Johannes 15:18-25
Hier spreekt Christus over haat, die het kenmerk en de geest is van het rijk des duivels, gelijk liefde de geest en het kenmerk is van Christus' koninkrijk. Merk hier op:
I. Wie zij zijn, in wie deze haat wordt gevonden-de wereld, de kinderen dezer wereld, zoals zij onderscheiden zijn van de kinderen Gods, zij, die de belangen voorstaan van den god dezer wereld, wiens beeld zij dragen, en aan wiens macht zij onderworpen zijn, al diegenen, hetzij Joden of heidenen, die niet zullen komen in Christus' kerk, welke Hij op hoorbare wijze geroepen en zichtbaar van deze boze wereld heeft afgezonderd.
1. Hun aantal: zij waren ene wereld van mensen, die Christus en het Christendom tegenstonden. O Heere! hoe zijn de tegenstanders van den Zone David's vermenigvuldigd! Als wij ene stemming zouden uitlokken tussen Christus en Satan, dan vrees ik, dat Satan verreweg de meeste stemmen zou hebben.
2. Hun onderling verbond, deze talloze heirscharen zijn tot een lichaam verenigd, Psalm 83:6. Joden en heidenen, die nergens anders in konden overeenkomen, zijn overeengekomen om Christus' dienstknechten te vervolgen.
3. Hun geest en gezindheid, zij zijn lieden van de wereld, Psalm 17:13, 14, gans en al toegewijd aan deze wereld en hetgeen van deze wereld is, en nooit denkende aan een andere wereld. Aan het volk van God wordt geleerd de zonde der zondaren te haten, niet hun persoon, maar alle mensen lief te hebben en hun wel te doen. Een boosaardige, afgunstige geest is niet de geest van Christus, maar van de wereld.
II. Wie zij zijn, tegen wie deze haat gericht is-tegen de discipelen van Christus, tegen Christus zelven, en tegen den Vader.
1. De wereld haat de discipelen van Christus. De wereld haat u, vers 19, en Hij spreekt er van als van hetgeen zij moeten verwachten, waarop zij hebben te rekenen, vers 18 en 1 Johannes 3:13.
a. Let op hoe dit hier te pas wordt gebracht. Christus had de grote genegenheid geuit, die Hij voor hen had als vrienden, opdat zij nu echter hierdoor niet opgeblazen zouden worden, werd hun, evenals aan Paulus, een doorn in het vlees gegeven, dat is: gelijk het hier nader verklaard wordt: smaad en vervolging om Christus' wil, 2 Corinthiërs 12:7, 10. Hij had hun het werk aangewezen, maar Hij zegt hun welke moeilijkheden zij er bij ontmoeten zullen, opdat het hun niet als ene verrassing zal overvallen, en zij er zich op konden voorbereiden. Hij had hun geboden elkaar lief te hebben, en wèl was het hun nodig elkaar lief te hebben, want de wereld zal hen haten, vriendelijk te zijn voor elkaar, want zij zullen zeer veel onvriendelijkheid en kwaadwilligheid hebben te verduren van hen, die buiten zijn. "Houdt vrede onder elkaar, en dat zal u versterken tegen de twistingen der wereld tegen u". Zij, die zich in het midden van vijanden bevinden, hebben er het grootste belang bij om zich aan elkaar te houden.
b. Merk op wat hierin is opgesloten. De vijandschap der wereld tegen de volgelingen van Christus, zij haat hen. Wie door Christus gezegend worden, worden door de wereld vervloekt. De gunstgenoten en erfgenamen des hemels zijn nooit de lievelingen der wereld geweest, van dat er vijandschap gezet was tussen het Zaad der vrouw en het zaad der slang. Waarom heeft Kaïn Abel gehaat? Was het niet omdat zijne werken rechtvaardig waren? Ezau haatte Jakob om den zegen, Jozefs broeders haatten hem omdat zijn vader hem liefhad, Saul haatte David omdat de Heere met hem was, Achab haatte Micha om zijne profetieën: zodanig zijn de ongegronde oorzaken van den haat der wereld. De vruchten dezer vijandschap, waarvan hier twee genoemd worden, vers 20. Ten eerste. Zij zullen u vervolgen, omdat zij u haten, want haat is een onrustige hartstocht. Het is het gemene lot van hen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, dat zij vervolgd worden, 2 Timotheus 3:12. Christus voorzag welke mishandelingen Zijne gezanten zouden hebben te verduren in de wereld, en toch heeft Hij hen om den wille dier weinigen, die door hun bediening uit de wereld geroepen zullen worden. uitgezonden als schapen in het midden der wolven. Ten tweede. Een andere vrucht van hun vijandschap, die hierin ligt opgesloten, is, dat zij hun leer zullen verwerpen. Als Christus zegt: Indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren, dan bedoelt Hij: zij zullen het uwe niet meer bewaren of ter harte nemen dan zij het Mijne ter harte genomen en bewaard hebben. De predikers van het Evangelie kunnen het minachten hunner boodschap niet anders beschouwen dan als de grootste versmaadheid, die hun aangedaan kan worden, zoals het ook voor Jeremia de grootste versmaadheid is geweest, dat zij zeiden: "Laat ons niet luisteren naar enige zijner woorden! Jeremia 18:18. De redenen dier vijandschap. De wereld zal hen haten: Ten eerste, Omdat zij er niet toe behoren, vers 19:"Indien gij van de wereld waart, van haar geest waart en hare belangen voorstond, indien gij vleselijk en wereldsgezind waart, dan zou de wereld u als het hare liefhebben, maar, omdat gij uit de wereld geroepen zijt, haat zij u, en zal u altijd haten".
1. Wij moeten er ons niet over verwonderen, indien zij, die aan de wereld verkleefd zijn, als vrienden door haar worden geliefkoosd, de meeste mensen zegenen den gierigaard, Psalm 10:3. En evenmin moet het ons verwondering baren als zij, die van de wereld verlost zijn, door haar als hare vijanden worden mishandeld, als Israël uit Egypte is verlost, zullen de Egyptenaren hen vervolgen. De reden, waarom Christus' discipelen niet van deze wereld zijn, is niet, omdat zij zich door hun eigen wijsheid en kracht van de wereld hebben onderscheiden, maar omdat Christus hen van uit de wereld heeft uitverkoren, om hen zich af te zonderen, en dat is de reden, waarom de wereld hen haat, want:
a. De heerlijkheid, die uit kracht dezer verkiezing voor hen bestemd is, verheft hen boven de wereld, en maakt hen aldus tot voorwerpen van afgunst. De heiligen zullen de wereld oordelen, en de oprechten zullen heerschappij hebben, en daarom worden zij gehaat.
b. De genade, waarmee zij krachtens deze verkiezing begiftigd zijn, stelt hen tegenover de wereld, zij zwemmen tegen den stroom dezer wereld op, en zijn er ongelijkvormig aan, zij getuigen er tegen, en voegen zich niet naar hare denkwijze. Onder al de rampen, die hen door den haat der wereld zullen treffen, zal dit hen ondersteunen: dat zij gehaat worden, omdat zij de verkorenen zijn van den Heere Jezus, en niet van de wereld zijn. Nu was dit geen rechtvaardige reden, waarom de wereld hen moet haten. Als wij iets doen om ons hatelijk te maken, dan hebben wij reden om dit te betreuren, maar indien de mensen ons haten om hetgeen, waarvoor zij ons moesten liefhebben en op prijs stellen, dan hebben wij reden om hen te beklagen, maar geen reden om ons te verontrusten, integendeel, het is een goede reden om ons te verblijden. Hij, die gehaat wordt, omdat hij rijk is en voorspoed heeft, bekommert er zich niet om, dat anderen daar leed om dragen, zolang hij zelf er het rechtmatig genot van heeft. Veel meer nog kunnen diegenen zich verheugen, die door de wereld gehaat, maar door Christus bemind worden.
Ten tweede. Nog een andere reden, waarom de wereld u haat, is: dat gij Christus toebehoort, vers 21, om Mijns naams wil. Dat is de kern van het geschil, wat ook voorgewend wordt, dit is de reden van den twist, zij haten Christus' discipelen, omdat zij Zijn naam dragen, en Zijn naam ophouden in de wereld. Het is het kenmerk van Christus' discipelen, dat zij Zijn naam verdedigen. Voor den naam, waarin zij gedoopt zijn, zullen zij leven en sterven. Het is gemeenlijk het lot geweest van hen, die voor Christus' naam opkomen, dat zij hiervoor moeten lijden, veel en zwaar-al deze dingen er voor moeten lijden. Maar het is voor hen, die het zwaarste lijden hebben te verduren, een oorzaak van vertroosting, dat zij om den naam van Christus lijden. Indien gij gesmaad wordt om den naam van Christus, zo zijt gij zalig, 1 Petrus 4:14, ja zalig, in aanmerking genomen, niet slechts de eer, die daaraan verbonden is, Handelingen 5:41, maar ook de vertroosting, die er in ligt opgesloten, en inzonderheid de kroon der heerlijkheid, waar dit lijden heenvoert. Indien wij met Christus-en voor Christus-verdragen, wij zullen ook met Hem heersen.
Ten derde. En met dat al: het is de onwetendheid der wereld, die de ware oorzaak is van hare vijandschap tegen de discipelen van Christus, vers 21. Omdat zij Hem niet kennen, die Mij gezonden heeft.
1. Zij kennen God niet. Indien de mensen slechts een behoorlijke bekendheid hadden, zelfs met de allereerste beginselen van den natuurlijken Godsdienst, en God slechts kenden, al zouden zij dan ook het Christendom niet aannemen, zouden zij het toch niet haten en vervolgen. Die Gods volk opeten, hebben gene kennis, Psalm 14:4. 2. Zij kennen God niet als degene, die onzen Heere Jezus heeft gezonden, en Hem gemachtigd heeft om de grote Middelaar des vredes te zijn. Wij kennen God niet op de rechte wijze, als wij Hem niet kennen in Christus, en zij, die hen vervolgen, welke door Hem gezonden zijn, laten het duidelijk blijken, dat zij niet weten, dat Hij van God was gezonden: zie 1 Corinthiërs 2:8.
II. De wereld haat Christus zelven. En het is om twee redenen, dat er hier over wordt gesproken:
a. Om de smart te lenigen van Zijne volgelingen wegens dien haat der wereld, en om hun dien haat minder vreemd en minder grievend te doen voorkomen, vers 18. Gij weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft, prooton humoon. Wij lezen dit als een voorafgaan in tijd. Hij begon den bitteren beker des lijdens, en toen liet Hij ons Hem bescheid doen, maar de oorspronkelijke woorden kunnen ook gelezen worden als aanduidende Zijne meerderheid boven hen: Gij weet, dat zij Mij, uw Eerste, uw oversten Leidsman en Gebieder, heeft gehaat. Indien Christus, die uitmuntte in goedheid, die volkomen onschuldig en algemeen weldadig was, gehaat werd, kunnen wij dan verwachten, dat enigerlei deugd of verdienste van ons ons tegen hare kwaadwilligheid zal beschutten? Indien onze Meester, de Stichter van onzen Godsdienst, zoveel tegenstand bij die stichting heeft ontmoet, dan kunnen Zijne dienstknechten en volgelingen niets anders verwachten bij het belijden en verspreiden er van. Hiervoor verwijst Hij hen, vers 20, naar Zijn eigen woord bij hun toelating tot het discipelschap: Gedenkt des woords, dat Ik u gezegd heb. Het zal ons helpen om Christus' latere woorden te verstaan, als wij ze vergelijken met Zijn eerste woorden. En er is ook niets, dat meer geschikt is om ons kalmte en gemoedsrust te geven, dan de herinnering aan Christus' woorden, waardoor de leidingen Zijner voorzienigheid voor ons verklaard worden. In dit woord nu is: Ten eerste. Een duidelijke waarheid: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Dit had Hij tot hen gezegd, Mattheus 10:24. Christus is onze Heere, en daarom moeten wij vlijtig acht geven op al Zijne bewegingen, en geduldig berusten in al Zijne beschikkingen, want de dienstknecht is minder dan zijn heer, is hem ondergeschikt. De eenvoudigste waarheden zijn soms de krachtigste argumenten voor de zwaarste plichten, Elihu beantwoordt ene menigte van Jobs murmureringen met deze klaarblijkelijke waarheid, dat God meer is dan de mens, Job 33:12. Zo wordt hier dan, ten tweede, een juiste gevolgtrekking uit afgeleid: Indien zij Mij vervolgd hebben -gelijk gij gezien hebt, en waarschijnlijk nog veel meer zult zien-zij zullen ook u vervolgen, daarop kunt gij rekenen, want:
1. Gij zult hetzelfde doen wat Ik gedaan heb om hun toorn op te wekken, gij zult hen bestraffen om hun zonden, hen roepen tot bekering, hun strenge regelen voorschrijven voor een heilig leven, en dat zullen zij niet verdragen".
2. "Gij zult niet meer kunnen doen dan Ik gedaan heb om hun dienst te bewijzen, met zulk een groot en treffend voorbeeld voor ogen, moet niemand er zich over verwonderen als zij lijden omdat zij weldoen". Hij voegt er bij: Indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. Gelijk er enkelen geweest zijn-en het waren slechts zeer enkelen-op wie Mijne prediking een goede uitwerking heeft gehad, zo zullen er ook enkelen, zeer enkelen, zijn, op wie uwe prediking ten goede zal werken". Sommigen geven hier een anderen zin aan en stellen etêrêsan in de plaats van parêtêrêsan. "Indien zij op de loer lagen voor Mijne woorden met het doel om Mij te verstrikken, dan zullen zij evenzo op de loer liggen om u in uwe woorden te verstrikken".
b. Om de boosheid dezer ongelovige wereld te verzwaren en haar ontzettende zondigheid in het licht te stellen. De apostelen te haten en te vervolgen, was al erg genoeg, maar in hen Christus te haten en te vervolgen, dat was nog veel erger. Over het algemeen staat de wereld ter slechter naam en faam in de Schrift bekend en niets kan haar een slechter naam geven dan dit, dat zij Jezus Christus heeft gehaat. Er is ene wereld van mensen, die haters zijn van Christus. Hij legt nadruk op twee dingen, die de boosheid verzwaren van hen, die Hem hebben gehaat. Dat zij de grootst-mogelijke reden hadden om Hem lief te hebben. De goede woorden en goede werken der mensen zullen hen gewoonlijk bij anderen aanbevelen, en wat nu Christus betreft: Ten eerste. Zijne woorden verdienden hun liefde, vers 22. Indien Ik niet gekomen ware en tot hen gesproken had -om hun liefde te winnen-zij hadden gene zonden. Hun tegenstand zou dan niet een haten van Hem geweest zijn, en vergelijkenderwijs zou hun zonde geen zonde geweest zijn. Maar nu Ik zoveel tot hen gezegd heb, wat Mij hun liefde had moeten doen verwerven, hebben zij geen voorwendsel, gene verontschuldiging voor hun zonde. Merk hier op:
1. Het voorrecht, dat hun te beurt valt, die het Evangelie hebben, daarin komt Christus en spreekt tot hen. Hij heeft persoonlijk gesproken tot de mensen van dat geslacht, en nog spreekt Hij tot ons door onzen Bijbel en door onze leraren, en wel als iemand, die het onbetwistbaarste gezag over ons en liefde tot ons heeft. Elk Zijner woorden is rein, is vol van een gezaghebbende majesteit, doch tevens van een neerbuigende tederheid, wel instaat, zou men denken, om zelfs de meest-dove adder te bezweren.
2. De verontschuldiging, die zij hebben, die het Evangelie derven. Indien Ik tot hen niet gesproken had -indien zij nooit van Christus en van de zaligheid door Hem gehoord hadden-zij hadden gene zonde. a. Niet deze soort van zonde. Hun zou gene minachting van Christus ten laste gelegd kunnen worden, indien Hij niet gekomen ware en hun genade had aangeboden. Gelijk de zonde niet wordt toegerekend, als er geen wet is, zo wordt geen ongeloof toegerekend, waar geen Evangelie is, en waar het wordt toegerekend, is het in zoverre de enige veroordelende zonde, als het, ene zonde tegen het geneesmiddel zijnde, andere zonden ons niet zouden veroordelen, indien de schuld derzelve er niet in ware opgesloten.
b. Niet zulk een mate van zonde. Indien het Evangelie niet onder hen gepredikt was, dan zouden hun andere zonden niet zo groot, zo zwaar geweest zijn, want God heeft de tijden der onwetendheid overgezien, zie ook Lukas 12:47, 48.
3. Hoe de schuld verzwaard is van hen, tot wie Christus tevergeefs gekomen is en gesproken heeft, die Hij tevergeefs had geroepen en genodigd, bij wie Hij tevergeefs heeft gepleit, die Hij vruchteloos heeft zoeken te overtuigen. Zij hebben geen voorwendsel voor hun zonde, geen dekmantel. Zij zijn volstrekt niet te verontschuldigen, en op den dag des oordeels zullen zij sprakeloos zijn, geen woord ter hunner verontschuldiging hebben in te brengen. Hoe helderder en vollediger ons de genade en waarheid van Jezus Christus ontdekt zijn, hoe meer tot ons gezegd is, dat overtuigend en beminnelijk is, hoe groter onze zonde is, als wij Hem niet liefhebben en niet in Hem geloven. Het woord van Christus ontdoet de zonde van haar dekmantel, opdat zij in hare naaktheid als zonde gezien worde.
Ten tweede. Zijne werken verdienden hun liefde, zowel als Zijne woorden, vers 24. In dien Ik de werken onder hen niet had gedaan -onder hen, in hun land en voor hun ogen, zulke werken, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden gene zonde. Hun ongeloof en vijandschap konden te verontschuldigen zijn geweest, er zou enige schijn geweest zijn voor hun zeggen, dat Mijn woord niet geloofwaardig was, zo het niet nader bevestigd werd. Maar Hij heeft voldoende bewijzen geleverd voor Zijn Goddelijke zending, werken, die niemand anders gedaan heeft. Gelijk de Schepper Zijne kracht en Goddelijkheid toont door Zijne werken, Romeinen 1:20, zo toont de Verlosser de Zijne. Zijne wonderen, Zijne genadewerken bewijzen, dat Hij van God is gezonden, en dat wel op ene boodschap der liefde en barmhartigheid. Christus' werken waren de zodanige, als nooit iemand anders gedaan heeft. Geen gewoon mens, die gene opdracht had van boven, en met wie God niet was, kon wonderen doen, Hoofdstuk 3:2. En geen profeet heeft ooit zulke wonderen gedaan, zo vele of zo treffelijke. Mozes en Elia hebben wonderen gewerkt als dienstknechten, door ene kracht of macht, die hun verleend was, maar Christus als de Zoon, en door Zijn eigen macht. Dat was het, wat het volk heeft verbaasd, dat Hij met macht krankheden en de onreine geesten gebood, Markus 1:27. Zij erkenden, dat zij zulks nooit gezien hadden, Markus 2:12. Het waren allen goede werken, werken van barmhartigheid, en dezen schijnen inzonderheid hier bedoeld, want Hij verwijt hun, dat zij Hem desniettemin hebben gehaat. Iemand, die zo algemeen nuttig en weldoend was, meer dan ooit iemand anders geweest is, zou, naar men moet denken, ook algemeen bemind moeten zijn, en toch is Hij zelfs gehaat. De werken van Christus stellen de schuld van het ongeloof der zondaren nog meer in het licht, evenals van hun vijandschap jegens Hem. Zij doen er de ontzettende boosheid en de ongerijmdheid van uitkomen. Indien zij alleen Zijne woorden hadden gehoord, maar Zijne werken niet hadden gezien, -indien voor ons alleen Zijne redenen waren te boek gesteld, maar niet Zijne wonderen, dan zou het ongeloof nog het gebrek aan bewijs kunnen aanvoeren, maar nu heeft het generlei verontschuldiging. Ja meer, in het verwerpen van Christus, zowel door hen als door ons, ligt niet slechts de zonde van hardnekkig ongeloof, maar ook van lage ondankbaarheid. Zij zagen dat Christus hoogstbeminnelijk was, dat Hij er zich op toelegde om hun goed te doen, en toch haatten zij Hem, en legden er zich op toe om Hem kwaad te doen. En wij zien in Zijn woord de grote liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad, en toch blijven wij er ongevoelig voor, worden wij er niet door aangedaan. Dat er hoegenaamd gene reden was, waarom zij Hem zouden haten. Sommigen zullen wel eens iets zeggen of doen, wat hen bij anderen kan aanbevelen, maar op een anderen tijd zullen zij dan weer iets zeggen of doen wat tot toorn prikkelt of onvriendelijk is, maar onze Heere Jezus heeft niet slechts veel gedaan, dat de waardering en liefde der mensen verdient, maar Hij heeft nooit iets gedaan, dat rechtmatig hun ongenoegen kon uitlokken, hierop pleit Hij door een woord der Schrift aan te halen, vers 25, dit geschiedt - dit onredelijke, ongegronde haten van Mij en van Mijne discipelen- opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is (dat is: in het Oude Testament, dat ene wet is, en dat door hen als ene wet werd aangenomen): Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat. Dat zegt David van zich zelven, als type van Christus, Psalm 35:19, 69:5. Zij, die Christus haten, haten Hem zonder enigerlei rechtmatige oorzaak, vijandschap tegen Christus is een onredelijke vijandschap. Wij denken, dat diegenen verdienen gehaat te worden, die hoogmoedig en gemelijk zijn, maar Christus is nederig en zachtmoedig, teder en medelijdend, ook diegenen, die onder schijn van vriendelijkheid en inschikkelijkheid, boosaardig, afgunstig en wraakgierig zijn, maar Christus heeft zich toegewijd aan den dienst van hen, die Hem gebruikten, ja van hen, die Hem mishandelden, Hij heeft gewerkt om anderen rust te bezorgen. Hij heeft zich arm gemaakt om ons te verrijken. Wij denken, dat diegenen hatelijk zijn, die koningen en landschappen schade aanbrengen en den openbaren vrede verstoren, maar Christus was, integendeel, de grootste zegen, die men zich denken kan voor Zijn land, en toch werd Hij gehaat. Wèl heeft Hij getuigd, dat hun werken boos waren, Hij deed het met het doel om hen goed maken, maar Hem daarom te haten, dat was Hem zonder oorzaak te haten. Hierin is de Schrift vervuld geworden en heeft het anti-type aan het type beantwoord. Saul en zijne hovelingen hebben David zonder oorzaak gehaat, want hij was hem nuttig en dienstig geweest met zijne harp en met zijn zwaard. Absalom en zijne partij hebben hem gehaat, ofschoon hij een toegevend vader voor hem geweest is, en voor hen een groot weldoener. Evenzo werd de Zone David's gruwelijk onrechtvaardig gehaat en vervolgd. Zij, die Christus haatten, hebben zich daarbij niet ten doel gesteld de Schrift te vervullen, maar God heeft met het toe te laten dit op het oog gehad, en het bevestigt ons geloof in Christus als den Messias, dat ook dit van Hem voorzegd was, en voorzegd zijnde, ook in Hem vervuld werd. En wij moeten het niet vreemd of hard vinden, zo het ook nog verder in ons vervuld wordt. Wij zijn zo geneigd om ons klagen over het leed en de beledigingen, ons aangedaan, te verontschuldigen met te zeggen, dat zij ons zonder oorzaak aangedaan worden, maar hoe meer zij dit zijn, hoe meer zij gelijken op hetgeen Christus heeft geleden, en kunnen zij, bijgevolg, zoveel te gemakkelijker verdragen worden.
III. In Christus haat de wereld God zelven, dit wordt hier tweemaal gezegd, vers 23:Die Mij haat - kan wel denken, dat zijn haat niet verder gaat-maar in werkelijkheid haat hij ook Mijn Vader. En wederom in vers 24:zij hebben beiden Mij en Mijn Vader gehaat. Er zijn van de zodanige, die God haten niettegenstaande de schoonheid van Zijn wezen en het weldadige Zijner voorzienigheid, zij worden in toorn ontstoken om Zijne gerechtigheid. zoals de duivelen, die geloven en sidderen, verwoed zijn om Zijne heerschappij, en gaarne Zijne banden zouden verscheuren. Zij, die er zich niet toe kunnen brengen om te ontkennen, dat er een God is, en toch wensen, dat er geen God ware, zien Hem en haten Hem.
b. Haten van Christus zal verklaard en geoordeeld worden een haten te zijn van God, want Hij is in Zijn persoon het uitgedrukte beeld Zijns Vaders, en in Zijn ambt Zijns Vaders grote agent en gezant. God wil, dat alle mensen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren. Hieruit valt nu licht af te leiden dat zij, die vijanden zijn van den Christelijken Godsdienst, hoe hoog zij ook van den natuurlijken Godsdienst opgeven, in werkelijkheid vijanden zijn van allen Godsdienst. Deïsten zijn in werkelijkheid atheïsten, en zij, die den spot drijven met het licht des Evangelies, zouden, zo zij slechts konden, zelfs het natuurlijke licht uitblussen, en alle verplichtingen van het geweten en alle vreze Gods afschudden. Laat de ongelovige, boze wereld het weten, dat in den groten dag hun vijandschap tegen het Evangelie van Christus beschouwd zal worden als vijandschap tegen den gezegenden God zelven, en laat allen, die lijden om der gerechtigheid wil, overeenkomstig den wil van God, zich hiermede vertroosten: indien in hen God zelf gehaat wordt, dan behoeven zij zich hunner zaak niet te schamen, en voor de uitkomst niet bevreesd te zijn.