14. Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk, zijn ganse leven door vreest voor de zonde, om daarin te vallen en voor den toorn Gods over den zondaar; maar die zijn hart door onboetvaardigheid en valse gerustheid verhardt, zal in het kwaad vallen tot zijn tijdelijk en eeuwig verderf (
Spreuken 29:1.
Psalm 19:14.
Romeinen 11:20).
Het baat enen mens niet, wanneer hij zijne zonden ook voor een korteren of langeren tijd kan loochenen of verbergen; want hij voert toch altijd en overal zijn knagend geweten met zich rond. Velen dragen er wel is waar heimelijk roem op, als zij hun kwaad in het verborgen kunnen verrichten, en zich zo listig weten te gedragen, dat men ze niet gemakkelijk betrappen kan; maar, wat baat het hun? Hoe snel gaan de weinige dagen, maanden en jaren van hun leven voorbij! Dan helpt geen verbergen en loochenen meer. Ja, de rechtvaardige Rechter let ook nog in dit leven zo nauwkeurig op alle moedwillige overtreders, dat Hij hun zonden te rechter tijd aan het licht weet te brengen, zodat menigeen, die zich thans op listige en kunstige wijze zoekt te verbergen, met al zijne zonden openbaar en te schande wordt.
Weet gij dan niet, gij ellendig mens, zo vraagt u de Geest der Waarheid, dat al de gedachten van uw boos hart bekend zijn? Waarom verbergt gij u dan en bedekt gij u met die onnutte bladeren, die uw verdorven verstand en uwe arglistigheid u aan de hand geven? Wilt gij u nog langer onder dien boom verschuilen, waar gij uwe zonden nu eens vergoelijkt, dan weer hare boosheid in uw geweten erkennen moet? Hoe lang zult gij, arm mens, uw bederf bedekken? Weet, dat gij den Heiligen Geest door dit ontkennen en verbloemen uwer schuld slechts bedroeft, en stel uw hart, uwen wil en uwen mond niet langer ten dienste des satans. Want gij vergadert daardoor u zelven toorn als een schat, en uwe zonden, die alle bij den Heer zijn opgetekend, zullen eenmaal tegen u getuigen.