10. Daarom zullen, wanneer nu bij de belegering de hongersnood ten toppunt stijgt volgens de bedreiging in
Leviticus 26:29 en
Deuteronomium 28:53, de vaders de kinderen eten in het midden van u, en {a} de kinderen zullen hun vaders eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel, die tot aan de verovering en verwoesting der stad in leven blijven, b) in alle winden verstrooien 1) (
Vers 2).
{a} 2 Koningen 6:29. Klaagliederen 4:10. b) Jeremia 49:32, 36.
1) De honger heeft gene ogen, gene oren, gene handen of tanden; hij ziet geen persoon aan, hoort naar niets, geeft om niets, maar is wreed en onbarmhartig.
Vaders eten hun kinderen dikwijls genoeg op door het kwaad voorbeeld, dat zij hun geven, en kinderen eten hun vaders door gierigheid, liefdeloosheid, ongehoorzaamheid, door het verdriet, dat zij hun bereiden.
Dit is blijkbaar vervuld gedurende het beleg van Jeruzalem. Er heerste een allerakeligste hongersnood, zie 2 Koningen 25:3. Daarom klaagt ook Jeremia in Klaagliederen 4:10 : de handen der barmhartige vrouwen hebben hare kinderen gekookt; zij zijn haar tot spijze geworden in de verbreking der dochter Mijns volks.