Deuteronomium 32:1-6
I. Wij hebben hier de voorrede of inleiding tot dit lied van Mozes, vers 1, 2. Hij begint:
1. Met een plechtig beroep op hemel en aarde betreffende de waarheid en het gewichtige van hetgeen hij gaat zeggen, en de gerechtigheid van de Goddelijke maatregelen tegen een rebellerend en afvallig volk, want in hoofdstuk 31:28 heeft hij gezegd, dat hij in dit lied hemel en aarde tot getuigen zal roepen tegen hen. Hemel en aarde zullen eerder horen dan dit verdorven, onnadenkend volk, want die wijken niet af van hun gehoorzaamheid aan hun Schepper, maar blijven nog heden staan naar Zijn verordeningen, als Zijn knechten, Psalm 119:89-91, en daarom zullen zij opstaan in het gericht tegen het rebellerende Israël. Hemel en aarde zullen getuigen tegen zondaren, getuigen van de waarschuwingen, die hun gegeven zijn, en van hun weigering om die waarschuwingen aan te nemen, zie Job 20:27 de hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken. Of wel hemel en aarde zijn hier genomen voor de bewoners er van, engelen en mensen, beide zullen samenstemmen om God te rechtvaardigen in Zijn maatregelen tegen Israël, en om Zijn gerechfigheid le verkondigen, Psalm 50-6. Zie Openbaring 19:1, 2.
2. Hij begint met een plechtige toepassing van hetgeen hij gaat zeggen op het volk, vers 2. Mijn leer zal druipen als de regen.
a. "Zij zal als een slagregen wezen voor de wederspannigen," aldus verklaart een van de Chaldeeuwse paraphrasten de eerste zinsnede. Regen wordt soms gezonden ten oordeel, getuige die, door welke de aarde overstroomd en bedolven werd, en gelijk het woord Gods voor sommigen opwekkend en verfrissend is en een reuk des levens ten leven, zo is het voor anderen schrikwekkend en dodend en een reuk des doods ten dode.
b. Zij zal als een aangename lieflijke dauw zijn voor hen, die op de rechte wijze toebereid zijn om haar te ontvangen. Het onderwerp van dit lied is een leer, hij had hun een lied gegeven van lof en dankzegging, Exodus 15, maar dit is een lied ter onderrichting, een leerdicht, want in psalmen, en lofzangen en geestelijke liederen, moeten wij niet slechts eer en heerlijkheid geven aan God, maar ook elkaar leren en vermanen, Colossenzen 3:16. Vandaar dat vele psalmen van David het woord tot opschrift hebben, hetgeen betekent: Om te onderwijzen. Deze leer wordt gepast vergeleken bij regen en plasregens, die van boven komen, om de aarde vruchtbaar te maken, en volbrengen, waartoe zij gezonden zijn, zie Jesaja 55:10, 11, en naar geen man wachten, Micha 5:6. Het is een zegen als die regen dikwijls op ons neerdaalt, en het is onze plicht om hem in te drinken, Hebreeën 6:7. Hij belooft dat zijn leer vloeien zal als de dauw, en als een stofregen, die zachtkens en zonder gedruis neerkomt. Het gepredikte woord zal dan waarschijnlijk nut doen, als het zacht doordringt tot het hart van de hoorders. Hij eist van hen dat zij haar zullen aannemen, dat zij hun even welkom en lieflijk zal zijn als regen op de dorstige aarde, Psalm 72:6. En het Woord Gods zal ons dan waarschijnlijk goed doen, als het ons evenzo lieflijk en aangenaam is. De geleerde bisschop Patrick vat het op als een gebed, dat zijn woorden, die hun van de hemel gezonden waren, mochten binnendringen in hun hart en dat zullen vertederen, zoals de regen de aarde week maakt, en het aldus vruchtbaar maken in gehoorzaamheid.
II. Een ontzagwekkende verklaring van de grootheid en gerechtigheid Gods, vers 3, 4. Hiermede begint hij en stelt het als zijn eerste beginsel: 1. De eer Gods hoog te houden, zodat er geen smaad op geworpen kan worden ter wille van de goddeloosheid van Zijn volk Israël. Hoe slecht en verdorven zij ook mogen wezen, die naar Zijn naam zijn genoemd, Hij is recht en rechtvaardig, en alles wat goed is, en om hun slechtheid moet men van Hem niet te slechter denken.
2. Om de goddeloosheid van Israël te verzwaren, dat zo'n heilig God kende en aanbad, en toch zelf zo onheilig was. En:
3. Om God te rechtvaardigen in Zijn handelingen met hen, wij moeten volhouden, dat God rechtvaardig is, zelfs wanneer Zijn oordelen een grote afgrond zijn, Jeremia 12:1. Psalm 36:7 6.
Mozes stelt zich om de naam des Heeren uit te roepen, vers 3, opdat Israël, wetende welk een God Hij is, die zij verklaard hebben hun God te zijn, nooit dwaas genoeg zal wezen om Hem voor een valsen God, een drekgod te verlaten. Hij roept hen daarom op, om Hem grootheid toe te schrijven. Het zal ons ter voorkoming van zonde, en om ons op de weg te houden van onze plicht, van groot nut wezen om steeds hoge, eervolle gedachten van God te koesteren, en die bij alle gelegenheden ook uit te drukken. Geeft onze God grootheid. Wij kunnen aan Zijn grootheid niets toevoegen, want zij is oneindig, maar wij moeten haar erkennen en er Hem de eer van geven.
Als Mozes nu de grootheid van God wil doen uitkomen, doet hij het, niet door Zijn eeuwigheid en onbegrensde grootheid te verklaren of het schitterende van Zijn heerlijkheid in de bovenwereld te beschrijven, maar door de getrouwheid aan te tonen van Zijn woord, de volmaaktheden van Zijn werken, en de wijsheid en billijkheid van al de daden van Zijn regering want daarin schittert Zijn grootheid het meest voor ons, en dat zijn de nopens Hem geopenbaarde dingen, die voor ons en voor onze kinderen zijn, Hoofdstuk 29:29. a. Hij is de rotssteen vers 4. Zes maal wordt Hij aldus genoemd in dit hoofdstuk, en door de LXX wordt dit steeds vertaald door Theos, God. De geleerde Hugh Broughton heeft uitgerekend dat God (behalve in dit hoofdstuk) in het Oude Testament achttien malen de Rots wordt genoemd (hoewel wij het in sommige plaatsen vertalen door kracht) en beschuldigt daarom de papisten, dat zij van Petrus een god maken, als zij hem tot de rots maken waarop de kerk gebonwd is. God is de Rots, want Hij is in zichzelf onveranderlijk en onbeweeglijk, en voor allen, die Hem zoeken en tot Hem vluchten, is Hij een ondoordringbare toevlucht, en voor allen, die op Hem vertrouwen is Hij een eeuwig fondament.
b. Zijn werk is volkomen. Zijn werk van de schepping was dit, het was alles zeer goed, Zijn werken van de voorzienigheid zijn dit of zullen ter bestemder tijd dit zijn en, als de verborgenheid Gods vervuld zal zijn, dan zal de volmaaktheid van Zijn werken aan de gehele wereld blijken, niets dat God doet kan verbeterd worden, Prediker 3:14. God voleindigde thans wat Hij beloofd en begonnen had voor Zijn volk Israël, en uit de volkomenheid van Zijn werk moeten zij aanleiding nemen om Hem de eer te geven van de volmaaktheid van al Zijn werken. De beste werken van de mens zijn onvolkomen, zij hebben hun fouten en gebreken, en worden onvoltooid gelaten, maar Gods werk is volmaakt, als Hij begint zal Hij voleinden.
c. Al zijn wegen zijn gerichten. De doeleinden van Zijn wegen zijn allen rechtvaardig, en Hij is wijs in de keus van de middelen om die doeleinden tot stand te brengen. Gericht betekent beide wijsheid en rechtvaardigheid. Des Heeren wegen zijn recht, Hosea 14:10. d. Hij is een God van waarheid, op wiens woord wij kunnen steunen, want Hij kan niet liegen, Hij is getrouw aan al Zijn beloften, en ook Zijn bedreigingen zullen niet ter aarde vallen.
e. Hij is zonder onrecht, die nooit iemand, die op Hem bebouwd heeft, heeft bedrogen, nooit iemand onrecht heeft gedaan, die zich op Zijn rechtvaardigheid heeft beroepen, en nooit hard was voor iemand, die zich aan Zijn genade heeft toevertrouwd.
f. Rechtvaardig en recht is Hij. Gelijk Hij niemand onrecht zal doen door hem zwaarder te straffen dan hij verdient, zo zal Hij ook niet falen allen te belonen, die Hem dienen of voor Hem lijden. Hij is inderdaad rechtvaardig en recht, want Hij zal er afdoend voor zorgen dat niemand iets door Hem zal verliezen. Welk een schoon lieflijk denkbeeld geeft ons dus dit een vers van de God, die wij aanbidden! En hoeveel reden hebben wij om Hem lief te hebben en te vrezen, een leven van verlustiging in Hem te leiden en van afhankelijkheid van en toewijding aan Hem! Dit is onze Rotssteen, en in Hem is geen onrecht, Psalm 92:16.
III. Een zware beschuldiging tegen het Israël Gods, welks aard en karakter in alles het tegenovergestelde was van die van Israëls God, vers 15.
1. Hij heeft het tegen Hem verdorven. Of hij heeft zich verdorven, het gros van het volk heeft dit gedaan, het gehele hoofd is ziek en het gehele hart is mat. God heeft hen niet verdorven, want rechtvaardig en recht is Hij, maar zijzelf alleen zijn de werkers van hun eigen zonde en van hun verderf, en beide zijn begrepen in dit woord: zij hebben zich verdorven, want een ieder wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. En het heeft u bedorven Hosea 13:9. Indien gij een spotter zijt, gij alleen zult de schuld en de smart dragen, Spreuken 9:12.
2. Hun gebrek is niet van Zijn kinderen. Zelfs Gods kinderen hebben hun gebreken, zolang zij zich in deze onvolmaakte toestand bevinden, want als wij zeggen: Wij hebben geen zonde, geen gebrek, dan bedriegen wij onszelf. Maar de zonde van Israël behoorde daar niet toe, het was geen zwakheid, waartegen zij streden, waartegen zij hebben gewaakt en gebeden, maar een kwaad, waarop hun hart ten volle gezet was om het te doen, want:
3. Zij waren een verkeerd en verdraaid geslacht, gedreven door een geest van tegenspraak die daarom wilden doen wat hun verboden was, omdat het verboden was, hun eigen zin en wil stelden tegenover de wil van God, ongeduldig waren onder de bestraffing, de tucht haatten, en afkerig henengingen in de weg huns harten. De Chaldeeuwse paraphrase geeft deze lezing van het vers: Zij hebben zich verstrooid of veranderd, en niet Hem zelfs de kinderen, die afgoden dienden, een geslacht, dat zijn eigen werken verdierf, en zich vervreemd heeft. Afgodendienaars kunnen God niet schaden of Zijn werken bederven, of Hem een vreemdeling maken voor de wereld. Zie Job 35:6. Neen, al de schade, die zij toebrengen is aan hen zelf en hun eigen werken. Bisschop Patrick geeft een andere lezing van dit vers: Heeft Hij hun enige schade toegebracht? Dat is: "Is God, de Rotssteen, te laken, voor het kwaad dat Israël zal wedervaren? Neen Zijn kinderen zijn hun schandvlek", dat is: Al het kwaad, dat over hen komt, is de vrucht van de goddeloosheid van hun kinderen, want hun gehele geslacht is krom en verdraaid. Allen, die te gronde gaan, richten zichzelf te gronde, zij sterven omdat zij willen sterven. IV. Een aandoenlijk verwijt of beklag aan dit tergend volk wegens hun ondankbaarheid vers 6. "Zult gij dit de Heere vergelden ? Voorzeker zult gij later zo laag en vals niet wezen in uw gedrag tegenover Hem, als gij geweest zijt".
1. Hij herinnert hen aan de verplichtingen die God hun opgelegd heeft, om Hem te dienen en Hem aan te hangen, Hij is een Vader voor hen geweest, had hen verkregen, gevoed, gedragen en verzorgd, Hij heeft hun zeden verdragen, en zij zullen het hart een Vaders gaan vertreden? Hij had hen gekocht, had vele en grote wonderen gedaan om hen te verlossen uit Egypte, had mensen in hun plaats gegeven, en volken in plaats van hun ziel, Jesaja 43:4. "Is Hij niet uw Vader (uw eigenaar, naar sommiger lezing) die een onbetwistbaar eigendomsrecht heeft op u? En de os kent zijn bezitter. Hij heeft u gemaakt, u het aanzijn gegeven, u gevestigd, u in het aanzijn bewaard. Heeft Hij dit niet gedaan? Kunt gij de verplichtingen ontkennen, die gij aan Hem hebt, uit aanmerking van de grote dingen, die Hij voor u gedaan en bedoeld heeft?" En zijn niet onze verplichtingen als gedoopte Christenen even groot jegens onze Schepper, die ons gemaakt heeft, onze Verlosser, die ons gekocht heeft, en onze Heiligmaker, die ons gevestigd en bevestigd heeft?
2. Hieruit leidt hij af hoe slecht het is Hem te verlaten en tegen Hem te rebelleren. Want:
a. Dat was lage ondankbaarheid. "Zult gij dit de Heere vergelden?" Vergeldt gij Hem aldus de gunsten, die Hij u heeft bewezen? Zult gij de krachten, die gij van Hem hebt ontvangen, tegen Hem aanwenden? Zie Micha 6:3, 4, , Johannes 10:32. Dit is een zo grnwelijke slechtheid, dat geheel de wereld er schande over zal roepen, zeg dat iemand ondankbaar is, en gij kunt niets slechters van hem zeggen.
b. Het was een buitensporige dwaasheid, gij dwaas en onwijs volk. 0 gij uitzinnige, wie heeft u betoverd! Galaten 3:1. Dwazen, voorwaar, om Hem te mishagen, van wie gij zo zeer afhankelijk zijt! Uw eigen zegeningen te verlaten voor valse ijdelheden! Alle moedwillige zondaren, maar inzonderheid zondaren in Israël, zijn de onverstandigste en ondankbaarste mensen te wereld.