Ezechiël 48:31-35
Wij hebben hier het vervolg van het bericht van de stad, die als hoofdstad van dit heerlijke land gebouwd zou worden, en allen, die van alle deelen in het aangrenzende heiligdom zouden samenkomen, moest opnemen. Zij wordt nergens Jeruzalem genoemd, en ook wordt het land, van welks verdeeling wij zulk nauwkeurig bericht hebben gehad, nergens het land Kanaän genoemd, want de oude namen zijn vergeten, om te beteekenen, dat het oude voorbijgegaan is, zie het is alles nieuw geworden. Betreffende deze stad valt op te merken,
1. Dat de moet van den omtrek, en den grond, die er bij behoorde, met verschillende bestemmingen, achttienduizend maten in `t geheel, en voor iedere zijde vijf en veertig honderd bedroeg, vers 35. Maar welke maten dit waren, is niet zeker. In dit heere hoofdstuk wordt nergens gezegd, of die maat het meetriet is, zooals onze vertaling aanneemt, daar zij dat woord invoegt, vers 8, dat zes ellen en een span lang is, Hoofdstuk 40:5. En waarom zou de bouwheer verschijnen met het meetriet van die lengte in Zijne hand, als Hij daar niet mee mat, behalve waar uitdrukkelijk gezegd wordt dat Hij met de el mat? Of dat het, zooals anderen meenen zooveel ellen zijn, omdat daarvan gesproken wordt in Hoofdstuk 45:2 en Hoofdstuk 47:3. Toch ben ik juist daarom eer geneigd te denken, dat, waar de el niet genoemd wordt, de bedoeling is zooveel lengten van het meetriet Maar degenen, die het met de el houden, zijn het er onderling niet over eens, of de gewone el bedoeld wordt, die iets minder dan een halve meter was, of de geometrische el, die om practische redenen, naar men veronderstelt, meestentijds gebruikt werd, om landerijen te meten, en die, zooals sommigen beweren, 6 ellen lang was, en volgens anderen drie en een halve el, zoodat duizend ellen ongeveer gelijk is aan tweeduizend pas of anderhalven kilometer. Maar, dat wij over deze dingen in het onzekere gelaten worden, beteekent, dat deze dingen geestelijk verstaan moeten worden, en wat hoofdzakelijk bedoeld wordt, is, dat de oneindige wijsheid eene nauwkeurige en juiste verhouding bewaart bij het vormen van de kerk van het Evangelie, en al kunnen wij die nu niet onderscheiden, dan zullen wij dat toch, als wij in den hemel komen.
2. Dat het aantal poorten twaalf bedroeg aan iedere zijde drie, wat zeer gemakkelijk was bij een vierkanten bouw, en deze twaalf poorten droegen de namen van de twaalf stammen. Omdat de stad gediend zou worden uit al de stammen Israels, vers 19, was het gepast dat iedere stam een poort had, en daar Levi hierbij ingesloten wordt, worden, om het getal twaalf te behouden, Efraïm en Manasse in Jozef één gemaakt, vers S2. Aan de noordzijde waren de poorten van Ruben, Juda en Levi, vers 31, aan de oostzijde de poorten van Jozef. Benjamin en Dan, vers 32, aan de zuidzijde van Simeon, Issaschar en Zebulon, vers 33, en aan de westzijde die van Gad, Aser en Nafthali, vers 34. Zoo heeft ook in het visioen van Johannes, het nieuwe Jeruzalem, want zoo wordt de heilige stad daar genoemd, hoewel dat hier niet het geval is, twaalf poorten, drie van iedere zijde, en daarop zijn geschreven de namen der twaalf geslachten der kinderen Israëls, Openbaring 21:12, 13. Tot de kerk van Christus, beide de strijdende en de triumfeerende, is vrije toegang door het geloof voor allen, van welken stam, van welk land ook. Christus heeft het Koninkrijk der hemelen voor alle geloovigen geopend. Die wil kan komen en van het water des levens, en van den boom des levens, nemen om niet. Dat de naam der stad zal zijn, van dien dag af dat zij nieuw gesticht zal worden, naar dit plan, niet, zooals tevoren, Jeruzalem. -Het gezicht des vredes, maar, wat daarvan de oorsprong is en dien naam meer dan vergoedt, Jehova-Schamma-De Heere is aldaar, vers 35. Dit beteekent, a. Dat de gevangenen, na hun terugkeer, duidelijke teekens zouden hebben van Gods tegenwoordigheid bij hen, en Zijn wonen onder hen beide in Zijne geboden en Zijne leiding. Zij zullen geen reden hebben, om te vragen, zooals hunne vaders deden: Is de Heete niet in het midden van ons? want zij zullen zien en zeggen, dat Hij naar waarheid bij hen is. En dan zullen zij, hoewel vele rampen hen bedreigen, als het bosch zijn, dat brandde, maar niet verteerde omdat de Heere aldaar was. Maar als God den tempel verlaat, als Hij zegt: Migremus hinc- Laat ons van hier gaan, dan wordt hun huis hun spoedig woest gelaten. Daar het niet langer het Zijne is, is het ook niet langer het hunne b. Dat God eveneens in de kerk van het Evangelie tegenwoordig zou zijn, hoewel niet, zooals van ouds in de Schechinah, dan toch in een niet minder zeker teeken, dat van Zijn Geest. Waar het Evangelie getrouwelijk gepredikt wordt, de geboden van `t Evangelie behoorlijk nagekomen, en God alleen in den naam van Jezus Christus aangebeden, daar kan naar waarheid gezegd worden: De Heere is aldaar: want Hij, die het gezegd heeft, is getrouw, en Hij zal Zijn Woord volbrengen: Zie, Ik ben met ulieden alle de dagen tot aan de voleinding der wereld. De Heere is aldaar in Zijne kerk, om die te regeeren en te besturen, te beschermen en te verdedigen, en Zijne oprechte aanbidders genadiglijk aan te nemen en te erkennen, en Hij is nabij allen, die Hem aanroepen. Dit moet ons er toe brengen ons dicht te houden bij de gemeenschap der heiligen, want de Heere is aldaar, en waarheen zullen wij dan gaan om ons te verbeteren? Ja, het is waar voor iederen goeden christen, hij woont in God en God in hem, van iedere ziel, die een levend beginsel van genade in zich heeft, kan naar waarheid gezegd worden: De Heere is aldaar. c. Dat de heerlijkheid en de zaligheid des hemels hoofdzakelijk hierin bestaan zal, dat de Heere aldaar is. Johannes' voorstelling van dien staat der zaligheid overtreft deze weliswaar in vele opzichten. Daar is alles goud en paarlen en edele steenen, zij is veel grooter dan deze en veel schitterender, want zij behoeft de zon niet. Maar hierin stemmen beide overeen, dat Gods tegenwoordigheid de hoofdzaak is van hare zaligheid. Daar bestaat de zaligheid der verheerlijkte heiligen, dat God zelf bij hen zal zin, Openbaring 21:3, dat Die op den troon zit, hen overschaduwen zal, Openbaring 7:15. En hier wordt de zaligheid van deze heilige stad gekroond door de verzekering: De Heere is aldaar. Laten wij ons daarom met allen ijver eene plaats verzekeren in dien staat, om altijd met den Heere te wezen.