redding: de overste gebood, dat het krijgsvolk zou afkomen, en hem uit het midden van hen wegrukken, uit het vertrek van den tempel, waar hij den raad bevolen had bijeen te komen, en in de legerplaats brengen, in den toren van Antonia, want hij zag wel, dat hij van hen niets te weten zou komen omtrent de zaak.
III. Het meest van alles kwam hem de vertroosting Gods te stade. De overste had hem uit de handen van wrede mensen gered, maar hield hem toch gevangen, en hij wist niet wat het einde der zaak zou zijn. De legerplaats, of burcht, strekte hem wel tot bescherming, maar hij was er gevangen, en daar hij hem nu voor zo groot een dood bewaarde, zou hij er hem voor nog groter een dood in kunnen bewaren. Wij bevinden niet, dat iemand uit de apostelen of ouderlingen te Jeruzalem tot hem gekomen is, zij hebben er of geen moed toe gehad, of er gene vergunning toe verkregen. Paulus was misschien in den volgenden nacht vol van zorg over hetgeen er van hem worden zou, en dacht er wellicht over na, hoe zijne tegenwoordige benauwdheid tot iets goeds zou kunnen leiden. Toen heeft de Heere Jezus hem een vriendelijk bezoek gebracht, en hoewel het te middernacht was, was het toch zeer tijdig, vers 11. De Heere stond bij hem, kwam aan zijne legerstede, hoewel het misschien slechts een stro-leger was, om hem te tonen, dat Hij in werkelijkheid den gehelen dag hem nabij was geweest, even stellig en gewis, als Hij nu in den nacht zichtbaar bij hem stond. Wie ook tegen ons moge zijn, wij behoeven niet te vrezen zo de Heere slechts voor ons is, indien de Heere bij ons staat. Als Hij onze bescherming op zich neemt, kunnen wij hen, die ons verderf zoeken, wel tarten. De Heere is onder degenen, die mijne ziel ondersteunen, en dus kan niets verkeerd gaan.
1. Christus zegt hem goeden moed te hebben, "Heb goeden moed, Paulus, wees niet verslagen, laat hetgeen geschied is u niet bedroeven, en laat hetgeen nog voor u ligt u niet verschrikken." Het is de wil van Christus, dat Zijne getrouwe dienstknechten altijd goedsmoeds zullen zijn. Wellicht is Paulus, toen hij nadacht over het gebeurde in zorge geweest over zich zelven, vroeg hij zich af, of hij wèl gedaan heeft in hetgeen hij den vorigen dag tot den raad gezegd had, maar Christus geeft hem door Zijn woord de overtuiging, dat God zijn gedrag had goedgekeurd. Of wellicht heeft het hem ontroerd, dat zijne vrienden niet tot hem kwamen, maar Christus' bezoek zei reeds, al zou Hij het niet met woorden gezegd hebben: Heb goeden moed, Paulus.
2. Het is wel een vreemd argument, dat hij gebruikt om hen te bemoedigen. Gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt, alzo moet gij ook te Rome getuigen. Men zou zo denken, dat dit niet zeer troostrijk was, "Gelijk gij veel moeite en verdriet voor Mij geleden hebt, alzo zult gij nog veel meer lijden," en toch was dit bedoeld om hem te vertroosten, want hierin wordt hem te verstaan gegeven:
a. Dat hij in hetgeen hij tot nu toe geleden heeft Christus heeft gediend als getuige voor Hem. Het was niet om ene schuld of misdaad van hem, dat hij met vuisten werd geslagen, en het was niet zijn vroeger vervolgen van de gemeente, dat nu tegen hem gedacht wordt, hoewel hij zelf het wel tegen zich zelven kon herdenken, maar hij ging nog steeds voort met zijn arbeid.
b. Dat hij zijn getuigenis nog niet voleindigd heeft, noch dat hij door zijne gevangenschap nu als onnut ter zijde was gelegd, maar dat hij voor nog verderen dienst bewaard bleef. Door niets werd Paulus zo zeer ontmoedigd als door de gedachte, dat hij van zijn dienen van Christus weggenomen zou worden, dat hij geen goed meer zou kunnen doen aan de zielen der mensen.
Vrees niet zegt Christus, Ik heb nog niet afgedaan met u.
c. Paulus scheen ene bijzondere neiging (ene zeer onschuldige neiging) gehad te hebben om naar Rome te gaan en dáár het Evangelie te verkondigen, hoewel het er reeds gepredikt was, en er ene gemeente was geplant, maar, Romeins burger zijnde, verlangde hij ene reis daarheen te doen, en had er ook reeds het voornemen toe opgevat, Hoofdstuk 19:21. Nadat ik te Jeruzalem zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien. En enigen tijd geleden had hij aan de Romeinen geschreven, dat hij verlangde hen te zien, Romeinen 1:11. Nu was hij gereed te denken, dat hiermede zijn voornemen verijdeld was geworden, zodat hij Rome nooit zou zien, maar Christus zegt hem, dat zijn wens vervuld zal worden, daar hij er slechts de eer van Christus mede op het oog had, en goed wilde doen.