Deuteronomium 28:45-68
Men zou gedacht hebben dat nu genoeg gezegd was om hen te vervullen van vrees voor die toorn Gods, die geopenbaard is van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen. Om echter te tonen hoe diep de schatten zijn van die toorn, en dat er nog meer en nog erger is begint Mozes, als men gedacht heeft dat hij aan het slot van dit treurige onderwerp is gekomen, opnieuw en voegt aan deze rol van vervloekingen nog veel andere gelijksoortige woorden, zoals Jeremia aan de zijne gedaan heeft, Jeremia 36:22. In het eerste gedeelte van zijn bedreiging schijnt Mozes hun gevangenschap in Babylon te voorzeggen en de rampen, die er aan voorafgingen en haar hebben vergezeld, waardoor zij zelfs na hun terugkeer in zo ellendige en geringe staat waren, beschreven in vers 44, namelijk dat hun vijanden tot een hoofd waren, en zij tot een staart gemaakt zijn, maar hier, in dit tweede gedeelte, voorzegt hij hun laatste verwoesting door de Romeinen, en hun verstrooiïng daarna. En de tegenwoordige toestand van het Joodse volk en van allen, die bij hetzelve ingelijfd zijn door de Joodse Godsdienst te hebben omhelsd, beantwoordt zo volkomen en nauwkeurig aan de voorzegging, vervat in deze verzen, dat hij tot een onbetwistbaar bewijs dient van de waarheid van de profetie, en bijgevolg van het Goddelijk gezag van de Schrift. En deze laatste verwoesting, hier voorgesteld zijnde als verschrikkelijker dan de vorige, toont het, dat hun zonde, in Christus en Zijn Evangelie te verwerpen, gruwelijk en Godtergend was dan zelfs hun afgoderij geweest is, en hen nog meer onder de macht van Satan liet, want door hun gevangenschap in Babylon werden zij in zeventig jaren tijds grondig en voor goed van afgoderij genezen, maar na deze laatste verwoesting zijn reeds meer dan zestien honderd jaren verlopen, maar zullen dit niet altijd blijven, want de beloften van hun herstelling in Hoofdstuk 30 zijn even waar als de bedreigingen in Hoofdstuk 28.)
Merk op:
I. Wat hier in het algemeen gezegd is van de toorn Gods, die over hen zal komen en op hen zal blijven vanwege hun zonden.
1. Dat zij, indien zij zich niet willen laten regeren door Gods geboden, gewis ten verderve gebracht zullen worden door deze vloek, vers 45, 46. Omdat gij Zijn geboden niet hebt gehouden, (inzonderheid het gebod om de grote Profeet te horen en te gehoorzamen) zullen al deze vloeken over u komen, als over een volk dat aan het verderf gewijd is, en zij zullen wezen tot een teken en tot een wonder. Het is verbazingwekkend om te denken, dat een volk dat zolang het bevoorrechte volk des hemels is geweest, zo volkomen verlaten en verstoten is, dat een volk, zo innig tezamen verenigd, zo overal heen verspreid is, en dat toch dit volk, zó verstrooid onder alle natiën zich zo afgezonderd, zo onderscheiden zou houden van andere volken, en zich met geen van die allen zou vermengen, maar, als Kaïn zwervende en dolende zou zijn, en toch getekend om door ieder herkend te worden.
2. Dat zij, zo zij God niet wilden dienen met vrolijkheid, gedwongen zullen worden hun vijanden te dienen, vers 47, 48, opdat zij het verschil zouden kennen, 2 Kronieken 12:8, hetgeen naar sommigen denken de betekenis is van Ezechiël 20:24, 25. Omdat zij Mijn inzettingen verworpen hebben, gaf Ik hun beschikkingen, die niet goed waren.
Merk hier op: a. Van hen, aan wie God overvloed geeft van het goede van dit leven, wordt met recht verwacht, dat zij Hem zullen dienen. Waar anders onderhoudt Hij ons voor, dan opdat wij Zijn werk zullen doen, en op de een of andere wijze dienstbaar zullen zijn aan Zijn eer en heerlijkheid?
b. Hoe meer God ons geeft, hoe blijmoediger wij Hem moeten dienen, onze overvloed moet olie wezen voor de raderen van onze gehoorzaamheid. God is een meester, die met blijdschap gediend wil wezen, en er zich in verlustigt ons te horen zingen bij ons werkt
c. Indien wij, als wij de gaven van Gods milddadigheid ontvangen, Hem of in het geheel niet dienen, of Hem dienen met tegenzin, dan is het rechtvaardig in Hem om ons het zware leed van gebrek en slaafse dienstbaarheid te laten ondervinden. Zij, die klagen zonder reden, verdienen dat hun oorzaak tot klagen wordt gegeven. Tristis es, et felix! Gelukkig, en toch niet tevreden! Schaam u over uw dwaasheid en ondankbaarheid.
3. Dat, zo zij God niet eerden door een eerbiedige gehoorzaamheid, Hij aan hen verheerlijkt zal worden door wonderlijke plagen over hen te doen komen, vers 58,59. Met recht verwacht God van ons dat wij Zijn heerlijke en vreeslijke naam zullen vrezen, en, hetgeen vreemd is, die naam welke ons hier wordt voorgesteld als het voorwerp van onze vrees, is: DE HEERE UW GOD, die in onze Bijbels hier zeer gepast met grote hoofdletters is gesteld, want niets kan meer waarlijk verheven zijn. Gelijk niets meer troostrijk is, zo is ook niets meer ontzagwekkend, dan dit, dat Hij met wie wij te doen hebben, JHWH is, een wezen, oneindig volmaakt en volzalig, onze rechtmatige Heer en eigenaar, van wie wij wetten hebben te ontvangen, aan wie wij rekenschap hebben af te leggen, dit is groot en grotelijks te vrezen. Wij kunnen met recht van God verwachten dat, zo wij Zijn vreeslijke naam niet vrezen, wij Zijn vreeslijke plagen zullen gevoelen, want op deze of die wijze zal God gevreesd worden. Al Gods plagen zijn vreeslijk, maar sommigen maakt Hij wonderlijk, daar zij het buitengewoon kenmerk in zich dragen van de Goddelijke macht en gerechtigheid, zodat men op het eerste gezicht er van kan zeggen: Voorwaar! er is een God, die op de aarde richt!
II. Hoe de bedreigde verwoesting beschreven is. Mozes behandelt hier hetzelfde treurige onderwerp, waarover onze Heiland met Zijn discipelen in Zijn afscheidsrede heeft gesproken Mattheus 24, namelijk de verwoesting van Jeruzalem en van het Joodse volk.
Vijf dingen worden hier voorzegd als trapper tot hun verderf.
1. Dat zij aangevallen zullen worden door een buitenlandse vijand, vers 49, 50. De Heere zal tegen u een volk verheffen van verre namelijk de Romeinen, gelijk als een arend vliegt, zich haastende tot zijn prooi. Onze Heiland maakt gebruik van deze gelijkenis, als Hij deze verwoesting voorzegt, dat, waar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden, Mattheus 24:28. En bisschop Patrick merkt op (om het merkwaardige van de vervulling des te meer te doen uitkomen) dat de adelaar het veldteken van de Romeinse legers was. Van dit volk wordt gezegd, dat het stijf van aangezicht is, een aanduiding van een harde aard, hard en streng, dat geen medelijden zou hebben met de zwakheid en de gebrekkelijkheid, hetzij van kinderen of van oude lieden.
2. Dat het land verwoest zal worden, al de vruchten er van opgegeten zullen worden door dit leger van vreemdelingen, hetgeen het natuurlijk gevolg is van een vijandelijke inval, inzonderheid als hij, zoals die door de Romeinen gedaan wordt tot kastijding van rebellen, vers 51. Het zal de vrucht van uw beesten en de vrucht van uw land opeten, zodat de inwoners verhongeren, terwijl de aanvallers zich ten volle verzadigen.
3. Dat hun steden belegerd zullen worden, en dat de hardnekkige weerstand van de belegerden en de kracht van de belegeraars zo groot zullen wezen, dat zij, namelijk de belegerden, tot het uiterste gebracht zullen worden, en ten slotte de vijand in handen zullen vallen, vers 52. Geen plaats, hoe wel versterkt ook, ja zelfs Jeruzalem niet, hoewel het zolang weerstand bood, zal ontkomen. Twee van de gewone gevolgen van een langdurig beleg worden hier voorzegd.
a. Een verschrikkelijke hongersnood die in zo hoge mate zal heersen, dat zij uit gebrek aan voedsel, hun eigen kinderen zullen slachten en eten, vers 53. Mannen zullen dit doen, in weerwil van hun hardheid en hun vermogen om honger te lijden, en, hoewel de wet van de natuur hen verplicht om voor hun gezin te zorgen en het van het nodige te voorzien, zullen zij weigeren om aan de vrouw en de kinderen, die verhongeren, iets te geven van het kind, dat barbaars geslacht werd vers 54, 55. Ja vrouwen, zelfs vrouwen van aanzienlijke stand, zullen in weerwil van haar aangeboren kieskeurigheid op haar spijzen en haar natuurlijke liefde voor haar kinderen, toch uit gebrek aan voedsel, zozeer alle menselijkheid vergeten, dat zij ze zullen slachten en eten, vers 56, 57,. Laat ons, als in het voorbijgaan opmerken, hoe hard dit lot moet geweest zijn voor zachte, teergevoelige vrouwen, en leren om ons niet toe te geven aan overgevoeligheid, omdat wij niet weten waar wij nog toe zullen komen eer wij sterven, hoe kieskeuriger wij zijn, hoe harder het voor ons zijn zal gebrek te lijden, en hoe meer wij dan in gevaar zullen zijn om verstand en Godsdienst, ja zelfs de natuurlijke genegenheid op te offeren aan het geroep en het knagen van een niet in toom gehouden eetlust. Deze bedreiging is meer dan eens letterlijk vervuld, tot onuitwisbare schande van het Joodse volk, nooit was iets dergelijks gedaan door Griek of barbaar maar bij het beleg van Samaria heeft een vrouw haar eigen zoon gekookt en gegeten, 2 Koningen 6:28, 29. En er wordt van gesproken als gezamenlijk te zijn gedaan in het beleg van Jeruzalem door de Babyloniers, Klaagliederen 4:10. En in het laatste beleg door de Romeinen heeft, naar Josephus ons verhaalt, een edele vrouw door de uiterste hongersnood gedreven, haar eigen kind gedood, en er in het verborgen de helft van opgegeten, maar lieden uit de onderste laag van het volk, vlees ruikende, drongen het huis binnen, en toen heeft die vrouw hun de nog overgebleven helft, die zij voor later had willen bewaren, getoond, en hen uitgenodigd om ze met haar te delen. Wat is er te wreed of barbaars om gedaan te worden door hen, die door God zijn verlaten!
b. Ziekte is nog een gevolg van een streng en langdurig beleg, en deze wordt hier gedreigd, boze en ernstige ziekten, en van lange duur, vers 59. Dezen zullen de Joden bijblijven overal waar zij later heen zullen gaan, de plagen van Egypte melaatsheid, boze zweren, vers 60. Ja, alsof de bijzondere rampen, waarmee hier gedreigd wordt, nog niet genoeg zijn, besluit hij met een enzovoorts, vers 61. De Heere zal alle ziekten en alle plaag over u doen komen, die in het boek van deze wet niet geschreven zijn. Zij, die onder de vloek Gods vallen, zullen bevinden dat hun de helft van het gewicht en de verschrikking van die vloek nog niet was aangezegd.
4. Dat grote menigten van hen zullen omkomen, zodat zij weinig in getal zullen worden, vers 62. Het was een volk, dat door God op wonderbare wijze was vermenigvuldigd, zodat zij als de sterren des hemels waren in menigte, maar om hun zonde, verminderd en ten onder gegaan, Psalm 107:39. De berekening is gemaakt, dat bij de verwoesting van het Joodse volk door de Romeinen, zoals blijkt uit het bericht, dat Josephus er van geeft, meer dan twee millioen door het zwaard zijn omgekomen in de verschillende plaatsen, behalve nog degenen, die omkwamen door honger en pestilentie, zodat het gehele land ten ondergang was gebracht en in een woestijn was verkeerd. Het is een ontzettend woord in vers 63. Gelijk als de Heere zich over ulieden verblijdde, u goed doende en u vermenigvuldigende, alzo zal zich de Heere over u verblijden, u verdoende en u verdelgende. Zie hier de goedertierenheid en de strengheid Gods, helder schittert de genade in het vermaak, dat God heeft in goed doen Hij verblijdt er zich in, maar niet minder blinkt Zijn gerechtigheid uit in het vermaak, dat Hij vindt in het verderven van de onboetvaardigen, met in het ongelukkig maken van Zijn schepselen als zodanig, maar in zover het de handhaving is van Zijn eigen eer en in het verzekeren van de doeleinden van Zijn regering. Zie welk een boosaardige, onheilstichtende zaak de zonde is, die het nodig maakt voor de God van de oneindige goedertierenheid, om zich te verblijden in het verderf van Zijn schepselen, ja van diegenen zelfs, die Zijn gunstgenoten zijn geweest.
5. Dat het overblijfsel verstrooid zal worden onder alle volken. Dit voltooit hun ellende vers 64. De Heere zal u verstrooien onder alle volken. Dit is op merkwaardige wijze vervuld in hun tegenwoordige verstrooiing, want bijna in alle landen, hetzij in het bezit van Christenen of van Mohammedanen, worden Joden gevonden, en wel in zo grote getale, dat men gezegd heeft: indien zij zich konden verenigen voor een gemeenschappelijk belang, zij zouden een geduchte heirschaar vormen, zeer wel instaat om de machtigste rijken en vorsten het hoofd te bieden, maar zij zijn onder de macht van de vloek, en zijn zó verstrooid dat zij niet bij machte zijn om zich tot een lichaam een maatschappij te verenigen. Hier wordt voorzegd dat zij in hun verstrooiing geen Godsdienst zullen hebben, dat is, zij zullen noch tempel, noch altaar, noch priesterschap hebben, want zij zullen andere goden dienen. Sommigen denken dat dit vervuld is door het geweld de Joden aangedaan in Roomse landen, om de beelden te aanbidden, die in de Roomse kerk gebruikt worden, en dat wel tot hun grote kwelling.
b. Zij zullen geen rust hebben, geen rust voor het lichaam, uw voetzool zal geen rust hebben, vers 65, maar voortdurend zult gij van de ene plaats naar de andere gaan, hetzij in hoop op gewin, of uit vrees voor vervolging, allen zullen zij wandelende Joden zijn, geen rust voor hun geest, (hetgeen nog veel erger is) maar een bevend hart, vers 65, gij zult uw leven niet zeker zijn, vers 66, 6 beide het licht en de duisternis moede, die voor een rustig gemoed ieder op zijn beurt welkom zijn, maar voor hen zal zowel de dag als de nacht een verschrikking wezen, vers 67. Zo was eenmaal de toestand van Job, Job 7:4 maar voor hen zal die toestand altijddurend wezen, die blindheid en duisternis, waarvan de apostel spreekt als gekomen te zijn over Israël, en die schuld, welke hun rug allen tijd verkromt, Romeinen 11:8-10, moest wel een voortdurende rusteloosheid en ontzetting bij hen teweegbrengen. Diegenen zijn een kwelling voor zichzelf en voor allen, die hen omringen, die dag en nacht vrezen en altijd ongerust zijn, laat Godvrezende mensen hier tegen strijden, en niet toegeven aan de vrees, die pijn heeft: en laat goddeloze mensen niet gerust zijn in hun goddeloosheid, want hun hart kan niet bestaan en hun handen kunnen niet sterk zijn, als de verschrikkingen Gods zich tegen hen keren. Zij, die des morgens zeggen: Och dat het avond ware! en des avonds: Och dat het morgen ware! tonen:
a. Een voortdurende gisting en kwelling, knorrig zijnde op de uren, omdat zij zo langzaam voorbijgaan, en klagende over de lengte van iedere minuut. Laat ons de tijd kostbaar wezen als wij voorspoed hebben, dan zal hij niet zo vervelend zijn als wij in benauwdheid zijn, als hij anders zijn zou.
b. Een voortdurende angst en schrik, des morgens bevreesd voor de pijl, die des daags vliegt, en daarom wensende dat de dag voorbij was, maar wat zal dit hun baten? Als de avond komt, is het bevende hart niet minder beducht voor de schrik des nachts, Psalm 91:5, 6. Zalig zij, wier hart gesterkt is in God, en die daarom gerust zijn van de vreze des kwaads.
Merk hier op: De schrik en vrees ontstaan niet alleen van het gezicht van de ogen, maar van de vrees des harten, niet slechts door werkelijke gevaren, maar ook door denkbeeldige, als men er toe komt om eens een onderzoek in te stellen naar de oorzaken van de vrees, dan blijken zij dikwijls slechts de schepselen van de verbeelding te wezen.
Eindelijk. Aan het einde dreigt God hen te zullen laten waar Hij hen gevonden heeft: in een diensthuis, vers 68. De Heere zal u naar Egypte doen wederkeren, dat is: zij zullen in dezelfde ellendige toestand zijn, als toen zij de slaven waren van de Egyptenaren, en met hardheid door hen behandeld werden. God had hen uit Egypte gevoerd en gezegd: Gij zult die weg niet meer zien of: gij zult voortaan door deze weg niet weerkeren, Deuteronomium 17:16, maar nu zullen zij weer tot dezelfde toestand van slavernij gebracht worden als waarin zij toen waren. Aan vreemdelingen verkocht te worden zal al erg genoeg wezen, maar veel erger zal het zijn om aan vijanden verkocht te worden. Zelfs slaven kunnen als zodanig gewaardeerd worden, maar een Jood zou zo slecht een naam hebben voor alles wat laag en verachtelijk is, dat, als hij te koop geboden wordt, niemand hem zal willen kopen, hetgeen de meester, die hem te koop had, zoveel strenger voor hem zal maken. Men zegt dat dertig Joden voor een klein geldstukje verkocht werden, zoals zij onze Zaligmaker voor dertig stukken gelds verkocht hebben.
Ten opzichte nu van geheel deze zaak: Ten eerste. De vervulling van deze voorzeggingen aan het Joodse volk toont, dat Mozes door de Geest Gods heeft gesproken, die gewis het verderf voorziet van de zondaren en er hen voor waarschuwt, opdat zij het door een waar en tijdig berouw kunnen voorkomen, of anders zonder verontschuldiging worden gelaten. Ten tweede. Laat ons allen hieruit leren, beroerd te zijn, dat is ontzag te hebben en niet te zondigen. Ik heb gehoord van een goddeloos man, die, na de lezing van de bedreigingen in dit hoofdstuk zo woedend werd, dat hij het blad uit de Bijbel scheurde, zoals Jojakim Jeremia's rol aan stukken sneed en in het vuur wierp, maar waartoe dient het een kopie te vernielen, als toch het origineel in de Goddelijke raadsbesluiten blijft geregistreerd, waardoor het onveranderlijk bepaald en vastgesteld is, dat de bezolding van de zonden de dood is, hetzij de mensen het willen horen, of het zullen laten.