34. De westerhoek, vier duizend en vijf honderd, derzelver poorten drie, ééne poort van Gad, ééne poort van Aser, ééne poort van Nafthali. 1)
1) Overeenkomstig hiermede wordt in het gezicht van Johannes, het nieuwe Jeruzalem, want zo wordt de Heilige stad aldaar, hoewel niet hier genoemd, gezegd twaalf poorten te hebben, drie op elke zijde, en op dezelve zijn geschreven de namen der twaalf stammen der kinderen Israëls.
Hiermede wordt ongetwijfeld aangeduid, dat tot de Kerk van Christus is een vrije toegang, door het geloof. Uit alle stammen zullen er komen, uit alle natiën, geslachten, en talen, en volken zullen binnen hare poorten verschijnen. 35. Alzo zal het gebied der stad rondom 4 ml. 4. 500 of achttien duizend roeden zijn; en de naam der stad zal van dien dag af zijn, van dien tijd dat zij gebouwd zal zijn en voortaan, hoewel zij nu onder den vloek ligt (Jeremia 26:6): DE HEERE IS ALDAAR. Zijne ogen zijn uit Zijn nevens haar opgericht heiligdom (Hoofdstuk 40:2) voor altijd op haar gericht (Psalm 68:17. Jesaja 60:14).
Belangrijk is in Hoofdstuk 47:22, de opmerking, dat in de algemene opgaaf der landverdeling ook opzettelijk melding wordt gemaakt van de aanneming en inlijving der heidenen in Israël. Gewis strekt dit ten bewijze, dat de Heere ten allen tijde de deur der kerk ook voor de afdwalende volken, ter toenadering tot Zijne gemeenschap heeft opengezet, en dat Hij dit voor alsdan wilde na de Babylonische ballingschap, door welke de kennis van den waren godsdienst in de wereld moest bevorderd worden, maar dan wordt ook, daar dit profetisch gezicht van uitgestrektere bedoeling is, daardoor die waarheid bevestigd, welke ons reeds meermalen is voorgekomen, dat de heidenen in de Israëlietische kerk, als op den oorspronkelijken olijfboom, zijn ingeënt, en dat de kerk dus één en onveranderlijk blijft tot aan de voleinding der eeuwen. In dien zin lezen wij dan ook, wier vaderen uit de heidenen waren onze namen in deze Godsspraak aangetekend, wij zijn tot de gemeente Gods, die uit Israël is, ingelijfd, en zo wij tot het Israël naar den Geest behoren en de besnijdenis des harten zijn deelachtig geworden, zo zijn wij ook deelgenoten van het nieuwe Jeruzalem, dat eens uit den hemel zal nederdalen en zullen ingaan door de poorten in de stad. Ligt toch het gehele voorwerp des Heeren, uitwijzens het gezicht van Ezechiël, in dien geest, dat de Godskerk op de vernieuwde aarde eens aan deze tekening van ene rechtvaardige landverdeling, liggende rondom het heiligdom des Heeren, met koning Jezus in het midden, zal gelijk zijn, dan vinden wij daarin diezelfde grondtrekken, welke ons naderhand in de Openbaring an Johannes meer ontwikkeld voorkomen, en zien wij ons de gemeente des Heeren in hare volkomenheid voorgesteld, zo als zij eenmaal worden zal, als zijnde de oorspronkelijke Israëlietische kerk, maar verzameld uit alle geslachten, talen, volken en natiën, en ontvangen daardoor tevens het bewijs, dat men tot de ware kerk behoort te worden gevoegd, en met deze door banden des geloofs en der liefde in vereniging moet staan, indien men een deelgenoot van de hemelse gelukzaligheid zijn zal. Het is deze hemelse gelukzaligheid, welke hier ten laatste in Ezechiëls gezicht wordt voorgesteld, en op welke wij het oog vestigen mogen (Hoofdstuk 48:30-35). Het is waar, die door God verordende grondslag en uitgestrektheid van Jeruzalem, zo als dat eerlang moest gebouwd worden, schijnt hier de allereerste bedoeling te zijn; maar dit uitwendig Jeruzalem was de grondschets of typus van het Jeruzalem, dat boven is, en uit den hemel eens op aarde zal nederdalen. Was nu de hoofdstad des lands van ouds af het middelpunt, de verzamelplaats en de vertegenwoordigster der gehele natie, dan vinden wij ons hier het nieuwe Jeruzalem als het beeld van de gemeente des Heeren in de gelukzaligheid voorgesteld, en worden opgewekt om te streven naar de inwoning in die stad en het deelgenootschap aan deze zo als de vrome tijdgenoten van den Profeet daartoe door zulk een voorstel werden uitgelokt. Is toch de ingang dier stad van alle zijden, voor al de stammen Israëls, is zij voor geheel het volk en voor allen, die daartoe zijn ingelijfd, opengezet, dan wordt een ruime ingang in het Koninkrijk der hemelen, in den weg des ootmoedigen geloofs verleend, dan mogen wij gerust en blijmoedig verwachten, dat voor elk die gelooft, de ruste bereid geworden, en zij in zijne kracht naar Zijne onwankelbare belofte, voor die zaligheid worden bewaard, die bereid is, om geopenbaard te worden. De Heere heeft het bepaald en gezegd, dat de naam dier stad zijn moet: "Jehova is aldaar. " Dat moest het kenmerkende van het herbouwde Jeruzalem worden, en het kenmerkende van de gemeente, naar Jezus naam genoemd, op aarde altijd zijn; Zijne belofte ligt er: Ik ben met u al dagen tot aan de voleinding der wereld (Mattheus 28:20). Houdt de Heere hier beneden trouw door alle eeuwen heen, en zien wij Zijne inwoning ook daar, waar Zijn Woord zuiver wordt gepredikt en Zijn naam eerbiedig erkend, hoe heerlijk zal dan de volkomene vervulling eens in de andere wereld zijn, wanneer wij dat alles verwezenlijkt zullen zien, wat de verhoogde Heiland door Johannes te verwachten geeft (Openbaring 1, 22); dan zal toch in vollen nadruk het gehele ontwerp van Gods genade kenbaar en duidelijk wezen, alle raadsels zijn opgelost en Christus in het midden van al Zijne verlosten, volkomen verheerlijkt; dan zal de Algenoegzame als onder de mensen wonen en Zijne uitverkorene gemeente in vollen nadruk doen smaken, wat het zegt, dat God zal zijn alles en in allen. Onze nieren verlangen dan zeer in onzen schoot, en wij bidden elk voor ons zelven en gemeenschappelijk met elkaar: "O Heere! maak ook ons tot burgers van die stad, opdat wij eeuwig de Uwen mogen zijn en U dienen mogen dag en nacht in uwen tempel!" .
Let op, dat de heerlijkheid en het geluk des hemels voornamelijk hierin bestaat, dat de Heere aldaar is. De vertoning van Johannes van dien heerlijken staat gaat dit inderdaad verre te boven in vele opzichten. Het is alles goud, en paarlen, en kostelijk gesteente, het is veel groter en veel luisterrijker, want het heeft de zon niet nodig. Maar in de tegenwoordigheid van God, de voornaamste stoffe van het geluk te stellen, komen zij beiden overeen.
Deze Naam wordt gegeven aan het nieuwe Jeruzalem als bewijs, dat des Heeren toorn is gestild en Hij met Zijne Genade bij Zijn volk wil en zal wonen.
In vroegere dagen was de Wolk in het heiligdom als teken van `s Heeren tegenwoordigheid.
In den toekomenden tempel zou de wolk niet meer gezien worden, maar het tegenbeeld. Israël ontvangt hier de verzekering, dat de Heere zelf met Zijne gunst haar zal begenadigen en zij daarin als voorbeeld zal strekken van het geestelijk nieuwe Jeruzalem, als bewijs dat de Heere God nimmer van Zijn kerk, van Zijn volk zal wijken met Zijne genade en gunst.
SLOTWOORD OP HET BOEK EZECHIEL.
In het elfde jaar vóór de verwoesting van Jeruzalem naar Babel gevoerd, met den koning Jojachin, werd Ezechiël in het vijfde jaar zijner ballingschap, in het jaar 595 v. Christus, tot Profeet geroepen door den Heere God.
Hoe oud hij toen was, is ons niet nader bekend. Of hij toen den leeftijd van 30 jaar bereikt had, den leeftijd, waarop iemand onder Israël als Leraar mocht optreden, of reeds ouder was, weten we niet.
Wel dat hij, evenals zijn voorganger en oudere tijdgenoot Jeremia, van priesterlijke afkomst was, en dat hij 22 jaren het ambt van Profeet onder de ballingen te Babel heeft bekleed. En insgelijks is met alle zekerheid vast te stellen, dat hij vóór het einde der ballingschap is gestorven, dewijl hij van den terugtocht naar Jeruzalem niets vermeldt.
Zijn roeping tot Profeet viel in den tijd, toen, zowel de overgeblevenen in Juda als de reeds naar Babel weggevoerden in de hope leefden, dat het juk van Babel zou worden verbroken en Juda weer vrij zou worden van de ijzeren heerschappij van Babels koning.
Ezechiël moest daartegen getuigen, en toen straks de leugenprofetie van een Hananja werd gelogenstraft en Jeruzalem door Nebukadnezer werd ingenomen en gans Juda in gevangenschap zuchtte, was het ogenblik gekomen, waarop de Profeet, in den naam des Heeren HEEREN, kon komen met zijn woorden van boete en troost, van bekering.
In de ballingschap werd het verdrukte en ellendige volk, het overblijfsel van Juda, rijp voor de troostredenen, welke de Heere God op de lippen van Zijn gezant legde.
Ezechiël is de Profeet, die het aan Abrahams nakroost moet en mag verkondigen, dat de God van Israël, de Verbonds God, alle vijanden zal verdoen, en Zijn volk, wanneer het tot Hem met boete en berouw, in den weg der bekering terugkeert, zal zegenen en weer tot ere en luister brengen.
Met dit doel staat dan ook in het nauwste verband de wijze der openbaring van den Heere God aan den Profeet.
De Heere openbaart zich eerst aan hem als die Verbonds God, die boven de Cherubs troont, maar daarna ook, uit kracht van Zijn heiligheid, als die de zonden bezoeken zal van Zijn volk.
Hij toont hem daarop, hoe, vanwege den gruwelijken afgodendienst Zijn genadevolle tegenwoordigheid van Zijn volk weggaat, maar eindelijk ook straks, dat die zelfde Goddelijke tegenwoordigheid in den nieuwen tempel zichtbaar is.
Tegenover de Wet en tegenover de Mozaïsche wetboeken neemt Ezechiël de zelfde positie in als de andere Profeten. Alleen heeft hij dit met Jeremia gemeen, in onderscheiding van de anderen, dat ook in zijn Profetisch Boek er vele en duidelijke vermaningen uit de Boeken van Mozes voorkomen.
Een feit, hieruit te verklaren, omdat het toen vooral de tijd van afval was, waartegen de Heere God in Zijn wet zo ernstig had gewaarschuwd en gedreigd.
Maar niet van een uiterlijk terugkeren tot de Wet verwacht de Profeet heil.
Ook hij spreekt het duidelijk uit, dat, zal Israël weer aan zijn bestemming beantwoorden, zal Israël weer in plaat van het afgeweken volk, het heilige volk zijn, de Heere God moet komen met den Geest de vernieuwing en bekering.
Dit spreekt hij zeer duidelijk uit. En o, opdat bij het diep ellendig volk alle gedachte verbannen worde aan eigen deugd en eigene gerechtigheid, opdat Juda het wete, dat, zal het straks weer in luister en ere schitteren, het is vrije gunst en ongehoudene goedertierenheid Gods, spreekt de Profeet het uit, dat de Heere het doen zal om Zichzelfs wille, om Zijns groten Naams wille.
In zijne profetie komt zo glashelder uit, en dit is een der eigenaardige karaktertrekken van zijn Boek, dat er aan de ene zijde ligt een diep verzondigd volk, dat hoegenaamd geen aanspraak mag en kan maken op Gods opzoekende liefde en Zijn genadevolle redding, en aan de andere zijde staat een God, die zich als de God des Verbonds openbaart, die het volk in de diepte der ellende opzoekt, het uit de diepte der ellende redt, en in dit opnieuw in ere gezet volk, het beeld toont van de Kerk, die zalig wordt, die eenmaal zich zal verheugen in de volkomene bestraling van Gods genadevol aangezicht.
Waar hij zijn Boek sluit met: de HEERE IS ALDAAR daar spreekt hij uit wat als het ware het doel was van geheel zijn optreden, dat de Heere God nooit Zijn volk prijs geeft of verlaat.